Loading...
 

15e zondag door het jaar C

2 Samaritaan

Inhoudstabel


...page... Wiki page pagination has not been enabled.

Lucas 10, 25-37: De barmhartige Samaritaan

De tekst

Dichter bij de tijd

Een wetgeleerde komt bij Jezus om Hem te testen.
Hij vraagt: ‘Meester, wat moet ik doen om eeuwig te leven?’
Jezus antwoordt: ‘Wat staat er in de wet geschreven?’
De wetgeleerde antwoordt:
‘U zult de Heer uw God liefhebben met heel uw hart,
met heel uw ziel, met heel uw kracht
en met heel uw verstand, en uw naaste als uzelf’.
‘Dat is een goed antwoord,’ zegt Jezus,
‘doe dat en u zult leven’.
Maar de wetgeleerde wil zijn gezicht niet verliezen
en vraagt daarom:
‘Ja maar, wie is mijn naaste?’
Dan vertelt Jezus het volgende:

‘Er was eens een man die op reis was
van Jeruzalem naar Jericho.
Onderweg werd hij overvallen door rovers.
Ze trokken hem zijn kleren uit, mishandelden hem
en lieten hem halfdood liggen.
Toevallig kwam er een priester langs.
Toen hij het slachtoffer zag liggen,
liep hij in een boog om hem heen.
Er kwam ook een Leviet, een tempeldienaar, langs.
Hij zag het slachtoffer,
maar liep ook in een boog om hem heen.
Toen kwam er een Samaritaan voorbij.
Hij kreeg medelijden met de man, die daar neerlag.
Hij ging naar hem toe,
verzorgde zijn wonden met olie en wijn
en deed er een verband om.
Daarna zette hij hem op zijn ezel
en bracht hem naar een herberg,
waar hij verder voor hem zorgde.
De volgende morgen
gaf hij twee denariën aan de herbergier.
‘Zorg voor hem,’ zei hij, ‘en als u meer kosten heeft,
zal ik die betalen op mijn terugreis’.

Na dit verhaal vraagt Jezus:
‘Wie van deze drie is volgens u
de naaste geworden van het slachtoffer van de rovers?’
De wetgeleerde zegt:
‘De man die medelijden met hem had’.
‘Goed,’ zegt Jezus ‘doe dan voortaan net zoals hij’.



Stilstaan bij …

Wetgeleerde
(= schriftgeleerde)
Wetgeleerden waren vooraanstaande leraars in de tijd van Jezus. Ze bestudeerden de Wet en waren de geestelijke leiders van het volk. Sommigen hadden leerlingen die zich onder hun leiding schoolden in de Wet (Tora). Naast de geschreven wet, hielden ze zich ook aan de mondelinge overlevering.


Eeuwig leven
Voor de joden is dit de samenvatting van al wat goed is, een leven bij God.


Wet
In de bijbel bedoelt men met de ‘Wet’, de Tora. De woorden die God op de Sinaï aan Mozes heeft gegeven. Het centrum van die Wet is gekend als de tien woorden (of de tien geboden).
Het feit dat Jezus die vraag stelt, geeft aan dat Jezus in alles aan die wet trouw wil zijn.


Naaste
Iemand die naast je leeft, die je dagelijks treft.


Jeruzalem
Deze stad werd gebouwd in het gebergte van Judea. Ze was de residentie van koning David.


Jericho
Deze stad was een oase in het Jordaandal.
Klik hier voor meer info over Jericho.


De weg van Jeruzalem naar Jericho
Weg Jeruzalem Jericho

De weg tussen beide steden liep door de woestijn en was gevaarlijk. Eenzame reizigers waren er een gemakkelijke prooi voor rovers die zich verstopten langs die verlaten, steile en bochtige weg.


Priester
Een priester mocht alleen in de tempel komen na allerlei wasbeurten (rituele reinigingen) en wisseling van kleren. Wanneer hij een dode aanraakte, mocht hij volgens de wet (Exodus 21, 1b-2) een tijdlang niet aan de gebeden en ceremoniën deelnemen.
(Belangrijk: deze omschrijving van een priester gaat alleen op voor priesters in de Bijbelse tijd.)


Leviet
Dit was een tempeldienaar. Hij was – net als de priester - ‘onrein’ als hij bloed of een dode aanraakte.


Samaritaan
Nakomeling van joden die tijdens de Babylonische ballingschap in Palestina waren gebleven en met niet-joden waren gehuwd. Toen de andere joden uit ballingschap terugkwamen, beschouwden ze deze groep als onrein en werden joden en Samaritanen vijanden van elkaar. De wet zei dat men hen niet mocht aanspreken of een gebruiksvoorwerp aanraken dat aan hen toebehoorde.
Daarom schokt Jezus zijn toehoorders wanneer hij een Samaritaan, een misprezen half-jood als voorbeeld neemt.


Olie en wijn
functioneren als zalf en ontsmettingsmiddelen.


Denarie
Eén denarie was het dagloon van een arbeider.


Barmhartigheid
Het Hebreeuwse woord voor barmhartigheid is Rachanim. Rachem betekent baarmoeder. Zo kan men zeggen dat barmhartigheid oproept tot nieuw leven. Vooral God is barmhartig. Via het antwoord van de Schriftgeleerde wordt duidelijk dat God zich laat kennen doorheen mensen die handelen als de Samaritaan.



Merk op

De wetgeleerde stelt de vraag: ‘Wie is mijn naaste?’ Die vraag verandert Jezus in: ‘Wie lijkt de naaste te zijn van de man?’
Zo geeft Hij aan dat ‘naaste zijn’ niet iets is dat op zichzelf bestaat, maar iets wat groeit binnen een relatie. Een relatie die concreet en dichtbij kan zijn, zoals in deze parabel, maar ook onzichtbaar en veraf, zoals bv. mensen die administratieve papieren in orde brengen voor hun medemens.



Bij het vertellen van deze parabel aan kinderen

(naar: C. LETERME in Samuel plus, uitgeverij Averbode, 2007 nr8 )

De parabel van de barmhartige Samaritaan is doorgaans goed gekend.
Om een zekere luistermoeheid te vermijden is het belangrijk goed voor ogen te houden vanuit welke hoek je deze parabel benadert:

. De jongste kinderen (kleuters, eerste en tweede leerjaar) maken kennis met het verhaal en herkennen er vooral de oproep in om mensen in nood hulp te bieden. Voor hen speelt alleen de Samaritaan een belangrijke rol.

. Kinderen in het derde en vierde leerjaar hebben vooral aandacht voor de personen die achteloos voorbijgingen. Ze komen tot de vaststelling dat voor Jezus liefde de belangrijkste wet was. Voor hen speelt elk van de drie voorbijgangers een rol.

. Kinderen in het vijfde en zesde leerjaar hebben vooral aandacht voor het engagement dat vanuit de parabel gaat. Het is belangrijk dat je de parabel voor hen niet brengt alsof ze die nog nooit eerder hoorden. Laat hen de parabel opnieuw vertellen. Maak hierbij eventueel gebruik van hulpmiddelen als: illustraties, voorwerpen. Besteed nadien vooral aandacht aan de invalshoek die typisch is voor hun leeftijd.





Bij de tekst

Context

Deze parabel wordt gevolgd door het bezoek van Jezus aan Marta en Maria. De parabel roept op om dienstbaar te handelen; het verhaal van het bezoek corrigeert mogelijke eenzijdige opvattingen en geeft aan dat tijd voor bezinning even belangrijk is.



'Wie is mijn naaste?'

Jezus geeft met zijn parabel geen antwoord op de vraag die de Schriftgeleerde stelt. Hij draait de vraag 'Wie is mijn naaste?' om in: 'Wie van deze drie lijkt u de naaste te zijn van de man die in de handen van de rovers gevallen was?', 'Wie van de drie heeft gehandeld als de naaste van de beroofde man?'
Hieruit kun je opmaken dat de naaste zich laat kennen in een gedrag. Naastenliefde is dus een kwestie van doen, van handelen. Het is een daad waarin de mens voor de ander opkomt.

Maar, hoe kun je nu 'naaste' zijn in een anonieme massa, waar je met veel mensen alleen door status, beroep of woning verbonden bent?
Paul Ricoeur zegt dat naastenliefde twee wegen kan bewandelen:
. de lange weg van het werk, de organisatie of de politiek
. of de korte weg van de persoonlijke ik-gij verhouding.
Beide wegen kunnen de mens vrijmaken voor de ander. Het is verkeerd alleen de korte weg van de ik-gij-verhouding naastenliefde te noemen en de lange weg te zien als dorre organisatie. Maar het gaat ook niet op om alle menselijkheid van structuren te verwachten.



Een oude interpretatie van deze parabel

In de loop van de geschiedenis komen twee bijbelbenaderingen steeds terug:
- het letterlijk lezen van de tekst (wordt nu fundamentalistisch genoemd)
- de tekst in al zijn aspecten zien als een beeld voor iets anders (wordt allegorisch genoemd)

Een voorbeeld van een allegorische benadering van de parabel van de barmhartige Samaritaan:

De reiziger is Adam, beeld voor de mensheid.
Jeruzalem is de hemelse stad van de vrede.
Adam daalt van Jeruzalem af naar Jericho, beeld voor de wereld.
De rovers zijn de duivels: ze beroven Adam van zijn deugden.
Hij blijft halfdood achter:
halfdood, want hij is in de macht van het kwade,
half levend, want hij kan God kennen.
De priester vertegenwoordigt de wet.
De leviet vertegenwoordigt dan de profeten.
Beide symboliseren het Oude Testament.
De barmhartige Samaritaan vertegenwoordigt Christus.
Olie en wijn, verwijzen naar de troostende en vermanende woorden ven Jezus.
De herberg is de Kerk.
De herbergier vertegenwoordigt de apostelen of hun opvolgers.
De twee geldstukken verwijzen naar het dubbele gebod:
‘Hou van God en van uw naaste’.





Bijbel en kunst

E. DELACROIX & V. VAN GOGH

De barmhartige Samaritaan

Delacroix

Rond 1949 schilderde de Franse kunstschilder Eugène Delacroix een Samaritaan die een gewonde op zijn rijdier plaatst om hem in een herberg verder te laten verzorgen.




Van Gogh

41 jaar later, in 1890, kopieerde Vincent Van Gogh dit werk in spiegelbeeld op zijn manier.

Meer dan een eeuw later valt op dat de schilders toen het paard van de Samaritaan schilderden, terwijl men er nu bijna vanzelfsprekend van uitgaat dat het rijdier van de Samaritaan een ezel was.




Suggestie
Toon één van beide werken en vraag om te bedenken wat er zich voor en na het gebeuren op het schilderij kon afgespeeld hebben.
Vergelijk die verhalen met de parabel zoals Jezus die vertelde.
- Wat is hetzelfde?
- Wat is anders?



HE QI

De barmhartige Samaritaan
He Qi




Suggestie
Geef iedereen zes gedachteballonnen.
Op vier van die gedachteballonnen schrijven de deelnemers wat er door het hoofd zou kunnen gegaan zijn van de vier personen op het schilderij. Nadien plaatsen ze die bij de vier personen op het schilderij.
Op een vijfde gedachteballon schrijft men wat men zelf van dit hele verhaal denkt.
Op een zesde gedachteballon schrijft men waarom Jezus deze parabel vertelde.

Klik hier als je een kant en klaar werkblad wilt gebruiken.



ARELLANO

De barmhartige Samaritaan, Nicaragua (rond 1984)
(tekst geïnspireerd door: Dries van den Akker s.j.)

5 Arellano 1984

De kunstenaar situeert de parabel van de Barmhartige Samaritaan in zijn eigen omgeving: het Midden-Amerikaanse land Nicaragua.

Het schilderij is opgebouwd uit vier lagen:
. De onderste laag wordt gevormd door het tafereel met links de barmhartige man die het slachtoffer helpt, en rechts het ezeltje.
Het slachtoffer wordt ondersteund door de behulpzame man. Hij is behoorlijk toegetakeld. Op zijn bovenlijf en benen heeft hij littekens van messteken. Zijn ogen man rollen weg omhoog: hij is min of meer buiten bewustzijn.
De barmhartige man is elegant gekleed: een rood hemd en blauwe jeans. Hij heeft een snorretje, bakkebaarden en een verzorgd kapsel: duidelijk iemand die veel aandacht besteedt aan zijn uiterlijk. Niet iemand van wie je zou verwachten dat hij zich veel van anderen aantrekt.
Het ezeltje staat geduldig met opgestoken oren toe te zien. Het heeft nog een tas op zijn rug.

. Op de volgende laag zijn er drie wandelaars op weg naar het stadje in de verte. Voorop, in een lang rood gewaad, een man met baard en staf. Daarachter een vrouw, met blauwe jurk en witte sluier. De rij wordt gesloten door een man in het zwart die omkijkt. De drie zijn wellicht het slachtoffer gepasseerd. Ze hebben zich er niets van aangetrokken en zijn doorgelopen.
Een aanvulling op de parabel is de vrouw.
De achterste man in het zwart lijkt op een geestelijke. Hij kijkt nog even om... Heeft hij wroeging?

. De derde laag wordt gevormd door het stadje waar een wit kerkje met een wit kruis bovenop duidelijk te zien is. De drie lagen worden doorsneden en met elkaar verbonden door een weg die door het landschap slingert.

. De vierde laag wordt gevormd door een blauwe hemel.



F. ROERDINK

De barmhartige Samaritaan (1989)

Roerdink

Iemand ligt vooraan op de grond.
In de achtergrond gaat het drukke leven verder: mensen haasten zich naar hun werk.
Hun gezicht is niet te zien. Ze gaan op in de anonieme massa.
Twee mensen staan stil. Ook hun gezicht is niet te zien!
Eén persoon geeft de eerste zorgen aan de neergevallen mens.




Suggestie
Beeldmeditatie
- Wat zie je?
- Wat beweegt? Wat staat stil?
- Wat zie je op dit werk waarvan je denkt dat een ander het niet gezien heeft?

- In wie herken jij jezelf het meest?
(de mensen die druk stappen; de mensen die stilstaan; die persoon die op de grond ligt; de persoon die hulp biedt)
- In welke persoon zou jij jou het liefst willen in herkennen? Waarom kies je voor die persoon?





Suggesties

Kleine kinderen

KENNISMAKING MET DE PARABEL

De parabel in drie beelden

BSamaritaan1

Bsamaritaan

Bsamaritaan3



De overvallen man vertelt...

Ik was op weg van de stad Jeruzalem naar de stad Jericho.
Langs die weg woont bijna niemand.
Enkele rovers hadden zich daar verstopt.

Ineens sprongen ze voor mij en vielen me aan.
Ze sloegen mij en pakten alles wat ik meehad.
Ik had veel pijn en bleef halfdood liggen.

Ik was ik blij toen ik een man zag aankomen.
Hij zag me, maar liep in een grote boog om mij heen.
Hij ging voorbij zonder me te helpen.

Ik had nog steeds heel veel pijn. Toen kwam er een andere man voorbij.
Ik hoopte dat hij mij zou helpen.
Maar hij liep heel snel door en deed alsof hij niets gezien heeft.

Daar kwam nog iemand voorbij: een man op een ezel.
Het is iemand van een ander land.
Hij zal me zeker niet helpen. Ik deed terug mijn ogen dicht.

Opeens voelde ik handen. Die vreemde man verzorgde mij.
Hij ontsmette mijn wonden en deed er olie op.
Dan zette hij mij op zijn ezel en bracht me naar een herberg.

Daar gaf hij geld aan de baas van de herberg om voor mij te zorgen.
Want hij moest verder op reis.
Hij zou op de terugweg komen zien hoe het met mij ging.



De barmhartige Samaritaan - Lucas 10, 25-37

(C. LETERME e.a., Zes kruiken wijn, Standaard Educatieve uitgeverij, 1994, p. 50-51)

Jezus is met de mensen aan het praten.
Hij zegt: 'Je moet veel van God houden
en ook van je naaste.'
En iemand vraagt hem:
'Maar je naaste, wie is dat dan?'
Jezus zegt:
'Ik zal je een verhaal vertellen,
zodat je dat beter kunt begrijpen.



Een man is op weg
van de stad Jeruzalem naar de stad Jericho.
De weg gaat door een dorre, verlaten streek.

Ineens springen enkele rovers voor de man
en vallen hem aan.
Hij wordt geslagen,
de rovers pakken hem alles af
en lopen vlug weg.
De man heeft pijn
en blijft liggen.

Toevallig komt er een priester langs.
Hij ziet de man aan de rand van de weg liggen.
Maar hij stapt snel verder.
Hij gaat voorbij zonder te helpen.

Even later
komt er een andere reiziger langs:
het is een leviet,
iemand die de priesters helpt in de tempel.
Hij doet net als de priester:
hij gaat in een boog om de gewonde heen,
alsof hij niets heeft gezien.
Dan komt Semer voorbij.
Semer is een Samaritaan.
De gewonde man ziet hem en denkt:
'Oei...
een Samaritaan!
Daar heb ik nooit van moeten weten...
die helpt me zeker niet.'
Maar Semer ziet de gewonde.
Dat vindt hij zo erg
dat hij stopt.
Hij geeft de gewonde man te drinken.
Dan verzorgt hij de wonden.
Als hij klaar is,
legt hij de gewonde op zijn ezel
en brengt hem naar een herberg.
Daar mag de man blijven tot hij is genezen.
Semer gaat naar de baas van de herberg,
geeft hem geld
en zegt:
'Wil je alsjeblieft goed voor hem zorgen,
en als het meer kost,
dan zal ik het u wel betalen wanneer ik terugkom.

Merk op:
- Moeilijke, ongewone woorden worden uitgelegd (Leviet, Samaritaan)
- Uitleg wordt verweven in de tekst
- De directe rede maakt het verhaal dynamischer
- Een naam (Semer) brengt een persoon dichter in de leefwereld van het kind
- Tegenwoordige tijd
- Korte, eenvoudige zinnen




Kleurvertelboekje

Kopieer dit kleurvertelboekje.
Vertel het verhaal met behulp van de tekst die bij de illustraties staat.
Nadien kleuren de kinderen het ‘boekje’.


TIPS
Kopieer het ‘boekje’ voor elk van de aanwezige kinderen. Na de activiteit nemen ze het mee naar huis om verder in te kleuren en het daar opnieuw te laten voorlezen.

Iets grotere kinderen kunnen al heel wat meelezen.





INFORMEREN

Een nieuw woord: 'naaste'

Deze parabel werd verteld nav de vraag: 'Wie is mijn naaste?'
Voor de joden was een naaste altijd iemand van hun volk.
In deze parabel maakt Jezus duidelijk dat iedereen 'naaste' kan zijn, tot welk volk of religie men ook behoort.
In de volgende activiteit leren de kinderen het woord 'naaste' of een speelse manier kennen.


Vraag aan de kinderen om in de kring te zitten naast een vriend of vriendin. De kinderen vertellen 'naast' wie ze zitten.
Gooi dan een bal naar een van de kinderen. Het kind dat die opvangt zegt: 'Ik zit naast... 1 ... (kind van links en rechts). Op zijn beurt gooit het kind de bal naar... Vraag daarna om van plaats te wisselen.
Het spel wordt opnieuw gespeeld.

Daarna mag iemand in de kring staan en goed observeren wie naast wie zit. Dan gaat die het lokaal uit. Enkele kinderen wisselen van plaats. Wanneer het terug in de kring komt, moet het ontdekken wie een andere 'naaste' kreeg.





EVEN TESTEN

Fototaal: de naaste

Toon foto's van mensen die mekaar bijstaan, helpen (b.v. verpleegster bij een patiënt, iemand helpt een bejaarde de straat oversteken, iemand helpt bij autopech...) of maak gebruik van dit werkblad.
De kinderen bekijken de foto's en vertellen wat erop afgebeeld staat.
Vraag:
- Wie is hier de naaste?
- Waarom?





VERTELLEN

Lien vindt een nieuwe vriendin (1)

(C. LETERME e.a., Zes kruiken wijn, Standaard educatieve uitgeverij, 1988, p. 56-57)

Lien is erg verdrietig.
Sinds gisteren gaat haar mama weer werken
En mama is de grootste vriendin van Lien.
Als het speeltijd is, staat zij helemaal aan de kant.
Haar vrienden spelen op het speelplein,
ze spelen verstoppertje, tikkertje... ze lachen en hebben veel pret.
Maar Lien kan niet lachen.
Ze vindt het veel te erg dat haar mama nu terug aan het werk is.
Ze kijkt sip naar de grond en veegt een paar tranen weg.

Haar vrienden zien het niet:
zij zijn druk aan het spelen met de nieuwe bal van Anke.
En ook de juffrouwen van de school zien het niet:
die kijken allemaal een andere kant uit.
Lien is helemaal alleen.

'Hé Lien,' zegt een zacht stemmetje.
Lien kijkt op. Daar staat Tine.
Lien kent haar niet zo goed,
ze heeft nog nooit met Tine gespeeld.
'Wat is er? Waarom huil je?', vraagt Tine.
Lien vertelt: 'Ik ben verdrietig want het is woensdag.
Woensdag is een fijne dag:
mama en ik gaan dan spelen in het park.
Maar dat kan niet meer.
Mama gaat weer werken.
Ik ben helemaal alleen...'
'Lien,' zegt Tine, 'zou je het fijn vinden
als je vanmiddag bij mij zou komen spelen?'
'Oh ja!' roept Lien uit.
Haar gezichtje straalt, ze is heel blij.

Zo worden Lien en Tine vrienden.



Lien vindt een nieuwe vriendin (2)

(C. LETERME e.a., Zes kruiken wijn, Standaard educatieve uitgeverij, 1994, p. 56-57)

In de klas van Lien is het gezellig vandaag.
De kinderen maken samen met juf Mia.
een groot wandschilderij.
Ze schilderen huizen, bomen, bloemen, kinderen...
Ook Lien doet mee.
Ze wil wat bruine verf halen om een hondje te schilderen.
Terwijl ze om de tafel heen loopt, stoot ze de pot met groene verf om.
De hele vloer is groen en Lien ook.
Enkele kinderen en juf snellen naar haar toe
om Lien en de vloer proper te maken.

Maar Elke en Veerle lachen Lien uit.
Ze zeggen: 'Ha, Lien, je bent toch maar een domme.'
Dat maakt Lien verdrietig.

Als het speeltijd is, staat ze helemaal aan de kant.
Ze kan niet lachen,
ze moet maar steeds denken aan Elke en Veerle.
Ze kijkt sip naar de grond en veegt een paar tranen weg.

Haar vrienden zien het niet:
ze zijn druk aan het spelen met de nieuwe bal van Anke.
Ook de juffrouwen van de school zien het niet:
die kijken allemaal een andere kant uit.
Lien is helemaal alleen.

'Hé Lien', zegt iemand.
Lien kijkt op. Daar staat Tine.
Lien kent haar niet zo goed,
ze heeft nog nooit met Tine gespeeld.
Tine speelt altijd met Hans en Trui.
'Wat is er? Waarom huil je?' vraagt Tine.
Lien vertelt waarom ze verdriet heeft

Tine vindt het helemaal niet erg.
Iedereen stoot wel eens wat om.
'Speel je met me mee?' vraagt Tine.
'En Hans en Trui dan?', wil Lien weten.
Tine zegt: 'Kom maar.
Ze vinden het vast wel goed.'

Liens gezicht straalt, ze is heel blij.
Zo worden Lien en Tine vrienden.





Grote kinderen

KENNISMAKEN MET DE PARABEL

De parabel, vroeger en nu

(C. LETERME in Samuel plus, uitgeverij Averbode, 2007 nr 8)

Vooraf
Op een A-4 blad heb je het volgende geschetst:
. een weg, waarop een kind ligt (gestruikeld – heeft heel veel pijn!)
. iemand die voorbij gefietst is
. iemand die aan de overkant van de weg voorbij gaat
. iemand die aankomt op skeelers
Bij elk van de personen op de schets, staat een ‘denkballon’


Verloop
Verdeel de groep in groepjes van vier. Elk groepje krijgt een blad met de schetsmatige tekening. Vertel wat er op de schets staat: iemand ligt met veel pijn langs de weg. Iemand reed met de fiets voorbij. Een tweede ging aan de overkant van de weg voorbij. Een derde komt ‘aangereden’.
De kinderen krijgen de opdracht om te overleggen wat elk van die vier kinderen dachten. Ze noteren dit in de ballonnen.

Bespreek daarna:
- Wie van de drie personen handelt goed? Waarom?
- Wie handelt fout? Waarom?
Confronteer de kinderen met de volgende uitspraken:

'Je zou denken dat goed handelen altijd moeilijk is, terwijl slecht handelen altijd gemakkelijk is, dat het zelfs vaak plezant is.'
(Jonathan, 10 jaar)

'Soms word je meegesleept om iets kwaad te doen, omdat je in een groep bent. Indien je niet meedoet met de anderen, riskeer je uit de groep gesloten te worden.'
(Filip, 14 jaar)


- Ben je akkoord met wat Jonathan en Filip zeggen? Waarom?
- Op welke personen op de schets kun je hun uitspraken toepassen?

Vertel dan de parabel.
- De kinderen benoemen elk van de personen uit de parabel op hun flap: gewonde man, priester, leviet, Samaritaan.



Parabel over de barmhartige Samaritaan

Een wetgeleerde kwam bij Jezus om Hem te testen.
Hij vroeg: ‘Meester, wat moet ik doen om eeuwig te leven?’
Jezus antwoordde:
‘Wat staat er in de wet geschreven?’
De wetgeleerde antwoordde:
‘U zult de Heer uw God liefhebben met heel uw hart,
met heel uw ziel, met heel uw kracht
en met heel uw verstand, en uw naaste als uzelf.’
‘U hebt juist geantwoord,’ zei Jezus, ‘doe dat en u zult leven.’
Maar de wetgeleerde wilde zijn gezicht niet verliezen
en vroeg daarom aan Jezus:
‘Ja maar, wie is mijn naaste?’
Toen vertelde Jezus het volgende:

‘Er was eens een man die op reis was van Jeruzalem naar Jericho.
Onderweg werd hij overvallen door rovers.
Ze trokken hem zijn kleren uit, mishandelden hem
en lieten hem halfdood achter.
Toevallig kwam er een priester langs.
Toen hij het slachtoffer zag liggen,
liep hij in een boog om hem heen.
Er kwam ook een Leviet langs.
Hij zag het slachtoffer,
maar liep ook in een boog om hem heen.
Toen kwam er een Samaritaan voorbij.
Hij kreeg medelijden met de man, die daar neerlag.
Hij ging naar hem toe,
verzorgde zijn wonden met olie en wijn en deed er een verband om.
Daarna zette hij hem op zijn ezel en bracht hem naar een herberg,
waar hij verder voor hem zorgde.
De volgende morgen gaf hij twee denariën aan de herbergier.
“Zorg voor hem,” zei hij, “en als u meer kosten heeft,
zal ik die betalen op mijn terugreis.”

Toen vroeg Jezus: ‘Wie van deze drie is volgens u
de naaste geworden van het slachtoffer van de rovers?’
De wetgeleerde zei:
‘De man die medelijden met hem had.’
‘Goed,’ zei Jezus ‘doe dan voortaan net zoals hij.’

Een parabel is niet zomaar een verhaal. Jezus vertelde parabels om de mensen iets over God te leren en om hen op te roepen zo te gaan leven, dat de droom die God heeft voor de mensen, werkelijkheid zou worden.
Zo leert deze parabel dat God is zoals de Samaritaan: hij biedt hulp aan wie in nood is en wordt niet verhinderd door vooroordelen.
Tegelijk roept Jezus de mensen met deze parabel op om te handelen zoals deze Samaritaan. Als iedereen zo handelt, dan wordt de wereld meer zoals God die droomt: een wereld vol vrede en liefde.




Rappen over een barmhartige Samaritaan

(Bron: Hannah LAM e.a. Vertellend zingen, Callenbach, 1991)

Zing het volgende lied als een rap. Meteen zit je middenin het onderwerp.
Omdat er zoveel strofen zijn kunnen wel tien kinderen een andere strofe ‘rappen’.

RAP
Iets vertellen op muziek was een oude traditie bij de Afro-Amerikanen.
Dit rijmend praten/zingen wordt rap genoemd in de New Yorkse wijk The Bronx.
Het woord rappen komt uit het Amerikaanse dialect en betekent praten.

Daar gaat een man, hij gaat op reis
op reis naar Jericho,
de weg is eenzaam en is lang
en kronkelt ook nog zo.
Jeruzalem ligt achter hem.
Nog even kijkt hij om,
dan is hij in de eenzaamheid
en in de volle zon.

En halverwege springen er
twee rovers uit een struik,
zij slaan en zij beroven hem
en maken alles buit.
Daar gaat zijn geld, daar gaat zijn jas,
al schreeuwt hij ach en wee,
de rovers zonder medelij
nemen toch alles mee.

Hier ligt hij in de warme zon,
beroofd en zwaar gewond;
is er dan niemand die hem helpt,
geen mens die bij hem komt?
Moet hij hier sterven langs de weg,
zo ver van huis vandaan?
Hij roept zo hard hij roepen kan,
maar er komt niemand aan.

Komen er voeten dichterbij?
Heeft hij gedroomd misschien?
Er loopt een priester op de weg,
die zal hem zeker zien!
Hij roept om hulp, de priester gaat
gewoon aan hem voorbij.
Hij kijkt niet op, hij kijkt niet om
en heeft geen medelij!

Weer is het stil, de krekels staan
te zoemen in de zon,
maar ginds komt er weer iemand aan:
als die eens helpen kon...!
Het is een man, een priesterhulp,
die naar de tempel gaat.
Hij maakt zijn handen ook niet vuil
aan iemand langs de straat.

Na uren wachten langs de weg
hoort hij weer voeten gaan.
Het is geen vriend van Israël,
't is een Samaritaan!
Als de gewonde man dat ziet,
draait hij zijn hoofd opzij.
Natuurlijk gaat die vreemdeling
zonder te zien voorbij.

Maar nee, de vreemdeling staat stil.
Hij knielt al bij hem neer
en hij verzorgt zijn wonden goed,
hij vraagt: 'Doet het nog zeer?'
Hij is vol medelij en zorg,
en helpt hem waar hij kan.
Hij geeft hem water en hij zegt:
'Ik heb een heel goed plan.

Ik zet je neer op mijn kameel
die draagt je op zijn rug
voorzichtig naar de herberg toe,
al gaat het niet zo vlug!'
Zo gaan ze met elkaar op reis,
ze lopen in de maat.
Maar de gewonde man die valt
van moeheid weer in slaap.

Ze vinden eindelijk een huis,
een herberg, veiligheid,
de vriendelijke Samaritaan
is vol barmhartigheid.
Hij brengt hem water voor de dorst,
er is een bed en brood.
Hij zorgt voor alles en hij is
een redder in de nood.

De vreemdeling moet verder gaan,
de waard krijgt geld, het is
voor hulp aan de gewonde man
totdat hij beter is.
Zo wordt de vreemdeling een vriend
op weg naar Jericho,
want hij heeft enkel goed gedaan:
doe jij dat evenzo.






INFORMEREN

De drie voorbijgangers

(C. LETERME in Samuel plus, uitgeverij Averbode, 2007 nr 8)

Ga dieper in op wie de drie voorbijgangers zijn:


Priester
staat tussen God en de mensen. Hij draagt in de tempel de offers van de mensen op aan God. Hij zegent de mensen in naam van God. Hij mag alleen in de tempel komen na allerlei wasbeurten (rituele reinigingen) en wisseling van kleren. Wanneer hij een dode aanraakte, mocht hij volgens de wet een tijdlang niet aan de gebeden en ceremoniën deelnemen. (Belangrijk: deze omschrijving van een priester gaat alleen op voor priesters in de Bijbelse tijd.)


Leviet
dit was een tempeldienaar / priesterhulp. Ook hij was ‘onrein’ als hij bloed of een dode aanraakte.


Samaritaan
Samaritanen en Joden waren vijanden van elkaar. Er waren zelfs wetten die de Joden verboden om met hen te spreken of een voorwerp aan te raken dat hen toebehoorde. Daarom 'schokt' Jezus zijn toehoorders als hij een Samaritaan als voorbeeld neemt. Toch hebben Samaritanen en joden niet altijd zo vijandig tegenover elkaar gestaan. Alles is begonnen met de Babylonische ballingschap, toen heel wat Joden (vooral jonge volwassen mannen) in gevangenschap naar Babylonië gedeporteerd werden. De vrouwen die overbleven huwden met verloop van tijd met niet-joden. Op het einde van de ballingschap keerden de bannelingen terug naar Palestina. Ze konden zich niet verzoenen met de ‘gemengde bevolking’ die er toen woonde, en die ze als niet echte joden beschouwden. (Deze info aanpassen aan de belangstelling en de mogelijkheden van de kinderen.)




EVEN TESTEN

Geef elke vraag een goed antwoord

1. Hoe noem je een inwoner van Samaria?
2. Welk woord wil Jezus in zijn verhaal verduidelijken?
3. Hoe wordt de Samaritaan uit dit verhaal meestal genoemd?
4. Hij zag de overvallen man het eerst, maar ging verder.
5. Ook hij zag de man liggen, maar ging snel verder.
6. Hij stelde Jezus de vraag: 'Wie is mijn naaste?'
7. Met welke munten betaalde de herbergier?
8. Waarmee verzachtte de Samaritaan de wonden van de overvallen man?
9. Naar welke plaats wou de overvallen man eigenlijk gaan?
10. Aan wie stelde de wetgeleerde de vraag: 'Wie is mijn naaste?'
11. De overvallen man was zo toegetakeld dat de priester dacht dat hij ... was.
12. Hoeveel mensen zijn er op de weg gekomen na de overval?
13. Vanuit welke stad kwam de gewonde man?

1. Samaritaan; 2. Naaste; 3. Barmhartig; 4. Priester; 5. Leviet; 6. Wetgeleerde; 7. Tienlingen of denariën; 8. Olie; 9. Jericho; 10. Jezus; 11. Halfdood; 12. Drie; 13. Jeruzalem



Zoek de verschillen

Samaritaan
Duid niet alleen de verschillen aan tussen de twee illustraties, maar vraag je ook af waarom dat anders getekend is.

De zon staat hoogDe zon staat laag
Paardezel
Schiftgeleerde zit hoog op zijn paardDe Samaritaan is van zijn ezel afgestapt
De Schriftgeleerde heeft boekrollen bij zich in een tas die nog vast is aan het paardDe Samaritaan heeft zijn tas op de grond gezet. Met wat erin zit heeft hij de wonden van de man verzorgd.
Een man ligt op de grondDe gewonde man wordt gedragen door de Samaritaan.






INLEVEN

Tekenen: de barmhartige Samaritaan

(Verslag van een pedagogische studiedag op woensdag 30 april 1997 (Bieke, Griet en Kristof)
Sprekers: Erik Herrebosh en Willy )

Opwarming
Er wordt getekend, zonder erbij na te denken.
Zeg een begrip (hard, zacht, boos, verdrietig, vreugde, vriendschap) en zonder na te denken tekent men in een heel korte tijd iets dat symbool staat voor die begrippen.
Daarna wordt naar elkanders 'werk' gekeken. Vraag: 'Welke gelijkenissen merk je op?', 'Welke verschillen zijn er?'


Verhaal
. Lees de parabel van 'De barmhartige Samaritaan' voor, terwijl iedereen ondertussen gewoon verder tekent. Vertel dan het verhaal voor een tweede keer, maar trager. Spreek af dat men het potlood neerlegt bij een zin of woord dat de 'tekenaar' aanspreekt.

. Geef dan de opdracht: teken zo dat de tekening past bij de zin of het woord waarbij je je potlood neerlegde. Iedereen doet dit op zijn eigen manier.

. Het verhaal wordt voor de derde keer verteld. Nu zin per zin per zin. Na elke zin vraagt de begeleider: 'Wie heeft bij deze zin iets getekend?'

. Iedereen stelt op die manier zijn eigen tekening voor. Er is kans om te reageren op de tekeningen van de anderen.


Om af te sluiten
Het verhaal wordt opnieuw gelezen met verwijzingen naar de verschillende werkjes.





BELEVEN

Soms ben ik ...

(Naar: Echt tov 4, uitgeverij Pelckmans 2014, Kijken met je hart, p. 9)

Kruis aan wat bij jou past. Schrijf er een voorbeeld uit jouw leven bij.

Soms ga ik voorbij aan mensen die me nodig hebben
O Ik heb geen zin om te helpen.
O Ik besteed mijn tijd liever aan dingen die ik belangrijk vind.
O Ik ben bang dat ik me niet aan de regels houd.
O Ik wil me niet inlaten met mensen die ik niet ken.
O Ik heb schrik van wat anderen van me zullen denken.


Soms ben ik als het slachtoffer
O Niemand ziet dat ik pijn heb.
O Niemand ziet dat ik verdrietig ben.
O Iemand doet alsof hij of zij me niet ziet.
O Niemand wil me helpen
O Ik mag niet meedoen


Soms ben ik als de Samaritaan
O Ik help omdat ik het erg vind wat er gebeurde.
O Ik help omdat ik dat graag doe.
O Ik help omdat ik vind dat dat moet.
O Ik help iemand zonder dat hij of zij het moet vragen.
O Ik durf al eens een regel overtreden al ik iemand wil helpen.



Zomaar iets lief doen

Houd een gesprek met de kinderen. Laat je daarbij leiden door dit werkblad, dat je nadien aan de kinderen meegeeft.
Spreek met de kinderen af wanneer ze hun ingevulde blad terug zullen meenemen.

Bespreek dan hun ervaringen bij deze opdracht.



Barmhartige daden

(idee: Een wereld van verschil, zingevingsmomenten voor -12-jarigen, netwerk voor pastoraal met jongeren, 2004, p. 59)

Laat iedereen een 'barmhartige daad' bedenken die hij/zij de komende maand wil uitvoeren. Iedereen schrijft dit op een blaadje papier en wisselt het uit met het blaadje van een ander. Die andere persoon wordt een 'barmhartige helper'. Die moet aan de opdracht herinneren en eventueel helpen bij het uitvoeren van de opdracht.

Na een maand kijkt men terug naar de 'barmhartige daden':
- Wie voerde ze uit?
- Wie had het moeilijk?
- Welke gevoelens heb je daarbij?





ACTUALISEREN

Handelen als een barmhartige Samaritaan

Bezorg de kinderen per twee een foto waarop een noodsituatie staat afgebeeld (b.v. kind dat huilt op de speelplaats, een moeder met een grote afwas, een kind dat problemen heeft met rekenen... een noodsituatie binnen het bereik van kinderen) of maak gebruik van dit werkblad.
De kinderen overleggen hoe men in deze situatie 'naaste' kan zijn.
Bespreek de antwoorden nadien in de grote groep.



De barmhartige Samaritaan in de 21e eeuw

De kinderen gaan in vijf groepjes zitten en nemen per groep één kaartje van de volgende kaartjes: priester, Samaritaan, rovers, overvallen koopman, leviet.

Opdracht:
Zoek rond die figuur en in het dagelijks leven een gelijkaardige situatie als in de parabel.
Bijvoorbeeld: De overvallen koopman
- Wanneer was ik als de overvallen koopman?

Beeld hierover iets uit (toneeltje - ev. tekenen, schrijven...)





VERTELLEN

De voetbalwedstrijd

Vorige week was het sportnamiddag op school.
De tweede klas moest tegen de derde klas voetballen.
Iedereen had er echt naar uitgekeken.
En dan was het zover, woensdagnamiddag drie uur.
Alle jongens en meisjes van de tweede en derde klas waren present.
De voetbalmatch begon.
Het was al onmiddellijk heel spannend.
Maar halfweg de eerste helft botsten Peter en Gert van de tweede klas
met groot geweld tegen elkaar
toen ze de bal aan elkaar wilden doorspelen.
Peter viel hard tegen de grond.
Hij bleef liggen, met zijn beide handen voor zijn gezicht.
Gert liep gewoon door met de bal richting doel.
Bart die het zag gebeuren,
deed alsof er niets aan de hand was
en liep gewoon verder.
Sven zag ook dat Peter pijn had
maar hij draaide erom heen en dacht:
'Het gaat wel vlug over.'
Maar plots kwam Boris van de 3e klas naar Peter toegerend.
Hij bleef staan, knielde naast Peter, hielp hem recht
en samen gingen ze aan de kant van het voetbalveld zitten.
'Doet het erg veel pijn?' vroeg Boris.
'Moet je mijn zakdoek hebben?' zei hij.
'Kan ik iets voor je doen, zeg het maar!' zei Boris opnieuw.
Na een poos zei Peter:
'Mijn knie doet zo'n pijn, hij staat gezwollen.'
'Kom', zei Boris,
'Ik haal mijn fiets en ik voer jou wel even naar huis.'
Thuisgekomen ging Peter in een grote zetel liggen.
Boris vertelde aan de mama van Peter
hoe het ongeluk gebeurd was.
Morgen kom ik nog eens naar je kijken', zei Boris,
'maar nu moet ik echt naar huis
want het is al laat geworden.'
'Daaaag!'



Korte verhalen

donderdag 15 december.
Alles verloopt vlot. Eigenlijk geen nieuws te melden behalve een klein detail: Jan, die naast me zit, vroeg me een vraagstuk uit te leggen na de klas. Ik heb gezegd dat ik geen tijd had en vlug naar huis moest. De juiste reden was dat om vijf uur op de tv een knap programma begon en dat wilde ik niet missen, zelfs niet gedurende de examens. Daarna keken we nog naar het nieuws. Dan trok ik naar boven om te blokken. Maar het vlotte niet. In het nieuws hadden ze een filmpje getoond, dat bedoeld was als proef of test. Er werd een ingedeukte auto tegen een boom aangeduwd. Het portier stond wagenwijd open en een pop, die het slachtoffer moest voorstellen hing half uit de vernielde wagen. Alles was zo nauwkeurig nagebootst dat het een echt ongeluk leek. Aan de overkant werden T.V.-camera's verdekt opgesteld, die de reacties van de voorbijrijdende chauffeurs zouden opnemen. En toen begon het! Tientallen wagens vertraagden wanneer zij naderden, de bestuurders keken nieuwsgierig toe en reden voorbij. Het duurde een hele tijd voor een wagen stilhield en de bestuurder het 'slachtoffer' hulp bood. Het beeld van die voorbij snorrende auto's kon ik maar niet uit mijn hoofd krijgen. Wat zou ik gedaan hebben in dat geval? Toen dacht ik aan de klas en aan Jan! Heel dat geval van die auto leek me toch wat overdreven en het was toch maar een proef, maar mijn geval met Jan vanmiddag was geen proef, geen test. Het was pure werkelijkheid... en ik ben voorbijgereden!'
(Naar 'dagboek van een tiener' (J. Benoot - Kortrijk)

Die ochtend was de weg spiegelglad. Bettie, Trui, Leen en ik hielden elkaar bij de hand. Heel voorzichtig schuifelden we over de stoep. Plotseling gleed Bettie uit. Ze kwam bovenop haar been terecht. We gierden het uit. Tot we Betties gezicht opmerkten. Haar ogen stonden vol tranen. Ze probeerde op te staan, maar ze zakte telkens weer door haar knieën. Ze kreunde van de pijn.
- Je moet terug naar huis. De dokter moet komen, zei Trui.
- Dat kan niet. Zo ver raak ik nooit, huilde Bettie.
Trui duwde haar schooltas en die van Bettie in de handen van Leen:
- Ik ga met haar terug naar huis. Als ze op mij steunt, komen we er wel. Zorg jij voor de schooltassen, Leen.
- Ah nee, zoiets mag niet. Straks kom je te laat op school en dat mag niet!
- Wel dan ben ik te laat, riep Trui. Of laten we Bettie in de kou zitten? Ga jij maar naar school...

"Ik zat in de vorige klas naast een jongen. Die heette Hans.
Hij is er nu niet meer. Dat vind ik niet erg, hoor.
Hij is verhuisd, maar hij was geen aardige jongen.
Hij zat altijd te plagen, als de juf niet keek.
Op een keer waren wij buiten aan het spelen.
Hans kreeg een schop van een grote jongen:
oei, wat deed dat een pijn; hij huilde.
Hij kon ook niet goed meer lopen.
Toen hebben ik en Peter hem naar huis gebracht..."

Ma zoekt iemand om een boodschap te doen in een druilerige regen.
Zoon: 'Ik moet mijn speelgoed opruimen van pa' (Pa had hem drie dagen eerder gevraagd zijn speelgoed in orde te brengen)

"Een eenzame vrouw, zonder familie, bewoont een flatje in Antwerpen. Zij kent slecht Nederlands, haar ouders spraken Frans. Niemand komt haar opzoeken, de pastoor komt bij de katholieke gezinnen, er is zelfs een dominee, die bij enkele protestanten thuis aanloopt. En zij ligt daar maar, kan nauwelijks uit de voeten, eenzame Franstalige in een havenwijk. Eén vrouw komt op het idee haar op te zoeken, de vuilnisemmer buiten te zetten, en de melkflessen voor haar mee de trap op te nemen. Die vrouw stond in de buurt niet zo goed aangeschreven..."

Uit het dagboek van Nathalie, uit de vierde klas van juf Ria:
Juf Ria vertelde vandaag over de Barmhartige Samaritaan. Iedereen in de klas vond het een mooi verhaal. Maar het mooiste moest nog komen: 's middags kwam mama mij met de auto van school afhalen. Het was druk op de grote weg en nog maar eens moesten we aanschuiven in een file. Toen zag ik hoe die file er gekomen was. Een auto was aangereden en stond dwars tegen de kant van de weg. De bestuurster, een vrouw die een beetje leek op mijn grootmoeder, strompelde eruit en wreef op haar hoofd. Toen zag ik dat nog een paar auto's stopten. Vliegensvlug stapten de bestuurders uit hun wagen en liepen naar de vrouw toe om haar te ondersteunen. Nog verder stopte een vrachtwagen. Misschien had hij het ongeval veroorzaakt. De andere auto's schoven voorbij en ook mama kon ineens verder rijden. Ik dacht terug aan het verhaal dat juf Ria vertelde.
Nathalie, mei 1991






Jongeren

EVEN TESTEN

Conclusies

Als je de parabel over de Barmhartige Samaritaan goed begrepen hebt, dan kun je er zeker je besluiten uit trekken. Kies uit:

O Men moet de boeken van zijn godsdienst kennen om goed te kunnen handelen
O Wetten zijn belangrijker dan naastenliefde
O Het volstaat niet om te weten wat goed is, men moet ook willen goed leven, elke dag opnieuw
O Priesters hoeven niet van hun naaste te houden
O Het belangrijkste gebod in de Bijbel is: van zijn naaste houden





VERDIEPEN

Wetten en plichten

Ga dieper in op wie de drie voorbijgangers waren:

Priester
Hij staat tussen God en de mensen: hij draagt in de tempel de offers van de mensen op aan God en zegent hen in naam van God.
Hij mag alleen in de tempel komen na allerlei wasbeurten (rituele reinigingen) en wisseling van kleren.
Wanneer hij een dode aanraakte, mocht hij volgens de wet een tijdlang niet aan de gebeden en ceremoniën deelnemen.

BELANGRIJK
Deze omschrijving van een priester gaat alleen op voor priesters in de Bijbelse tijd.


Leviet
Dit was een tempeldienaar. Ook hij was 'onrein' als hij bloed of een dode aanraakte.


Samaritaan
Samaritanen en joden waren vijanden van elkaar.
Er waren zelfs wetten die de joden verboden om met hen te spreken of een voorwerp aan te raken dat hen toebehoorde.
Daarom 'schokt' Jezus zijn toehoorders als hij een Samaritaan als voorbeeld neemt.


Confronteer dan de jongeren met de volgende wetteksten uit het Oude Testament:

Gij moet JHWH uw God beminnen met heel uw hart,
met heel uw ziel en met al uw krachten.
Deuteronomium 6, 5

Neem geen wraak op een volksgenoot en koester geen wrok tegen hem.
Bemin uw naaste als uzelf.
Leviticus 19, 18

Een priester mag zich niet verontreinigen aan het lijk van een volksgenoot,
tenzij het gaat om een naaste bloedverwant.
Leviticus 21, 1b-2



Merk op
Jezus verruimt de wet.
Wanneer het beminnen van de naaste in het boek Leviticus een volksgenoot betreft, trekt Jezus dat open voor alle mensen.

Bespreek met de jongeren:
- Welke wetten vindt Jezus de belangrijkste?
- Welk besluit zou jij trekken uit de parabel van de barmhartige Samaritaan?





INLEVEN

Schrijf een brief / mail / SMS ...

... naar: de man die overvallen werd, of de priester, of de leviet, of de Samaritaan, of de herbergier.
Schrijf die brief alleen of per twee.

Betrek de kinderen persoonlijker in de dynamiek van de parabel door hen een brief (alleen of per twee, te schrijven naar een van de personen uit de parabel.
Spreek eventueel in de klas af wie welk personage aanschrijft. Terwijl de brieven geschreven worden zoek je die brieven uit die het meeste treffen. Die brieven worden nadien voorgelezen.





MEDITEREN

Wie is mijn medemens?

Een geleerde kwam op Jezus toe
en vroeg - om Hem erin te laten lopen -:
Meneer, kunt u me zeggen
wat ik moet doen om gelukkig te zijn?
Om het eeuwig leven te bekomen?
Jezus zei:
Je weet toch wat gevraagd wordt?
Ja, zei de man,
God met je hele persoon liefhebben,
en je medemens als jezelf!

Goed geantwoord, repliceerde Jezus.
Doe dit dan maar!...

Maar om zijn figuur te redden
vroeg die man toen:
En wie is dat dan wel:
mijn medemens?



De gemiste afspraak

De eerste chauffeur zag het wrak in de berm
en dacht: 'Als ik stop, mis ik mijn afspraak.'

De tweede chauffeur zag het wrak in de berm
en dacht: 'Als ik stop, moet ik misschien wel getuigen.
Dat kan ik best missen.'

De derde chauffeur zag het wrak in de berm
en dacht: 'Stel je voor dat er nog iemand in zit,
dood eng!' En hij reed door.

De vierde chauffeur zag het wrak in de berm en dacht:
'Ik zou niet weten wat ik moet doen
met een dode of een zwaargewonde.'

De vijfde chauffeur zag het wrak in de berm
en stopte om te zien wat er gaande was.
Zo kon hij straks een sensationeel verhaal vertellen.

De zesde automobilist zag het wrak in de berm en stopte.
Hij wrikte het verwrongen portier open
En zag de zwaargewonde.
Hij belde de 100 en reed mee naar het ziekenhuis.
Hij zorgde ervoor dat de familie van het ongeval verwittigd werd.

Hij miste een afspraak
en moest nog eens komen om te getuigen.





Overwegingen

Marc Van de Voorde

Muntjes in een Praagse pet

(Kerknet, Gepubliceerd op donderdag 24 augustus 2017 - 11:03)

Mijn laatste Tsjechische kronen legde ik in de pet van een bedelaar. Door mijn kop schoot de vraag: is dat naastenliefde? (…)

Naastenliefde ... ook de Samaritaan uit Jezus' parabel wist dat wat hij deed niet voldoende was. Dus bracht hij het slachtoffer naar een herberg, waar deze ge-her-bergd, opnieuw ge-bor(g)en kon worden.
De Samaritaan betaalde voor de nazorg door anderen. Naastenliefde is dus meer dan caritas en persoonlijke gestes van goedheid.
Aan de acute hulp dient institutionele zorg toegevoegd. Dat is pas naastenliefde voluit, iets van mij én iets van samen. Een barmhartige samenleving vraagt mij niet alleen dat ik persoonlijk te hulp schiet, maar vraagt mij ook bij te dragen aan de structurele aanpak van de noden.



Paul Kevers

De barmhartige Samaritaan

(P. KEVERS in Samuel Plus, uitgeverij Averbode, 2007 nr 1)

Een wetgeleerde vraagt aan Jezus:
'Wat moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven?'
'Dat weet je als wetgeleerde toch zelf, antwoordt Jezus.
'Het staat in de Tora: heb God en je naaste lief.'
'Ja, maar wie is mijn naaste?' vraagt de wetgeleerde.

In het verhaal dat Jezus vertelt, maakt Hij twee dingen duidelijk: theoretische discussies over de Tora zijn in situaties zoals in de parabel zinloos. De priester en de leviet nemen het zekere voor het onzekere. De gewonde reiziger zou dood kunnen zijn en ze mogen geen lijk aanraken, want dan worden zij onrein. Daarom gaan ze in een boog om hem heen.

Ondertussen ligt een mens te sterven.
De Samaritaan doet gewoon wat zijn hart en zijn gezond verstand hem ingeven. Hij draagt zorg voor de mens in nood.
'Doe net als hij', zegt Jezus.
Op het doen komt het aan.

Door op het einde van de parabel de vraag van de wetgeleerde om te keren, maakt Jezus nog een tweede zaak duidelijk.
'Wie is mijn naaste?' had hij gevraagd. En nu vraagt Jezus hem: 'Wie van de drie is volgens u de naaste geworden van het slachtoffer van de rovers?'
Het zwaartepunt ligt niet bij mezelf, maar bij de medemens in nood. De beslissende vraag is niet hoe ver mijn naastenliefde moet gaan of welke prioriteiten ik moet leggen. De beslissende vraag is of ik me tot naaste wil maken van de concrete mens in nood die ik ontmoet.



Frans Mistiaen, s. j.

De naaste willen worden van de mens in nood

De kernboodschap van het christendom luidt:
God beminnen en de naaste.
God is voor christenen: de barmhartige Vader voor ons allen,
tegenover Wie wij onze dankbaarheid en wederliefde willen tonen.
En zegt Jezus ons nu
dat onze dankbaarheid en wederliefde tot die God alleen écht is,
als wij concreet ons naaste beminnen.
Dan komt bij ons ook wel eens de vraag op van de wetgeleerde:
"Wie is dan wel mijn naaste, die ik moet beminnen?"

Dit is eigenlijk een vraag naar de wettelijke grenzen van de liefde.
"Hoever moet mijn liefde gaan
om in orde te zijn met de christelijke moraal?
Welke mensen ben ik als christen verplicht te beminnen?
Tot hoever gaat dat?
Tot en met de kring van mijn familie en vrienden...?
of tot en met de mensen van mijn partij...? of van mijn eigen volk...?
of tot en met mijn geloofsgenoten...?
of tot en met de mensen van mijn ras...?
Zeg nu eens, tot hoever precies moet mijn liefde reiken...?"
Het is de vraag van iemand die in een sterke positie staat en die meent
zelf te kunnen bepalen naar welke anderen hij toegaat
en naar welke anderen niet,
en die meent zelf te kunnen bepalen wanneer hij die stap zal zetten.

Maar als wij goed geluisterd hebben
dan zullen wij gehoord hebben dat Jezus op het einde van de parabel
de vraag eigenlijk helemaal omdraait.
Na heel dat verhaal van de barmhartige Samaritaan vraagt Hij niet:
"En wie is nu de naaste van die sterkeren die, één na één,
voorbijkwamen op de weg van Jericho?"
maar wel: "Wie was de naaste van de gehavende man aan de kant?
met andere woorden: Welke van die sterkere voorbijgangers
heeft “zich als naaste gedragen”, heeft “zichzelf tot naaste gemaakt”,
van die zwakkere langs hun weg?”
En daarop luidt het antwoord natuurlijk:
diegene die hem barmhartigheid heeft betoond.
Volgens Jezus stelt een christen zich dus niet de vraag:
“wie is in theorie mijn naaste wel en wie niet?”, maar:
“van wie zou ik hier, nu, de naaste kunnen worden?”
Dit is het typische van de christelijke liefdadigheid.
De parabel van Jezus vraagt ons liefdevol te zijn,
niet op het ogenblik en tegenover de persoon door onszelf gekozen,
maar tegenover elke mens, die zich op eender welk moment aandient,
in de nood van het ogenblik.

Eigenlijk zegt het christendom dus
dat een "wettelijk omschreven" kring van naasten niet bestaat,
dat er geen groep mensen kan afgebakend worden,
tegenover wie ik als christen verplicht ben liefdevol te zijn,
want dat veronderstelt dat er anderen zouden zijn
tegenover wie ik niet verplicht ben liefdevol te handelen.
Neen, ik kan alleen zelf “naaste worden”
door mijn concrete daden van goedheid en zorg,
telkens opnieuw onderweg, bij toevallige ontmoetingen,
tegenover eender welke mens die in nood verkeert.
Deze houding heeft geleid tot een eeuwenlange, dienstvaardige inzet
van de Kerk en haar caritatieve instellingen
tegenover de meest behoeftigen van onze maatschappij:
zieken en gehandicapten, berooiden en vluchtelingen.
Zij blijft ook vandaag een van de sterke pijlers van ons christendom.

Jezus en Zijn evangelie vraagt van ons dus eigenlijk heel veel.
nl. dat wij niet a priori grenzen vastleggen
en categorieën mensen uitsluiten.
Hij vraagt dat wij ons dagelijks gedrag zouden laten bepalen,
niet door onze vooringenomen standpunten,
maar door de kwetsbaarheid van de andere mens op onze weg.
Christen-zijn is voortdurend willen uitkijken
naar iemand van wie ik de naaste zou kunnen worden,
aan wie ik hulp zou kunnen bieden.
Ons uitgangspunt als christen is niet ons eigen sterk standpunt,
maar de concrete nood
van eender welke andere zwakkere die wij ontmoeten.

Waarom zo’n verregaande liefdadigheid?
Omdat wijzelf beseffen dat wij ons eigenlijk
niet hooghartig sterk moet wanen,
maar dat wij ons het best bescheiden en dankbaar voelen.
Want, verschillende keren al
hebben wij zelf in zwakheid langs de kant van de weg gelegen.
En God heeft ons reeds herhaaldelijk
Zijn barmhartigheid getoond en nieuwe mogelijkheden geboden.
Het is omdat wijzelf al zoveel keren
zoveel barmhartigheid van God hebben ontvangen,
dat wij ons uitgenodigd voelen om zeer barmhartig te zijn
tegenover de mens in nood die wij ontmoeten.

Jezus leert ons dus vandaag niet te vragen:
"Wie is dan wel mijn naaste en wie niet?
Wie moet ik beminnen en wie niet?"
maar eerder: "Welke mens in nood kom ik vandaag tegen,
die ik mag beminnen en concreet helpen,
zodat ik misschien zijn naaste kan worden?"

En, wie erop uit is om dag aan dag te proberen
de naaste te worden van de behoeftige op zijn weg,
die bemint God echt, de barmhartige Vader voor allen.



Marc Gallant, trappist (Orval)

Houden van je vijand (2013)

Jezus houdt van eerlijkheid. Het eerste wat hij vraagt aan de leerlingen die hem volgen is: “Wat zoekt ge?” (Johannes 1,38). Met deze vraag dient Jezus zich aan bij ieder mens. Wat zoekt die wetgeleerde die Jezus een vraag stelt? Lucas zegt het: hij zoekt die timmerman uit Nazaret, die niet gestudeerd heeft, op de proef te stellen. Maar het bekomt hem slecht. Jezus zendt hem terug naar af met een dubbele vraag: “Meester in de Wet, wat staat er in de wet geschreven? En hoe leest u wat daar staat?” (Grieks: pôs anaginôskeis?)”. Dat men God en zijn naaste moet beminnen is goed geantwoord zegt Jezus, doe dat, gezien u het weet.
Maar neen, hij weet het niet. Hij zegt zijn naaste te beminnen, maar hij weet niet wie zijn naaste is! De rechtsgeleerden wisten het niet want ze debatteerden over die kwestie: wie is je naaste? iemand van je familie tot aan de derde graad? iemand uit je straat? wie de wetten onderhoudt van jouw godsdienst? De wetgeleerden weten niet hoe zij het Woord Gods moeten lezen: zij vinden er Gods liefde niet maar voorschriften.

Jezus had in feite reeds ruim geantwoord op de vraag van de wetgeleerde. Hij luistert naar Gods Woord met zijn hart, en Hij onderwijst de universele naastenliefde die niemand uitsluit: “Heb je vijanden lief, wees goed voor wie jullie haten” (Lucas 6, 27; vgl. 6, 35). Jezus verwijt de Schriftgeleerden hun casuïstiek (vgl. Marcus 7, 5-15). Hij heeft aan de Schriftgeleerde de relevante vraag gesteld: “Hoe leest u de Wet? - U laat Gods geboden van kant om regels te onderhouden die van de mensen komen” (Marcus 7, 8).
Jezus neemt nu de tijd om de wetgeleerde te doen begrijpen hoezeer hij de perspectieven vervalst door zijn legalistische opvatting. De wetgeleerde stelt de vraag uitgaande van zichzelf, en zo stelt hij zich in het centrum van de wereld. Door zich af te vragen wie zijn naaste is, ziet hij al de anderen draaien rond zichzelf. Is hij nog in de liefde? Is zijn naaste niet een gelegenheid om verdiensten te verwerven door de wet te onderhouden? De ware liefde daarentegen maakt van een andere zijn centrum.

Om dit te laten begrijpen, vertelt Jezus een parabel die de liefde tot de vijand op de voorgrond plaatst. Een Samaritaan, een vijand van het Joodse volk, ontfermt er zich over een gekwetste Jood, een ware Jood, een Jood die van Jeruzalem komt. Hij neemt niet alleen zorg voor zijn naaste door voor hem grootmoedig onkosten te maken, maar hij pleegt daarenboven een soort verraad door zich voor een vijand in te zetten. in de ogen van de wetgeleerde is die Samaritaan het perfecte tegenbeeld van de twee achtenswaardige bedienaars van de Tempel, de priester en de leviet, die de wettische voorschriften naleven en met een boog om het slachtoffer heen lopen. Contact met het bloed van de gekwetste had hen immers onrein kunnen maken en ongeschikt voor de tempeldienst. Voor Jezus primeert de naastenliefde boven de wettische voorschriften. “De sabbat is gemaakt voor de mens en niet de mens voor de sabbat” (Marcus 2, 27). Jezus stelt als voorbeeld een Samaritaan die niet handelt uit verplichting volgens de Wet, of uit berekening, maar volgens zijn hart.

Voor Jezus moeten we de anderen zien zoals God die ziet. Weest barmhartig, zoals uw hemelse Vader barmhartig is” (Lucas 6, 36), zoals God die zijn zon laat opgaan over de kwaden zoals over de goeden” (Matteüs 5, 45). Wij zijn soms heel ver van deze barmhartigheid van God. Ook wij vinden soms voorwendsels om niet te moeten bijspringen aïs iemand hulpbehoevend is. Waarom? Het is eenvoudig. Om een hart te hebben dat openstaat voor de anderen, moeten wij eerst de ervaring opgedaan hebben van zelf hulpbehoevend te zijn. Wie zelf nooit in nood geweest is kan niet vermoeden wat het voor een mens betekent in nood te zijn.
Onze diepste hulpeloosheid ervaren wij juist in onze relatie met God. Vroeg of laat ervaren wij dat wij God niet zozeer beminden als wij het wel dachten, maar ook dat wij er niet toe komen God te beminnen met gans ons hart, en dat wij allergisch zijn aan onze naaste in nood. Wij stellen dan vast dat wij verdeeld zijn, verscheurd tussen God en ons eigen kleine "ik". Ons gevaarlijkste afgodsbeeld is onszelf. Het egocentrisme stelt zich op als concurrent van God. Het ervaren van die hulpeloosheid, waar je in je eigen onmacht verzuipt, laat toe te begrijpen dat de naaste in zijn hulpeloosheid onze barmhartigheid nodig heeft, zoals wijzelf Gods barmhartigheid nodig hebben om uit het slop van ons egocentrisme te geraken. De Samaritaan die ons ziet en medelijden met ons heeft, is God zelf, God die ons uit ons egocentrisme optilt en ons liefderijk verzorgt.

Als God aan ons niet is voorbijgegaan, dan kunnen wij ook niet anders dan onze naaste een helpende hand toe te steken. Het is mogelijk medemenselijk te zijn zonder God te beminnen, maar God kunnen we niet beminnen zonder zijn kinderen te beminnen.
Als God ons de ogen opent, zoals hij het deed bij de wetgeleerde, dan zien wij Hem als de barmhartige Samaritaan aan het werk in ons leven. Dan eerst horen wij werkelijk Jezus ons zeggen: "Ga dan en doet gij evenzo".



Ware bekering (2016)

Wat moet men doen om het eeuwige leven te beërven? In Jezus’ tijd was de vraag actueel: wat is het grootste gebod (vgl. Marcus 12, 28), dat men absoluut moet onderhouden om Gods leven te ontvangen (vgl. hier en Lucas 18, 18) ? Een wijze wetgeleerde stelt de vraag, een beetje ook om Jezus’ kennis van de Wet te testen. Als antwoord stelt Jezus hem een wedervraag over de Wet. Net als zijn partner, weet hij dat men, bij het lezen ervan, de Schrift interpreteert. Vandaar zijn vraag: “Hoe leest u dat zelf?”

De wetgeleerde citeert daarop het eerste gebod uit Deuteronomium 6, 4 dat elke vrome Jood tweemaal daags opzegt in het gebed ‘Sjema Israël’ (1) en dat een totale toewijding vraagt aan de enige God. Hij voegt er het gebod van Leviticus 19, 18 aan toe over de liefde tot de naaste. Door deze twee verzen aaneen te voegen, volgt hij de joodse traditie die de naastenliefde op gelijk niveau stelt als de Godsliefde. Maar hij vervoegt ook Jezus, die zelf de liefde voor de vijanden in het hart van de christelijke roeping plaatst (vgl. Lucas 6, 27 vv.). Jezus nodigt hem dan ook uit om in de praktijk te brengen wat hij komt te zeggen, en zo het volle leven te erven waar zijn vraag over ging.
Lucas nodigt ons hier uit, de link te leggen met wat juist voorafging (Lucas 10, 21 - 24) (2): Jezus verwijst er naar zijn eigen leven, waarin hij God ervaart als Vader. Wanneer God voor ons een Vader wordt, dan worden zijn kinderen, en dat zijn alle mensen, voor ons broers en zussen. Tegenover God, worden we dan zijn kinderen die zich niet groter wanen dan de anderen. Als de wetgeleerde de Wet onderhoudt waar hij het over heeft, zal hij zichzelf terugvinden in de situatie van Gods kinderen en hij zal Gods actieve aanwezigheid ervaren.

Om zijn eerste vraag te rechtvaardigen stelt de wetgeleerde nu een bijkomende vraag. Zij werd druk besproken onder de rabbijnen: wie is eigenlijk mijn naaste? Er waren Schriftgeleerden voor wie de naasten zich beperkten tot de dichtste geburen of een straat verder. Nogmaals geeft Jezus geen direct antwoord. Door hier een definitie te geven zou hij precies vervallen in de casuïstiek die hij de Schriftgeleerden en Farizeeën verwijt. Jezus vertelt een gelijkenis (v.30 - 35), die eindigt op een wedervraag (v. 36).

De gelijkenis neemt een realistische wending. Op de ongeveer 27 km lange weg van Jeruzalem naar Jericho daalt men inderdaad af (v. 30), want er is een hoogteverschil van ongeveer 1090 meter. Doorheen een onherbergzame woestijn, is de weg bevorderlijk voor hinderlagen. Er een dodelijk gewonde aan zijn lot overlaten is hem ten prooi laten aan de dood en de hyena's. De hulp die het slachtoffer van de overval nodig heeft om te overleven is hoogdringend.
Twee tempelbedienden die langskomen, een priester en een Leviet, stoppen niet om dit onbekende slachtoffer hulp te bieden, maar ze blijven op afstand, waarschijnlijk om niet te worden verontreinigd door het bloed van deze halfdode: ze respecteren het reinheidsgebod van de Wet (Numeri 19, 11-16). Een Samaritaan die ook voorbijkomt, wordt integendeel door medelijden bewogen. Lucas gebruikt hier hetzelfde werkwoord 'esplagchnisthè' - 'hij werd tot de ingewanden bewogen', als voor Jezus die medelijden had met de weduwe van Naïn (Lucas 7,13). Hij gaat naar hem toe, giet olie en wijn op zijn wonden en verbindt ze. Hij zet hem op zijn eigen rijdier en brengt hem naar een herberg, waar hij hem verder voor hem zorgt.

Het tafereel wordt goed gebracht: daar waar de tempelbedienden uit respect voor het reinheidsgebod de liefde tot God gescheiden houden van liefde tot de naaste (vgl. v. 27), en hun hart sluiten, neemt de Samaritaan daarentegen dezelfde houding aan als die van Jezus. Lucas beschrijft dan ook zes verzen lang zijn naastenliefde die doorzet, want de Samaritaan is van plan om terug te komen en eventueel de bijkomende kosten in de herberg te dekken. De conclusie ligt voor de hand. De Schriftgeleerde had aan Jezus gevraagd: “Wie is mijn naaste?” (v. 29). Jezus antwoordt hem nu met dezelfde vraag: “Wie van die drie is naar uw mening de naaste geweest van de man die in handen van de rovers was gevallen?” (v. 36). De wetgeleerde had zichzelf in het centrum van de wereld geplaatst met de vraag wie zijn naaste was: hij zag al de anderen rond zichzelf draaien. Jezus keert het probleem om: wie is de naaste geweest van de man die gevallen was in de handen van de rovers? De naaste is hij is die zich erbarmt, niet hij aan wie de liefde ten goede komt. Niet hij die bemind moet worden is de naaste: de naaste is wie zich als dusdanig gedraagt.

Terecht duidt de wetgeleerde nu de Samaritaan aan als de naaste omwille van zijn gratuïte barmhartige daad (v. 37). Het is een ‘ketter’ ten opzichte van de wet, en niet een specialist van de cultus, die het gebod van Leviticus 19, 18 heeft weten te beleven: “U zult uw naaste liefhebben als uzelf”.

Jezus hoeft dan alleen maar samen met de wetgeleerde ook ons uit te nodigen om de naaste te worden van de anderen. De ware bekering is ophouden te draaien rondom onszelf, maar van God en van de naaste ons centrum te maken.


(1) Zo begint de 'Sjema Israël’:
Bedek je ogen met je rechterhand en zeg :
Hoor Israël, Adonai, onze God, Adonai is Eén.
Zeg het volgende vers zachtjes :
En gij zult Adonai uw God liefhebben
met geheel uw hart en geheel uw ziel en geheel uw vermogen.
En deze woorden, die Ik u heden gebied zullen op uw hart zijn.
En gij zult ze uw kinderen inprenten en erover spreken,
wanneer u in uw huis zit en wanneer u op de weg gaat
en bij uw te ruste gaan en bij uw opstaan.
En gij zult ze als een teken op uw hand binden
en zij zullen tot voorhoofdstekenen tussen uw ogen zijn.
En gij zult ze op de deurposten van uw huis en op uw poorten schrijven.


(2) Deze passage wordt gelezen in de eucharistie van de eerste dinsdag in de Advent.