Loading...
 

17e zondag door het jaar A - evangelie

Visnet

HET RIJK DER HEMELEN LIJKT OP EEN SLEEPNET ...


...page... Wiki page pagination has not been enabled.

Matteüs 13, 44-52: Kostbare schatten

De tekst

Dichter bij de tijd

Jezus vertelt:
Je kunt het koninkrijk der hemelen vergelijken
met een schat, die in een akker verborgen was.
Op een dag was er iemand die hem vond.
Direct daarna verborg hij hem opnieuw.
Ging naar huis
en verkocht van blijdschap alles wat hij had.
Zo kon hij die akker kopen.

Je kunt het koninkrijk der hemelen ook vergelijken met
een koopman die op zoek is naar mooie parels.
Op een dag vindt hij de parel van zijn leven.
Hij gaat naar huis,
verkoopt alles wat hij heeft
zodat hij die ene mooie parel kan kopen.

Je kunt het koninkrijk der hemelen ook vergelijken met een sleepnet.
Op een dag gooien vissers dat in zee
en vangen zo vissen van allerlei soort.
Als het net vol is, trekken de vissers het op de oever.
Daar gaan ze zitten
Ze verzamelen de goede vissen in manden;
de slechte gooien ze weg.

Zo zal het zijn op het einde van de tijd.
De engelen zullen de kwaden tussen de rechtvaardigen uithalen
en hen in het vuur gooien.
Het zal daar een gejammer zijn en een tandengeknars.

Hebben jullie dat allemaal begrepen?’ vraagt Jezus
Zijn leerlingen antwoorden: ‘Ja.’
Hij zegt: ‘Daarom is iedere schriftgeleerde die leerling is geworden
te vergelijken met een huisvader,
die uit zijn voorraad nieuwe en oude dingen tevoorschijn haalt.’



Stilstaan bij

Rijk der hemelen
Volgens het joods gebruik in zijn tijd, gebruikt Matteüs uit eerbied voor God de woorden ‘Rijk der hemelen’ wanneer hij het rijk van God bedoelt. Dit Rijk heeft te maken met een levensstijl waarbij men ruimte geeft aan het woord van God. In dit Rijk is iedereen welkom: armen, gebrekkigen, kreupelen, blinden, zondaars, wie ‘verdwaald’ is ...
Dit Rijk heeft niets te maken met het materiële noch met succes, of met werelds machtsvertoon. Op dit punt botste Jezus op onbegrip en verzet bij zijn leerlingen en bij de mensen. Want die dachten dat bij de komst van het Rijk van God de Romeinse bezetter verdreven zou worden.


Schat
Wie een schat had, kon die vroeger niet in een kluis bij de bank bewaren. Daarvoor groef men een put in de grond waarin men zijn kostbare bezittingen wilde beveiligen. Zo kon het gebeuren dat de eigenaar van een schat stierf zonder dat zijn erfgenamen op de hoogte waren van zijn geheime schatplaats.


Akker
Volgens de oude wetgeving werd een terrein verkocht met al wat ertoe behoorde.


Sleepnet
Deze gelijkenis doet denken aan de opdracht van Jezus aan Petrus: een visser van mensen worden.
Toen Jezus leefde zag men de zee als de plaats van het kwade. In die context is een net een middel om de mensen te bevrijden uit de macht van het kwaad.


Schriftgeleerde
Schriftgeleerden waren vooraanstaande leraars toen Jezus leefde. Ze bestudeerden de Wet, en waren de geestelijke leiders van het volk. Naast de geschreven wet, hielden ze zich ook aan de mondelinge overlevering. Sommige van hen hadden leerlingen die zich onder hun leiding schoolden in de Wet. Zij stonden hoog in aanzien. Ze waren tegen Jezus omdat Hij zich anders opstelde en op een eigentijdse manier sprak. Niet zoals zij dat deden: ‘Het is altijd zo geweest; het is nu eenmaal zo’. Jezus liet de woorden van Mozes zien als nieuw en levenbrengend.

Doorgaans spreekt Matteüs over schriftgeleerden als tegenstanders van Jezus.
In deze tekst gaat het om iemand die leerling van Jezus geworden is en de Wet verklaart in het licht van wat Jezus daarover te zeggen heeft.


Nieuwe en oude dingen
Met deze woorden geeft Matteüs de eenheid en de complementariteit aan van het Nieuwe en het Oude Testament.
Wie bezig is met de uitbouw van het Rijk van God inspireert zich zowel op de boodschap van Jezus (nieuw) als op die van de profeten (oud).





Bij de tekst ...

Betekenis

De verborgen schat / De kostbare parel
Het Rijk van God is zo waardevol, dat men er alles moet voor over hebben om het te verwerven.
Met de twee eerste gelijkenissen wil Jezus iets zeggen over de waarde van het Rijk van God.


Het net vol goede en slechte vissen
Net als de parabel over het onkruid wil deze gelijkenis zeggen: kwaad en goed blijven met elkaar vermengd tot het definitieve oordeel.


Lees meer over parabels.





Suggesties

DE KOSTBARE PAREL

Kleine kinderen

VERTELLEN

De kostbare parel

Dit is een koopman. Hij koopt en verkoopt dingen. Hij is heel rijk.
Hij heeft een prachtige bontjas en een hoedje met een wiebelveer.
Dat is zijn lievelingshoedje.
Hij woont in een heel groot huis. Dat huis heeft wel vijf verdiepingen.
In de voortuin is een vijver met een fontein. In die vijver zwemmen vissen.
De koopman heeft alles wat zijn hartje begeert.
Hij heeft vijftien kamers vol met meubels. Hij heeft zes ijskasten.
In drie ijskasten zit lekker eten. In de andere drie zit priklimonade.
En je kunt je niet voorstellen hoeveel geld die koopman onder zijn matras heeft.
Stapels en stapels! Ja hij heeft werkelijk alles.
Maar op een dag...
Op een dag ziet hij iets in een etalage. Iets heel bijzonders.
Het is een prachtige witte parel.
'Die parel kost vijfhonderdduizend euro' zegt de meneer van de winkel.
Ach zoveel geld heeft de koopman niet onder zijn matras.
Maar hij moet en zal die parel hebben. Hij rent naar huis, hij heeft een plannetje.
Hij verkoopt zijn meubels, hij verkoopt zijn ijskasten met eten en priklimonade,
hij verkoopt zijn huis, zijn fontein en zijn vijver met vissen.
Hij verkoopt zijn mooie bontjas.
Hij houdt alleen zijn hoedje met de wiebelveer, want dat is zijn lievelingshoedje.
Hij leent een kruiwagen, daar doet hij al zijn geld in.
Dan gaat hij naar de winkel om de parel te kopen.
Ach, wat jammer nou. Hij komt nog zes euro te kort.
'Ik geef zes euro voor je hoedje', zegt de meneer van de winkel.
De koopman lacht. Hij geeft de meneer zijn hoedje. Nu kan hij de parel kopen!
Hiep hiep hoer! Hij heeft de parel!


Dit verhaal is te lezen in het schitterende boekje:
B. BUTTERWORTH & M.INKPEN, Acht verhalen van Jezus, Ark boeken - ISBN 90338 27298
De tekst is heel fris en kindvriendelijk, net als de tekeningen die maken dat het een plezier is om te vertellen, te bekijken, te lezen...
Geschikt voor peuters, kinderen, jongeren, volwassenen, zieken, gezonden, bejaarden ...





Grote kinderen

KENNISMAKEN MET DE PARABEL

Godly play: de parabel van de parel

(Geïnspireerd door: S. Veulemans op www.averbode.be/Zonneland - december 2013)

Materiaal
Drie parels (of drie knikkers), 3 (speelgoed)tafels, een (speelgoed)huisje, en 2 figuren (mannetjes) die je in een mooi versierde doos plaatst. Pak de doos in in een bruin doek. Doe er een mooie strik omheen.


Verloop
Enkele aandachtspunten vooraf
Neem bij het vertellen telkens de nodige voorwerpen uit de doos en plaats die voor je neer op het bruine doek. Trek bij het vertellen alle aandacht van de kinderen naar de voorwerpen. Toon telkens heel duidelijk het voorwerp waarover je zult vertellen. Kijk tijdens het vertellen alleen naar het voorwerp waarover je vertelt.



Presentatie van de voorwerpen
Ga met de kinderen in een kring zitten. Plaats de mooi versierde doos naast jou. Laat die dicht.

Voorwerp 1: mooi versierde doos
Zet de doos in het midden van de kring en ga terug op je plaats zitten.
Kijk. Wat een prachtige doos. Misschien zit er wel iets heel kostbaars in … Er zit ook iets kostbaars in. Er zit een parabel in.
Er is een mooie strik rond de doos, die de doos goed dicht houdt. Zo is het ook met parabels … Die lijken soms dicht te zijn. Soms lijk je niet naar binnen te kunnen. Wees dus niet verdrietig wanneer je niet bij de parabel kunt. Probeer hem gewoon later nog eens te openen. Op een dag zal de parabel opengaan voor jou.

Kijk naar de doos.
De doos lijkt wel een cadeau … Weet je, een parabel is eigenlijk ook een cadeau. Het is een cadeau dat lang geleden al aan jou werd gegeven. Zelfs al voor je geboren werd … Zelfs wanneer je niet weet wat een parabel is, is het nog steeds een cadeau voor jou.

Neem het doos voor u en kijk erin.
Ik vraag me af wat erin zit … Het lijkt oud. Parabels zijn ook oud. Ze zijn ouder dan jij. Ouder dan ik. Ze zijn zelfs nog ouder dan je oma en je opa! Ze zijn bijna tweeduizend jaar oud.


Voorwerp 2: bruine doek
Hmmm, ik vraag me af wat dit is … Het is helemaal bruin … het heeft geen groen of blauw … Het is alleen maar bruin.

Spreid het bruine doek uit in het midden van de kring.


Voorwerp 3: tafels en huisje
Het is moeilijk om te weten wat een parabel is, wanneer het alleen maar bruin is.
''Laat eens kijken of er nog iets is wat ons kan helpen … Oh, kijk, wat is dit? Een tafel. Die kan ik hier plaatsen. Er is meer dan één tafel … Kijk eens. Het zijn er drie. Ik leg ze op het bruine doek. Maar er is nog meer. Kijk … een huisje. Als ik dit nu eens daar plaats …

Plaats de drie tafels verspreid over het bruine doek. Plaats er ook het huisje op.


Voorwerp 4: mensenpopjes
Deze parabel vertelt het verhaal van enkele mensen. Kijk maar.
Plaats een figuurtje in het huisje en een ander bij een tafel.


Voorwerp 5: parels
Laat eens zien of er nog iets is wat kan helpen … Oh, kijk … Dit ziet er heel kostbaar uit ... Parels …
Leg op elke tafel een parel.



De parabel
Neem wat afstand van de voorwerpen. Ga op je plaats zitten en pauzeer even voordat je begint te vertellen.

Er was eens iemand die prachtige dingen zei. Hij vertelde z'n mooie dingen dat de mensen Hem volgden. Op een dag vertelde Hij deze parabel …
Er is een koopman die op zoek is naar een mooie parel. Hij zoekt hem overal.

Neem de figuur in het huis vast en schuif hem over het doek naar een tafel.
Neem de parel waar de figuur bij staat op en bekijk hem aandachtig. Pauzeer even. Leg hem dan terug.
Nee, deze niet …

Schuif de figuur verder naar de volgende tafel (waar de andere figuur bij staat).
Neem de parel waar de figuur bij staat op en bekijk hem aandachtig. Pauzeer even. Leg hem dan terug.
Ook niet deze …
Schuif de figuur verder naar de volgende tafel (waar de andere figuur bij staat).

Ja … Deze!
Schuif de figuur terug naar het huis. Neem het huis op en leg het aan de kant van het doek.
Toen hij een heel waardevolle parel had gevonden, ging hij terug en hij verkocht alles wat hij had.
Schuif de figuur nu terug naar de waardevolle parel en leg de parel bij de figuur.
Daarna ging hij terug en kocht de parel …



Na de parabel
Houd het gedurende enkele ogenblikken heel stil. Overloop met uw ogen (en eventueel met een licht gebaar van uw handen) het verhaal zoals het door de voorwerpen uitgebeeld ligt. Laat het verhaal doordringen bij de kinderen …

Stel vervolgens enkele vragen waarop de kinderen kunnen reageren:
Ik vraag me af welk deel van het verhaal je het mooist vindt …
Ik vraag me af welk deel van het verhaal je het belangrijkst vindt ...
Ik vraag me af of die man nu gelukkig is …
Ik vraag me af wat die kostbare parel voor hem betekent …
Ik vraag me af waarom die man alles verkocht voor deze parel …
Ik vraag mij af waarom Jezus dit verhaal vertelt …
Ik vraag me af welk deel van het verhaal iets over jezelf zegt of heel speciaal voor jou was …
Ik vraag me af of dit verhaal iets te maken heeft met andere verhalen die Jezus vertelde …

- Wat zou de koopman denken wanneer hij de parel ziet?
- Wat zou de koopman denken wanneer hij de parel heeft?
- Zou jij die koopman willen zijn? Waarom?
- Wat zou jij de koopman willen vragen?
- Wie of wat is voor jou een parel?
- Wat zou jij Jezus willen vragen na het horen van dit verhaal?
- Wat wil je van deze parabel onthouden?



Wees tijdens deze vraagstelling niet bang voor de stilte. De bedenkingen van de kinderen moeten geleidelijk kunnen rijpen. Er wordt tijdens deze uitwisseling niet gediscussieerd. Ieder zegt wat hij wil zonder dat anderen hierop in moeten gaan. Zorg vooral voor een rustig verloop.

Plaats dan de figuren een voor een terug in de doos terwijl u ze aan de kinderen toont. Neem ze voorzichtig op en plaats ze respectvol terug. Benoem ondertussen de figuren terwijl u ze aan de kinderen toont:
Hier is het huis.
Hier zijn de tafels
Hier is de man die de parel verkocht.
Hier zijn de parels.
Hier is de koopman.
Hier is de kostbare parel.


Voor meer info over deze manier van werken en de omkadering van deze methode: klik hier





VERTELLEN

De moeite waard...

Naar: K. EYKMAN en P. VOS, De werksters van halfvijf en andere gelijkenissen, Rap, Amsterdam.

Er was eens een jongen die een oom had in Amerika,
een tante in Frankrijk een neef in Suriname
en een grote broer die vaak met het vliegtuig
naar allerlei vreemde landen moest.
En omdat hij de postzegels zo mooi vond
die op de briefkaarten stonden die hij met zijn verjaardag kreeg,
was hij een echte verzameling begonnen.
De hele familie hielp mee door briefkaarten te sturen
en van zijn vader kreeg de jongen, Tom, twee echte postzegelalbums.
Op de ene stond 'België' en op de andere 'Gehele wereld'.
Er stonden ook foto's voorin van heel bijzondere postzegels
die je bijna niet meer krijgen kon en een ervan vond Tom de mooiste:
een driehoek met een vliegtuig erin.
Maar zoiets zou hij wel nooit kunnen krijgen, dacht hij.
Op zaterdagmiddag ging Tom meestal naar de postzegelmarkt
met zijn albums onder zijn arm.
Soms kon hij wat ruilen, vaak niet,
er waren bijna alleen maar grote mensen
die veel grotere verzamelingen hadden dan hij.

Maar een keer zag hij bij een man
aan een tafeltje in een hoek de postzegel,
die driehoek met dat vliegtuig die hij altijd al hebben wou.
En hij vond het nogal brutaal van zichzelf maar Tom vroeg gewoon:
'Hoe duur is die daar ?'
'Die, zei de man, ja die is 1 200 frank,
nu vooruit omdat je nog zo jong bent voor jou 1 000 frank.'
Maar 1 000 frank had hij ook niet.
Hij keek naar zijn eigen album en weer naar die ene postzegel.

Toen begon hij een paar postzegels van zichzelf te verkopen.
Omdat hij ergens een hele serie van had kreeg hij al meteen 100 frank.
Hij verkocht zijn verzameling sportzegels goedkoop.
Er was een mijnheer die hem voor één postzegel wel 50 frank wou geven.
Hij ging zo de hele middag door en toen hij ging tellen had hij 948 frank. Nu nog het laatste restje.
'Wie wil er mijn postzegels kopen van Zaïre kopen voor 52 frank?'riep hij.
Er was een mijnheer die daar zo hard om moest lachen
dat hij ze nog kocht ook. Maar Tom had zijn 1 000 frank.
Een zak vol geldstukken en briefjes.
Hij kocht de postzegel die er nog was
en deed hem voorzichtig in zijn lege album.
Hij ging zingend naar huis
en op zijn kamer ging hij zitten en kijken naar zijn postzegel.



De schat

(C. LETERME, Een parel voor elke dag, Averbode 2007, p. 31

Lang geleden woonde in Krakau een arme jood.
Op een nacht hoorde hij in zijn droom een stem die zei:
‘Ga naar de hoofdstad en zoek daar naar een schat
onder de brug bij het koninklijk paleis.’

Hij ging naar de hoofdstad.
en herkende de brug die hij in zijn droom had gezien.
Ze werd bewaakt door soldaten.
Een van de soldaten riep:
‘Wat heb je hier te zoeken?’
‘Ik droomde dat er hier bij de brug een schat zou liggen.’
De soldaat begon hard te lachen.
‘Arme man,’ zei hij,
‘wie vertrouwt er nu op dromen?
Als ik de droom zou geloven die ik had,
moest ik nu naar de stad waar jij vandaan komt.
Want in mijn droom werd gezegd:
‘Er ligt een schat in Krakau bij een jood.
Hij ligt onder de oven van zijn huis.’

De arme jood ging de lange weg terug naar huis.
Hij ging graven onder zijn oven en... vond de schat.

Naar een Chassidisch verhaal




Overweging bij dit verhaal
Zie verder onder 'overwegingen': de droom van een schat.





Overwegingen

Agnes Lameire

De droom van een schat (2017)

Een jood uit Amsterdam vertelde het volgende verhaal ...

In Krakau woonde een zekere rabbi Levi. Hoewel hij, samen met zijn vrouw in grote armoede leefde, had dit zijn vertrouwen in de Heer nooit kunnen schokken.
Nu had hij, drie nachten na elkaar, een droom waarin hij werd aangemaand naar het verre Praag te reizen en daar, onder de brug bij het koninklijk paleis, een schat op te graven. Dus reisde rabbi Levi naar Praag maar daar aangekomen zag hij dat de brug dag en nacht door militairen werd bewaakt en durfde hij niet te gaan graven.
Maar elke morgen keerde hij daar weer tot het hoofd van de wacht hem vroeg wat hij daar eigenlijk kwam doen? En rabbi Levi vertelde hem van zijn droom ...
De wacht barstte in lachen uit en zei: ‘Ben je werkelijk zover komen lopen omwille van een droom? Tja, zoiets gebeurt nu eenmaal met mensen die nog in dromen geloven. Als IK in dromen had geloofd, dan had ook ik een verre reis moeten maken. Want in een droom werd mij gezegd dat ik naar Krakau moest gaan om een schat op te graven onder de kachel van een zekere rabbi Levi. Stel je voor ... er zijn zoveel mannen die Levi heten!
Toen hij dat hoorde, keerde rabbi Levi zo rap hij kon naar Krakau terug en ging graven onder de kachel in zijn eigen huis. En waarachtig, daar lag de schat begraven die hij ver van huis in Praag was gaan zoeken ...


Ook Jezus van Nazaret was een groot verteller en vandaag horen we drie kleine verhalen uit zijn mond: over een schat in een akker, over een koopman die een waardevolle parel ontdekt en over een sleepnet dat in zee wordt geworpen.
De verhalen van Jezus hebben een dubbele bodem; het zijn parabels. Je moet er over nadenken want ze verbergen een boodschap die naar het Rijk van God verwijst. Zou het kunnen dat de schat van dat Rijk Gods ons zomaar in de schoot kan vallen? Zoals Rabbi Levi ontdekt dat hij in zijn eigen huis moet gaan graven, moeten wij soms ook niet thuis onder onze eigen kachel gaan zoeken?

Thuis waar we leven en werken, mensen aan tafel ontvangen en bereid zijn om voor anderen in de bres te springen ... ligt daar geen schat in geborgen? Want wanneer voelen we ons het diepst gelukkig? Is het niet dàn als we omwille van een ander onszelf kunnen vergeten? Ligt de toegang tot het Rijk van God soms verborgen in ons eigen hart?

Als wij van ons huis een warme thuis maken ... met elkaar in vrede leven, liefde laten primeren op ruzie en tweedracht, wat ons aan pijn is aangedaan vergeven en vergeten en waardering opbrengen voor elke mens, dan groeit toch dat grote Godsrijk waar Jezus het over had?

En dan hoorden we nog tot slot dat het met het koninkrijk der hemelen - zoals de evangelist Matteüs het noemt - gaat als met een sleepnet dat in zee wordt gegooid. Het moet vol zijn eer er gesorteerd kan worden. Wat goed is wordt verzameld, wat nog onvolgroeid is wordt terug in zee geworpen.
Jezus legt hier het accent op de wachttijd, op de groeikansen die we krijgen om vruchtbaar te worden. God weigert mensen in te delen in goeden en kwaden. Hij velt geen vernietigend oordeel, hij gunt ons de tijd om verder naar Hem en naar elkaar toe te groeien.

En tenslotte die ‘vuuroven waar gejammer zal zijn en tandengeknars’, dat is, zeggen bijbelgeleerden, een toegevoegd woord van de evangelist Matteüs. Als joods Schriftgeleerde was hij geobsedeerd door het eindoordeel waarvan men in de vroege christentijd dacht dat het heel nabij was. Het kwam er volgens hem dan ook op aan om zo snel en zoveel als mogelijk, mensen voor het nieuwe geloof te winnen en hen zo nog gauw van de eeuwige ‘vuuroven’ te redden.

Nu, twintig eeuwen later, is dat einde er nog altijd niet en mogen we nog elke dag meehelpen om het Godsrijk op aarde te laten groeien.
Trouwens, dat Rijk van God, wat is dat eigenlijk?
‘De hemel op aarde’ zou ik zo zeggen.



Frans Mistiaen sj

Vreugde om de schat

Maar wat is dat Rijk Gods?
of, zoals Matteüs het liever noemt, het ‘Rijk der hemelen’?
Natuurlijk is het geen stuk land, afgebakend achter grenspalen;
ook geen toekomstige hemel ná onze wereld.
Het Rijk Gods is een bepaalde levenshouding
in het hart van mensen van nu en van vandaag, die,
naar Jezus' voorbeeld, de liefde in het centrum van hun leven zetten.
Jezus’ onvoorwaardelijke, gratuite liefde
is onmiddellijk te merken bij hen die proberen te leven,
vanuit een mentaliteit, niet van “eisen” en “veroveren”,
maar van “danken” en “geven”.
Het Rijk Gods ervaart men bij hen
die enerzijds fundamenteel dankbaar zijn
voor het leven dat hun wordt gegund door de Vader
("God ziet mij echt graag, ook hier en nu!")
en die anderzijds ruim mededeelzaam zijn
en hun liefde doorgeven aan anderen
("Ik probeer anderen plezier te doen, ook hier en nu!").
Jezus’ levenshouding groeit dus waar ook wij,
bij alles wat wij ondernemen en bij alles wat wij tegenkomen,
en met onze beperkte middelen die wij op dit ogenblik hebben,
steeds eerst en vooral reageren met:
"Ik ben dankbaar hier bemind te worden door de Vader
en nu de kans te krijgen anderen te beminnen".

De twee kleine parabels van vandaag leren ons wat er gebeurt
als iemand die liefde van het Rijk Gods gaat ontdekken:
dan ontstaat eerst een overrompelende vreugde
die daarna een radicale verandering brengt.

Wanneer wij ontdekken waar echte liefde te vinden is:
in een persoon, in een opdracht, in een levensweg, in een keuze,
wanneer wij dus ontdekken
dat wij dààr juist bemind worden en kunnen beminnen,
dàn ontstaat er een vreugde die ons volledig doordrenkt,
en ons een kracht geeft om onze moeheid te vergeten,
die ons de eigen oude gewoonten opzij doet schuiven
en ons heel nieuwe wegen doet gaan.
De overstelpende vreugde is het teken, het bewijs
dat wij een levensschat gevonden hebben.

Daarbij brengt die vreugde
een radicale verandering van onze levenswijze mee.
"In zijn vreugde ging hij alles verkopen wat hij bezat."
Een mateloze vreugde brengt er ons dan toe
ons leven te reorganiseren,
zelfs veel prijs te geven van wat wij tot nu toe hebben opgebouwd
en alles te her-ijken, te heroriënteren vanuit de gevonden schat.
Let wel, dat prijsgeven gebeurt dus niet geforceerd,
niet met pijn in het hart, maar spontaan en vrij.
Voor wie overrompeld is door de vreugde van de liefde,
worden de offers immers niet als pijnlijk aangevoeld.

Het evangelie leert ons dus ook dat wij het best niet beginnen
met eerst van alles prijs te geven en los te laten,
in de hoop dat wij daardoor wel een levensschat zullen gaan vinden.
Die slechte ascese kan van ons alleen maar verkrampte mensen maken.
Het gaat eigenlijk juist omgekeerd.
Het is omdat wij ergens zoveel vreugde ervaren
dat wij vrij en ongeforceerd,
heel ons leven gaan herzien in functie van onze nieuw ontdekte schat.

Hebben wij al schatten ontdekt? Hopelijk wel!
Laten wij maar eens nagaan hoe de beste momenten in ons leven
díe zijn, waar wij, op een bepaald domein of bij een geliefde persoon,
zo'n diepe, meeslepende vreugde hebben ervaren,
dat wij tot alles bereid waren
om juist daar bemind te worden en te beminnen.

Hebben wij al dé schat van ons leven ontdekt,
het Rijk Gods, de radicale gratuite liefdeshouding
naar Jezus' voorbeeld, in álle domeinen van ons leven?
Blijkbaar niet, want onze vreugde is nog niet zó totaal
dat wij geneigd zijn alles prijs te geven wat die liefde in de weg staat.
Voorlopig menen wij nog te moeten vasthouden
aan sommige vooroordelen, aan enkele kleine genoegens,
aan onze luiheid soms, onze hoogmoed of ons egoïsme.

Het evangelie zegt: "Blijf zoeken"
en nodigt ons uit ook vandaag open te staan
voor de mogelijke ontdekking van dat Rijk Gods,
voor de mogelijke ontmoeting met dé Liefde.
Eens ervaren wij de overstelpende vreugde, onvoorwaardelijk, gratuit,
totaal bemind te worden en totaal te mogen beminnen.



Marc Gallant, monnik te Orval

Het rijk van God

'Het Rijk der hemelen gelijkt op een schat, verborgen in een akker.'

Het Rijk der hemelen, het Rijk Gods: voortdurend heeft Jezus die uitdrukking in de mond. Vandaag vergelijkt Hij dat Rijk met een schat, met een parel, met een net. Wat is dat Rijk van God?

Het is evident dat God geen Rijk heeft buiten zichzelf. God bestaat niet buiten zichzelf: alles bestaat in Hem, alles is in Hem geschapen. In God is er overigens geen hebben, alleen maar zijn. God is. Gods zijn is echter zo intens, dat alles wat bestaat, bestaat door zijn scheppende aanwezigheid. Jij bestaat door Gods aanwezigheid in je. God doet je bestaan door zijn scheppende aanwezigheid. Het Rijk Gods, het Rijk waar God zichzelf mag zijn, is niet buiten God. Het Rijk Gods is Gods leven zelf. Daarom zegt Jezus: 'het Rijk Gods is in u, binnenin u'. God is geest en de geest is innerlijkheid. Het Rijk Gods is de tegenwoordigheid van God in ons.

Het gebeurt wel eens dat iemand mij de vraag stelt: 'Wat staat er mij te wachten na mijn dood? Is er een ander leven na de dood?' Soms antwoord ik daarop met een glimlach: “Een ander leven, elders, voor later? Dat interesseert mij niet zozeer. Want er is een ander leven, hier en nu. En dat ander leven is het leven van een Andere, nu, in jou, in mij. Het eeuwig leven, of het Rijk Gods, begint hier en nu: het is het leven van God in ons. In ons is er God die ons zijn leven toevertrouwt. God neemt dit risico. Hij kan het aan: niets is zo sterk als de liefde. Niets is ook zo kwetsbaar als de liefde. Zij kan aan een kruis geslagen worden. Wij zijn medespelers als de liefde aan het kruis geslagen wordt. God is machtig genoeg om zich te laten doen.

Dat leven van God in ons vergelijkt Jezus vandaag aan een schat verborgen in een akker waarvoor men alles verkoopt wat men bezit. Het Rijk Gods is geen bijkomstigheid naast mijn persoonlijk leven. Gods leven is in mij sterker dan mijn eigen leven, en nochtans word ik door Gods aanwezigheid niet 'verontpersoonlijkt'. Integendeel, God is, in mij, meer mij dan ikzelf. God heeft over mij een visie die ik nog niet verwezenlijkt heb. Ik ben nog in wording, in groei naar wat ik eens totaal zal zijn in God. Gods verborgen aanwezigheid ent mij op de wortels van mijn wezen dat ik van Hem ontvang. In Gods aanwezigheid kom ik thuis bij mijzelf.

Daarom brengt de ontdekking van Gods aanwezigheid gans ons leven op een hoger niveau. Ons leven krijgt een dimensie bij. Er wordt een schat ontdekt die ons alles opnieuw doet inschatten. De aanwezigheid van God verdrijft niet het menselijke in ons, zij doet het niet teniet, maar zij doordringt het, zij herschept het, zij geeft het nieuwe levenskracht. De andere mensen worden niet meer ervaren als vijanden of als rivalen, maar als zusters en broeders, als kinderen van dezelfde Vader.

Toch moeten wij ergens alles verkopen, alles loslaten, om toegang te krijgen tot die schat. Je kan niet half leven in Gods tegenwoordigheid en half erbuiten. Hier kan je onmogelijk twee heren dienen, God en niet-God. Daarom zegt Jezus: 'Zoekt het Rijk Gods, en al de rest wordt u toegeworpen'. Zoek je echter de rest, dan zoek je God niet en je gaat naast God uit. Het Rijk Gods vindt je maar als je erin toestemt al de rest prijs te geven. Maar met het Rijk Gods krijg je al de rest, alles op zijn juiste plaats. Alles vervaagt wat niet in het licht staat van God. In Gods licht krijgt echter alles zijn juiste dimensie, zijn echte kleur en eigen schittering, die je helpt om je eigen geestelijke dimensie uit te bouwen.

Gods aanwezigheid in je? Het is een kostbare schat waarmee je niet ten toon loopt: als je hem vindt, dan verberg je hem weer. Het blijft een innerlijke, verborgen schat.
Gods aanwezigheid in je? Het is een schat die je maar ontdekken kan met blijdschap. Je weet je immers bemind, nu, met Gods liefde die je doet bestaan als enig ter wereld. God, zo intens, zo intiem aanwezig, die je zo lucide aan jezelf kenbaar maakt, die jouw relaties met zijn dimensie verrijkt en je jouw plaats toont in de wereld. Maar God ook wiens aanwezigheid zoo broos is, zo licht verdwenen, als je er niet naar leeft, of als je jouw aandacht voor Gods liefde niet steeds hernieuwt.

Het Rijk Gods, het ander leven, is er hier en nu. Ons toekomstig bestaan begint nu. In dit leven zijn wij verantwoordelijk voor dat ander Leven dat God ons nu reeds toevertrouwt. Dat leven reeds van de hemel zien wij niet met de ogen, maar met het hart. Inderdaad: 'Het wezenlijke is onzichtbaar voor de ogen, men ziet maar echt met het hart'.



De verborgen schat

“Het koninkrijk van de hemel is als met een schat verborgen in een akker”, zegt Jezus. “De hemel” was voor de joden een vervangwoord om de naam van God niet uit te spreken. Het gaat hier dus over het koninkrijk van God. De komst van het koninkrijk van God staat in het centrum van Jezus’ prediking. Wat is daar de betekenis van? 
Voor de joodse tijdgenoten van Jezus was dat een politiek perspectief: de komst van het Rijk Gods zou een einde maken aan de Romeinse bezetting. Jezus bedoelt iets helemaal anders. “Toen de Farizeeën Jezus vroegen wanneer het koninkrijk van God zou komen, antwoordde hij hun: ‘De komst van het koninkrijk van God laat zich niet aanwijzen, en men kan niet zeggen: ‘Kijk, hier is het !’ of : ‘Daar is het!’ Maar weet wel: het koninkrijk van God is binnen in u” (het Grieks ‘hentos humôn’ is door de Kerkvaders altijd begrepen geweest als ‘binnen in u’, Lucas 17,21). Wij zijn dus zelf de akker waar het koninkrijk Gods in verborgen is. Paulus zou dat niet tegenspreken : “U bent de akker van God” (1 Korintiërs 3, 9).

Het diepste van mijn wezen, de kern van mijn bestaan is de aanwezigheid van God die mij door zijn liefde doet bestaan als een voor Hem enig wezen. Die aanwezigheid is een verborgen schat. God is discreet. Hij woont in de stilte van mijn diepste zijn. Lange tijd kan ik er langs lopen of erover, zonder me van iets te vergewissen. Het is een beetje normaal dat ik aarzel in mezelf te treden, in die stilte die ik ben. De interioriteit raakt immers de duizeling van het niets. Ik heb schrik erin te treden. Ik besta, maar welke bestaansgrond zal ik er vinden in mij ? Het niets ?

Onbewust stel ik steeds de confrontatie uit met mezelf. Ik heb er schrik van. Ik leef dan ook zorgvuldig buiten mezelf. Ik kan op Facebook bij 350 vrienden zijn, terwijl er binnen in mij niemand is. Zodra ik alleen ben, overvalt me de paniek van de leegte. Er is niemand in mijn stilte. De schat blijft er verborgen. Om te bestaan moet ik leven met de iPhone tegen mijn oor. Weg van die leegte loop ik echter vergeefs altijd overal alles achterna ik blij zitten met het wrange gevoel dat de leegte toch weer alles opgezogen heeft …

En dan plots vind ik de schat in mijn akker: God die in mij “meer intiem is dan mijn intimiteit” (St Augustinus, Belijdenissen 3,6,11). God, de Bron van mijn bestaan. De Bron die mijn bestaan zin geeft. Ik besta omdat ik bemind ben. De Liefde doet me bestaan als een vrij wezen. Als een verantwoordelijk persoon. Dat juist slaat op mijn hart en van schrik verberg ik weer die schat die me zo hoge eisen stelt. Ik ben verantwoordelijk! Verantwoordelijk tegenover een vrije Liefde die me gekozen heeft te bestaan!
Om die schat te verwerven zal ik alles moeten verkopen wat ik heb, me ontdoen van alles wat niet “het enige noodzakelijke” is (Lucas 10,42), van alles wat buiten mij ligt om tot mijn diepe wezen te komen waar de schat verborgen is.

Wij zoeken God, maar zo wij Hem niet vinden binnen onszelf zullen wij Hem nergens vinden. Aan de Samaritaanse zeie Jezus dat God niet aanbeden wordt op de Gerrizim noch in de tempel van Jeruzalem, maar in geest en waarheid (Johannes 4, 23-24). God wordt aanbeden waar Hij woont, in het diepste van de innerlijke mens. Ken jezelf,en je zult er Gods aanwezigheid ontdekken die je doet bestaan en je redt van het niets.
Tot deze conclusie was ook Augustinus gekomen toen hij verklaarde:
“Te laat heb ik U lief gekregen! En zie, U was binnen in mij en ik was buiten en daar zocht ik U! Ik, die wanstaltig was, stortte mij op de schone dingen, die U gemaakt hebt. Die dingen, die niet zouden zijn, als ze niet waren in U, hielden mij ver van U. U waart met mij, maar ik was niet bij U. U hebt mij geroepen en mijn doofheid verbroken…
Wanneer ik met mijn gehele wezen met U één zal zijn, zal nergens voor mij smart en moeite zijn, en zal mijn leven, geheel vervuld van U, het ware Leven zijn.” (Belijdenissen, X, 27, 28).

Als we ons van alles ontdaan hebben om hem te verwerven, sluit de verborgen schat ons echter niet op in onszelf. We hebben de ontdekte schat niet wantrouwig te bewaken. We zijn nu immers in staat ook Gods aanwezigheid te ontdekken in de anderen. Gods aanwezigheid werkt als communicerende vaten. Onze gezichtseinder breidt zich uit op de maat van het Rijk Gods. Wij stemmen ons af op de liefde van God die naar de ganse schepping uitgaat, en ook daar herontdekken wij onze schat.



Zoeken naar God (2017)

Het Rijk der hemelen gelijkt op een schat, verborgen in een akker.
Toen iemand hem vond, verborg hij hem weer,
en in zijn blijdschap ging hij alles te gelde maken wat hij bezat
en kocht die akker. (Matteüs 13, 44)

God is een verborgen schat. Hij laat zich vinden: "Zoekt en gij zult vinden” (Matteüs 7, 7)

Om God te vinden, moeten wij Hem zoeken. En toch, het lijkt erop dat we kunnen zoeken zonder te vinden. Een paar dagen geleden, zei me iemand: "Ik ben al jaren op zoek zonder iets te vinden. God vinden, zou het ten slotte geen autosuggestie zijn, een mystieke illusie?"

Akkoord, een illusie is altijd mogelijk. Ze is zelfs onvermijdelijk als het zoeken geïsoleerd gebeurt, en niet met de bijstand van een geestelijke metgezel. De Geest is relatie, communie. Om te slagen, moet het geestelijke zoeken gebeuren in relatie, in communie. De spirituele metgezel is een getuige van het geloof, in wie ik mijn geestelijk zoeken kan toetsen aan het geloof van de horizontale gemeenschap van de Kerk van vandaag, en aan het geloof van de verticale gemeenschap van christenen die het hebben beleefd, vanaf Christus tot nu toe. Een spirituele gids die zelf niet leeft in gemeenschap met de Kerk en met de levende traditie komt dus niet in aanmerking, want het is als een “huisvader die uit zijn schat noch nieuw noch oud te voorschijn kan halen” (vgl. Matteüs 13, 52), omdat hij zelf niet uitgegroeid is tot een leerling van het koninkrijk der hemelen, koninkrijk dat Christus ons doorgeeft in de Kerk.

Merken we allereerst op dat de nadruk ligt op "vinden", niet op "zoeken". Een man vindt de schat. Wat betekent dat? De uitspraak van Picasso is bekend: "Ik zoek niet, ik vind”. De ongekunsteldheid van het creëren, die geen bewonderaars vandoen heeft, sluit alle verkrampt zoeken uit. In artistieke creativiteit, moeten we loslaten, open staan. Wat reeds geldt voor de kunst, komt nog sterker naar voor bij het spirituele zoeken. Onderscheiden we, om te beginnen, het spirituele zoeken van elke egocentrische betrachting.

Men zegt soms van een persoon dat hij zoekend is. Op zoek naar wat? Meestal, naar een psychisch en affectief evenwicht.
Het zoeken op psychisch en affectief niveau, zelfs al heeft het een geestelijk kleurtje, is nog steeds egocentrisch. Ik denk dat ik God zoek, maar eigenlijk tracht ik mijn angst te verlichten. Het kan gebeuren dat ik de gezochte affectieve veiligheid vind, en dat ik die, per illusie, neem voor God.
Een andere manier van dit egocentrische zoeken is ook mogelijk: ik zoek God om te komen tot de volheid van mijn wezen. Maar de euforie die ik vind is niet God. Het psychische zoeken tracht te zien, te hebben, te weten, te nemen, te grijpen, te begrijpen. Het haalt naar zich toe. Het kijkt naar zichzelf. Het is onrustig. We moeten nooit het spirituele zoeken verwarren met het egocentrisme dat zich verkrampt in onrust en in het agiteren van problemen. Om alle verwarring te voorkomen, vereist de Regel der monniken de gelofte van stabiliteit van wie zijn hele leven op het zoeken naar God wil toeleggen. Door de mentale en emotionele stabiliteit te vergen, verplicht de Regel der monniken te zoeken op een spiritueel niveau. Dit niveau drukt de uitspraak van Augustinus uit: "Je zou me niet zoeken als je niet me reeds had gevonden”. In degene die zichzelf uit handen heeft gegeven, is er ruimte vrij voor God, die er kan komen. Men vindt er God, maar wie God gevonden heeft zoekt Hem steeds verder. Voor wie het oneindige vindt, blijft alles nog steeds te zoeken.

Er is nog een tweede criterium bij de spirituele zoektocht: men verbergt de schat opnieuw (v. 44b).
De zoektocht naar God is geen dansen op het podium. Het ontdekken van de schat leidt niet tot exhibitie. Wel integendeel. Wie God heeft ontmoet duikt in de stilte van God zelf. Hij wordt bescheiden. Hij zou met Christus in God verborgen willen zijn (vgl. Kolossenzen 3, 3). De gratuïteit van God die zich laat vinden is overweldigend.

Deze bescheidenheid is blijmoedig. Ze is zelfs het derde criterium voor het Godzoeken: “hij gaat vol vreugde" (v. 44c). Hij die God zoekt is niet gespannen, verkrampt, droefgeestig. Hij is bevrijd van zichzelf, hij is ontspannen, hij herademt, hij is helemaal ingenomen door God die hij heeft ontmoet. De vreugde ontvangt men van een andere. De vreugde is altijd een overgang van het ‘hebben’ naar het ‘zijn’.

En zo zien we, op de vierde plaats, dat hij die gevonden heeft, alles verkoopt wat hij bezit (v. 44d), om zich tevreden te stellen met zijn enige schat en voor God beschikbaar te zijn. Het Rijk der hemelen is iets absoluuts, niets anders kan het beconcurreren. Men kan geen twee heren dienen (Matteüs 6, 24). En het duurt een leven lang om de schat in te lossen.