Loading...
 

De profeet Daniël

2 Daniël


...page... Wiki page pagination has not been enabled.

Wie was hij?

In het boek Daniël, verneemt men dat Daniël (= God doet recht) een banneling was uit Juda, die werkte aan het hof van Babel. Hij kwam uit een nobele familie, was bekwaam en intelligent. In het boek wordt hij voorgesteld als staatsman en als profeet.





Het boek Daniël

Ontstaan

Men vermoedt dat het boek Daniël ontstaan is in de eerste helft van de tweede eeuw voor Christus, toen de Seleucidische koning Antiochus IV de joden dwong tot afgoderij. Dit leidde tot verzet en vervolging.



Inhoud

Het boek is in twee talen geschreven: het Aramees en het Hebreeuws. Het bestaat uit twee delen:
. Daniël beschrijft in zijn boek wat hij meemaakte als balling in Babel. Hij en zijn drie vrienden kregen functies aan het hof van de koning. Onder koning Darius kreeg hij een hoge positie in het rijk.

. Daarnaast beschrijft hij vier visioenen, die het hebben over de ondergang van de grote wereldrijken en de komst van het koninkrijk van God. Hiermee wilde Daniël de joden troosten en moed inspreken.



Apocalyptische taal

Apocalyptische teksten gaan vaak over het einde van de wereld dat nabij is. Zo'n teksten zijn niet zozeer voorspellingen over de toekomst, maar teksten die bedoeld zijn om de vervolgden moed in te spreken:
. Vervolging en chaos zullen niet het laatste woord hebben.
. De redding is komende.



Bekende verhalen

De droom van de koning (naar Daniël 2)

Er was eens een koning. Hij heette Nebukadnessar.
Hij had veel landen en steden veroverd en volkeren overwonnen.
Ook de stad Jeruzalem hoorde bij zijn rijk.
Hij probeerde om een goede koning te zijn voor elk volk dat bij zijn rijk hoorde en dat lukte.
Zijn enige grote zorg was hoe het verder moest met zijn rijk als hij dood was.

Op een nacht droomde koning Nebukadnessar.
Die droom bracht hem zo van streek, dat hij niet meer kon slapen.
Hij liet wijze mannen bij zich komen en zei:
- Ik heb een droom gehad die me van streek bracht.
Daarom wil ik de betekenis ervan kennen.
- Vertel de droom en we zullen hem uitleggen, zeiden de wijzen.
- Als wijze mannen zouden jullie die droom moeten kennen, zonder dat ik dat vertel.
Als jullie mij de droom en de uitleg ervan niet kunnen vertellen,
worden jullie gedood en jullie huizen vernietigd.
Maar als jullie de droom en zijn uitleg wel kunnen vertellen,
dan krijgen jullie rijke geschenken en eerbewijzen van mij.
- Beste koning, niemand ter wereld kan aan uw eis voldoen
en geen enkele koning heeft ooit zoiets al eens gevraagd.
Wat u verlangt kunnen alleen de goden geven,
maar die wonen niet onder de stervelingen.
Wanneer de koning dat hoorde werd hij razend
en hij stuurde al de wijze mannen weg om hen te laten doden.

Eén van die wijzen was Daniël.
Hij woonde vroeger in Jeruzalem,
maar toen die stad veroverd werd, was hij in dienst gestreden van de koning.
Hij kreeg een dure opleiding aan het hof
en leerde hoe het er in het rijk van de koning aan toe ging.
Hij vertelde ook over de kracht waarin hij zelf geloofde: die van de god van Israël.
Hij ging naar de koning en vroeg:
- Geef mij wat tijd, dan kan ik u de uitleg geven.
Daarna ging hij naar huis en besprak met zijn vrienden wat er gebeurd was.
Samen vroegen ze aan God om medelijden met hen te hebben.
Het geheim werd toen in een droom aan Daniël geopenbaard.

De volgende dag ging hij naar het paleis.
- Kunt u mij de droom uitleggen die ik had?
- Het geheim waar u om vraagt, kan geen enkele wijze aan de koning laten zien.
maar er is een God in de hemel, die geheimen openbaart.
Hij wil met die droom duidelijk maken wat er aan het einde van de tijden zal gebeuren.
Dit was uw droom:
U hebt in uw droom een zeer groot beeld voor u zien staan.
Het hoofd was van zuiver goud. De armen en de borst waren van zilver.
De buik was van brons, de benen waren van ijzer
en de voeten waren voor een deel van ijzer en een deel van klei.
Ik zag een steen die van de berg af rolde tegen de voeten van het beeld aan.
De voeten gingen kapot en het beeld valt uiteen in gruzelementen.
Er bleef niets meer van over.
Maar de steen die het had getroffen, werd een grote berg die heel de aarde bedekte.
- Dat is precies wat ik gedroomd heb, zei de koning.
Maar wat wil dat nu zeggen?
- U bent een goede koning. U zorgt goed voor iedereen die in uw rijk woont.
U bent het gouden hoofd van het beeld.
Maar na u komen andere koningen.
Ze doen hun best, maar ze zijn niet zo goed als u. Ze zijn zilver en brons waard.
Uiteindelijk komt er een koning van klei. Dat betekent het einde van uw koninkrijk.
Na de tijd van die koningen zal God een rijk stichten dat zal blijven bestaan.
U hebt gezien hoe er uit het gebergte een steen rolde
die het ijzer, het brons, het leem, het zilver en het goud vergruisde.
Hiermee wil de grote God u laten zien wat er in de toekomst zal gebeuren.
Hij zal een rijk stichten dat nooit te gronde zal gaan, dat altijd zal blijven bestaan.
De droom is waar en de uitleg betrouwbaar.
- Daniël, je bent een wijs man, zuchtte de koning.
Je kende mijn droom, zonder dat ik je die verteld heb.
Uw God is de God van alle goden en de Heer van alle koningen.
Hij openbaart geheimen en daarom kon u dit geheim verklaren.
Nog dezelfde dag werd Daniël de belangrijkste raadgever van de koning.




Samengevat
De wereldmachten worden voorgesteld door de verschillende materialen van een beeld. Die materialen gaan in kwaliteit achteruit.
Een steen die door God gezonden is, doet het beeld vallen. De rijken worden weggevaagd.
De steen staat voor een koninkrijk dat door God wordt gesticht en geen einde zal kennen.

Later hebben christenen in die steen Jezus gezien.



Drie mannen in een vuuroven (naar Daniël 3)

Eens liet koning Nebukadnessar een heel groot gouden beeld maken,
en liet dat plaatsen in een vlakte buiten de stad, waar iedereen het goed kon zien.
Daarna riep hij iedereen die het land mee bestuurde bijeen
voor de inwijding van dat beeld.
Toen ze voor het beeld stonden riep een heraut:
‘Zodra de muziek klinkt moet iedereen hier aanwezig, knielen voor het beeld.
Wie dat niet doet, wordt direct in het vuur van een oven geworpen.’
Zodra de muziek begon te spelen,
knielde iedereen op de grond voor het gouden beeld.
Behalve …
Sadrak, Mesak en Abednego, drie vrienden van Daniël.
Nebukadnessar werd woedend:
‘Is het waar, dat jullie het gouden beeld niet willen aanbidden?
Als jullie blijven weigeren, werp ik jullie direct in het vuur.
Welke god zal jullie dan uit mijn macht kunnen bevrijden?’
Sadrak, Mesak en Abednego antwoordden:
‘Nebukadnessar, de God die wij vereren kan dat.
Maar ook als God ons niet redt, zullen we het gouden beeld niet vereren.’
Toen beval Nebukadnessar om de oven zevenmaal heter te stoken dan normaal.
De sterkste kerels uit zijn leger bonden hen vast en gooiden hen in de vuuroven.
Maar ze raakten verbrand door de vlammen van het vuur in de oven.

Ineens schrok Nebukadnessar:
‘We hebben toch drie mannen vastgebonden in het vuur geworpen?’
‘Zeker, koning!’
‘Maar ik zie vier mannen, die zich vrij en zonder verwondingen in het vuur bewegen.’
Toen ging de koning naar de deur van de laaiende oven en riep:
‘Sadrak, Mesak en Abednego, kom eruit!’
De drie mannen kwamen uit het vuur tevoorschijn.
Iedereen kwam rond hen staan en zag dat het vuur hun lichaam niet had geraakt.
Toen zei Nebukadnessar:
‘Iedereen moet de God van Sadrak, Mesak en Abednego eren.
Want Hij zond zijn engel om zijn dienaren te redden,
omdat ze geen andere god wilden vereren of aanbidden dan hun eigen God.
Daarom beveel ik: Iedereen, die oneerbiedig durft te spreken over hun God,
wordt in stukken gehakt en van zijn huis wordt een puinhoop gemaakt.
Want er is geen andere god die zo’n grote macht heeft om te redden.’

Aan Sadrak, Mesak en Abednego gaf de koning zeer belangrijke functies.



Woorden op de muur (naar Daniël 5)

Koning Belsassar uit Babylonië organiseerde eens een groot feest.
Onder invloed van de wijn die hij dronk, beval hij:
‘Haal de gouden en zilveren bekers,
die mijn vader Nebukadnessar uit de tempel van Jeruzalem heeft weggenomen.
Ik wil daaruit drinken.’
Men haalde die bekers en iedereen dronk er uit.
Daarbij vereerden ze de goden van goud en zilver, van brons, ijzer, hout en steen.

Terwijl ze dat deden, schreven vingers van een mensenhand
iets op de gepleisterde muur van het koninklijk paleis.
De koning zag dat. Hij schrok hevig en riep luid:
‘Wie deze letters kan lezen en verklaren,
zal ik rijk maken en als derde laten heersen in mijn rijk.’
Maar niemand kon de letters lezen en er uitleg over geven.
Toen zei koningin tegen de koning:
‘Laat Daniël komen. Hij zal dit wel kunnen verklaren.’
Daniël werd gehaald. De koning vroeg:
‘Als u het schrift kunt lezen en kunt verklaren,
maak ik u rijk maken en laat ik u als derde heersen in mijn rijk.’
‘Geef uw geschenken aan een ander’, zei Daniël,
‘maar het schrift zal ik voor u lezen en verklaren.
Koning, u hebt wijn gedronken uit de bekers van de tempel.
U hebt goden geëerd van zilver en goud, van brons, ijzer, hout en steen,
terwijl u de God die u geschapen heeft, niet hebt geprezen.
Daarom liet Hij dit schrijven: Mene tekel peres.
Mene, God heeft uw regeringsjaren geteld en er een eind aan gemaakt.
Tekel, u bent op de weegschaal gewogen en te licht bevonden.
Peres, uw koninkrijk is ten einde. Het wordt aan de Meden en Perzen gegeven.’
Toen kreeg Daniël op bevel van Belsassar purperen kleren en een gouden ketting
en herauten maakten bekend dat hij als derde zou heersen in het rijk.

Diezelfde nacht nog werd koning Belsassar gedood.



Daniël in de leeuwenkuil (naar Daniël 6)

In die tijd was Darius de koning van Perzië, Babylonië en alle landen daaromheen.
Darius hield veel van Daniël, een jonge Israëliet.
Want Daniël was verstandig en kon ook dromen uitleggen.
De ministers van de koning waren jaloers op Daniël
en zochten een reden om hem te doden.
Op een dag slopen ze naar de kamer van Daniël,
waar hij juist aan het bidden was.
Onmiddellijk liepen ze naar de koning.
- Er bestaat toch een wet in ons land die de mensen verbiedt om tot een God te bidden?
Want u, grote koning, u bent toch zelf een god voor ons? zeiden ze.
- Dat is zo, dat is de wet, zei de koning.
- Wel, Daniël, de Israëliet, gehoorzaamt u niet, want in zijn kamer bidt hij tot zijn eigen God.
Daarom moet hij volgens onze wetten in de leeuwenkuil geworpen worden.
Koning Darius werd bedroefd, want hij had Daniël graag.
Hij zocht een manier om hem te redden, maar kon niets bedenken.
Zo kwam het dat Daniël in de leeuwenkuil werd geworpen.
De koning ging naar hem toe en zei:
- Ik kon je echt niet redden, Daniël,
maar de God die jij aanbidt, zal je zeker verlossen.
Daarna ging de koning terug naar zijn paleis. Maar daar kon hij niet eten en niet slapen.
De volgende dag stond hij heel vroeg op en liep naar de leeuwenkuil.
- Daniël, Daniël, heeft jouw God jou tegen de leeuwen beschermd?
En vanuit de put antwoordde Daniël:
- Grote koning, God heeft me een engel gestuurd om de muil van de leeuwen te bewaken.
Ze hebben mij geen kwaad gedaan.
Dat maakte de koning blij en hij trok Daniël uit de kuil.
De mannen die hem beschuldigd hadden, liet hij zijn zijn plaats in de kuil gooien.
Meteen werden ze door de leeuwen verscheurd.
Toen gaf Darius het bevel:
- Vanaf nu moet iedereen de God van Daniël aanbidden.
De levende God, die alle mensen redt van de dood, die in Hem geloven.



Daniël en Susanna (naar Daniël 13, 1-64)

Dit apocriefe verhaal speelt zich af in Babel. Daar proberen de joden God te dienen in een heidense en vijandige omgeving. Susanna, een knappe vrouw wordt ten onrechte van overspel beschuldigd. Ze wordt ter dood veroordeeld door twee oudsten. Maar Daniël heeft ze door en verhindert hun plan. Dit verhaal illustreert de betekenis van de naam Daniël: God doet recht.


Lang geleden woonde er in Babel een man die Jojakim heette.
Hij was getrouwd met Susanna, de dochter van Chilkia.
Zij was buitengewoon mooi en vroom.
Jojakim was zeer rijk en bezat een park, dat bij zijn huis lag.
Bij hem kwamen de Joden samen, omdat hij de belangrijkste man onder hen was.
Nu waren er dat jaar twee oudsten uit het volk tot rechters aangesteld.
Ze bleven in het huis van Jojakim, waar iedereen die rechtszaken had zich tot hen wendde.
Als het volk tegen de middag vertrokken was, ging Susanna wandelen in het park van haar man.
De twee oudsten keken dagelijks naar haar als zij ging rondwandelen.
Ze werden verliefd op haar. Dagelijks zochten ze naar gelegenheid om haar te zien.
Op een dag zei de een tegen de ander:
- Laten we maar naar huis gaan, want het is tijd om te eten.
Ze namen afscheid en gingen uiteen.
Maar langs een omweg troffen ze elkaar op dezelfde plaats.
Toen ze elkaar naar de reden vroegen, bekenden ze dat ze Susanna wilden zien.
Ze bespraken samen de tijd waarop ze haar alleen konden treffen.
Op een dag ging Susanna - zoals ze gewoon was - samen met twee dienstmeisjes, het park in.
Omdat het warm was wilde ze er een bad nemen.
Er was niemand in het park
behalve de twee oudsten die zich hadden verstopt en naar haar keken.
Susanna zei tegen de dienstmeisjes:
- Haal olie en balsem en sluit de poort van het park, dan ga ik een bad nemen.
De meisjes sloten de poort van het park
en gingen door een zijdeur weg om het gevraagde te halen, zonder de oudsten te zien.
Zodra de dienstmeisjes vertrokken waren, liepen de twee oudsten op Suzanna af.
- De poort van het park is gesloten en er is niemand die ons ziet, zeiden ze.
We zijn hopeloos verliefd op jou!
Doe daarom wat wij willen en heb gemeenschap met ons,
anders zullen we zeggen dat er een jongeman bij je was
en dat je daarom de dienstmeisjes wegstuurde.
- Ik word van alle kanten bedreigd, zuchtte Susanna.
Doe ik het, dan wacht mij de dood.
Doe ik het niet, dan zal ik niet ontkomen aan jullie opzet.
Maar liever val ik onschuldig ten prooi aan jullie opzet dan te zondigen tegen de Heer.
En Susanna begon hard te schreeuwen.
Maar de twee oudsten schreeuwden tegen haar in.
Eén van hen liep naar de poort van het park en opende die.
Toen de bedienden in huis het geschreeuw in het park hoorden,
kwamen ze door de zijdeur toegesneld om te zien wat er met Susanna gebeurd was.
De oudsten deden hun verhaal.
De bedienden schaamden zich, want zoiets was nog nooit over Susanna verteld.
Toen het volk de volgende dag weer bij haar man Jojakim samenkwam,
wilden de oudsten Susanna doden.
- Haal Susanna, de dochter van Chilkia, de vrouw van Jojakim, riepen ze.
Men liet haar halen. Zij verscheen, samen met haar ouders, haar kinderen en haar familie.
De oudsten gaven dan het bevel om de sluier weg te nemen, waarmee haar gelaat bedekt was.
Zo konden ze zich aan haar schoonheid verlustigen.
Haar verwanten, en iedereen die haar zag, huilden.
Terwijl de twee oudsten voor het volk gingen staan en hun handen op haar hoofd legden,
keek Susanna huilend naar de hemel.
Toen verklaarden de oudsten:
- Terwijl we in het park wandelden, kwam zij met twee dienstmeisjes naar binnen,
sloot de poort en stuurde de meisjes weg.
Daarop kwam een jongeman naar haar toe die zich had verborgen en ging bij haar liggen.
Toen we vanuit een hoek van het park het misdrijf opmerkten,
snelden we naar hen toe en zagen dat ze met elkaar gemeenschap hadden.
We konden hem niet te pakken krijgen.
Hij was sterker dan wij, opende de poort en rende zeg.
Daarom grepen we haar en vroegen wie die jongeman was.
Maar dat wilde ze ons niet zeggen.
Omdat zij oudsten van het volk waren, en rechters, geloofde de vergadering hen.
En ze veroordeelden Susanna tot de dood.
Toen riep Susanna luid:
- Eeuwige God, die het verborgene kent en alles al weet voordat het gebeurt,
U weet dat ze mij vals beschuldigen.
Hoewel ik niet gedaan heb waarvan ze mij beschuldigen, toch moet ik sterven.
God verhoorde haar gebed.
Terwijl zij werd weggeleid om gedood te worden, riep Daniël heel luid:
- Ik ben onschuldig aan haar bloed!
- Wat bedoel je daarmee? vroeg het volk dat zich naar hem keerde.
- Jullie zijn niet goed wijs! zei hij.
Jullie veroordelen iemand zonder nader onderzoek en kennis van zaken!
Daarop ging het volk snel terug naar de rechtszaal.
- Neem plaats in ons midden en vertel wat je bedoelt, zeiden de oudsten tegen Daniël.
- Zet ze apart, dan zal ik ze verhoren, zei Daniël.
Ze werden van elkaar gescheiden. Daniël riep een van de twee oudsten bij zich en vroeg:
- Als je haar op heterdaad betrapt hebt,
zeg dan onder welke boom je ze hebt samen gezien?’
- Onder een mastiekboom, zei de eerste oudste.
Daniël liet hem wegleiden, liet de ander voorkomen en vroeg:
- Onder welke boom heb je ze samen gezien?’
- Onder een steeneik, zei die.
Hierop juichte heel de vergadering en eerde God, die redt wie op Hem vertrouwt.
Omdat Daniël met hun eigen woorden bewezen had dat de twee vals getuigd hadden,
keerde het volk zich tegen hen en liet ze doden volgens de wet van Mozes.
Vanaf die dag stond Daniël in hoog aanzien bij het volk.





Daniël en kunst

MICHELANGELO

DANIEL2



M. PRETI

Daniel legt de eerste droom van Nebuchadnezzar uit
Preti

Mattia Preti (24 februari 1613 Taverna (Calabrië - Italië) - 3 januari 1699 Valletta) was een Italiaanse kunstenaar (laat-barok) die vooral werkte in Italië en Malta.



REMBRANDT Van Rijn

Suzanna (1636)
Rembrandt

Olie op doek, 47,4 op 38,6 cm (Mauritshuis, Den Haag)



Suzanna in het bad (1647)
Susanneaubain

Olie op doek, 76 op 91 cm (Staatliche Museen, Berlijn)




B. RIVIERE

Daniel's answer to the King (1890)
Riviere

Briton Rivière (14 August 1840 Londen – 20 April 1920 Londen) was een Brits kunstenaar. Heel wat werken van hem stellen dieren voor.





Daniël in 'Bijbelin1000seconden.be'

Daniël 7, 9-10.13-14: Rechtspraak in de hemel
Daniël 7, 13-14: De mensenzoon, een koning
Daniël 12, 1-3: Eeuwig schitteren als de sterren
Daniël 13: Daniël en Susanna