Loading...
 

2 Samuel 11, 1 – 12, 25: David en Batseba


...page... Wiki page pagination has not been enabled.

2 Samuel 11, 1 – 12, 25: David en Batseba

De tekst

Stilstaan bij een aantal woorden

Rabba
= het huidige Amman, de hoofdstad van Jordanië.


Natan
Natan was profeet aan het hof van koning David: hij moest de koning op godsdienstig gebied begeleiden en raad geven.


Uria
Hij is een Hethiet en dus geen echte Israëliet. Toch blijkt hij een man uit één stuk te zijn.
Daartegenover staat David, de koning van het volk Israël. Met dit contrast toont de schrijver aan dat een uitverkiezing geen garantie biedt voor een rechtvaardig leven.


David
Hij had veel vrouwen. Dat was voor een oosters koning een teken van rijkdom. De Bijbel keurt dit noch goed noch af. Wat David verweten wordt is niet dat hij nog een vrouw wil, maar dat hij daardoor haar man benadeelt en hem zelfs het leven ontneemt.
Bijbelse rechtvaardigheid vraagt dat ieder aan zijn rechten komt.

Niettegenstaande men van David zijn zwakke plekken kent ... toch is hij de geschiedenis ingegaan als een ideale koning en herinnert men zijn tijd als een paradijselijke tijd voor Israël. Wanneer men zich later een mooie toekomst voorstelt, blijft men zich spiegelen aan de figuur van David. Hij was de ideale Gezalfde, Messias, Christus.



Bij de tekst

Namen en hun betekenis

Natan
= hij heeft gegeven.

Batseba
= dochter van overvloed, de welige.

Israël
= Gods strijder.

Uria
= JHWH is mijn licht.

David
= de geliefde of liefhebber.



Betekenis

Dit verhaal vertelt een dieptepunt in het leven van David. Hij vergrijpt zich op twee manieren aan het leven van Uria: hij neemt zijn vrouw en laat hem sneuvelen. Hij toont zich de sterkste en misbruikt zijn macht, net als Saül dat voor hem deed.
Toch verschilt David van Saül: Saül wenste geen terechtwijzing van Samuël. David laat zich terugroepen en bestraffen. Hij beseft zijn schuld en gedraagt er zich naar, waardoor de weg van de toekomst open blijft: Batseba wordt de moeder van Salomo.



Merk op

Het gehele verhaal wordt verteld zonder enige religieuze reflectie. Alleen op het eind vermeldt de schrijver: 'Maar wat David gedaan had, mishaagde aan JHWH.' Het onrecht dat David Batseba en Uria heeft aangedaan, maakt hem uiteindelijk schuldig t.o.v. God.

Het valt op dat de auteur op geen enkele manier de misdaad van de koning goedpraat. Daaruit blijkt dat de koning van Israël geen absoluut monarch was zoals bij andere volkeren: hij blijft onderworpen aan Gods wet. Het feit dat de koning niet geïdealiseerd wordt, is typisch voor de opvatting van Israël over het koningschap.