Loading...
 

20e zondag door het jaar A - evangelie

2hond

HET IS NIET GOED
HET BROOD DAT VOOR DE KINDEREN BESTEMD IS
AAN DE HONDEN TE GEVEN


...page... Wiki page pagination has not been enabled.

Matteüs 15, 21-28: Jezus en een Kananese vrouw

Matteüs 15, 21-28 // Marcus 7, 24-30



De tekst

Dichter bij de tijd

Jezus gaat naar een gebied dat buiten Palestina ligt.
Daar wonen mensen die niet in God geloven.
Een vrouw uit die streek
komt naar buiten en roept:
‘Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David.
Mijn dochter is vreselijk ziek.’
Maar Jezus reageert niet eens.
Zijn leerlingen komen naar Hem toe en zeggen:
‘Stuur haar weg.’
Dan zegt Jezus tegen de vrouw:
‘Ik ben alleen gestuurd
naar de verloren schapen van het huis van Israël,
naar de joden, die op een foute manier leven.’
Maar de vrouw gaat naar Jezus toe.
Ze knielt voor Hem neer en zegt: ‘Heer, help me.’
Hij antwoordt: ‘Het is niet goed
dat men het brood van de kinderen afpakt
om het aan de hondjes te geven.
(Want Ik ben gekomen voor de joodse mensen,
niet voor mensen van een andere godsdienst.)’
Maar de vrouw antwoordt: ‘Dat is juist, Heer,
de hondjes eten alleen maar de kruimels
die van de tafel van hun baas vallen.
Daar kijkt Jezus van op. Hij zegt:
‘Vrouw, uw vertrouwen is groot.
Ik wil dat er gebeurt wat u wenst.’
Vanaf dat moment is de dochter van die vrouw genezen.


Bij het vereenvoudigen van de tekst...
... werd een zin tussen haakjes toegevoegd, die niet in het evangelie staat, maar de beeldende taal in de tekst toegankelijker maakt.



Als je dit aan kinderen vertelt...

...besef dan dat het beeld van het brood en de kruimels moeilijk is voor kinderen. Toch is het van groot belang voor de betekenis van het verhaal.
Als verteller moet je goed door hebben dat Jezus in beelden spreekt en dat de vrouw met beelden antwoordt. Jezus en de vrouw zeggen alleen op het eerste zicht iets over kinderen, honden, brood en kruimels… maar uiteindelijk gaat het over joden, niet-joden, de blijde boodschap en aan wie die boodschap gericht wordt.
Omdat er zo nadrukkelijk gesproken wordt met beelden, wordt dit verhaal best niet verteld aan kinderen jonger dan 8 jaar. Zelfs vanaf 9 jaar kan men het maar vertellen als kinderen enige notie hebben van het spreken met beelden. In dat geval kun je ze best even ‘opwarmen’. Bv. spreek even tot hen in spreekwoorden die erg beeldend zijn. Pas als ze doorhebben dat jij dat niet letterlijk zo bedoelt, kun je deze tekst voorlezen.



Spreken met beelden

Het gesprek tussen Jezus en de vrouw wordt gevoerd in een versluierde taal, waar beide partijen blijkbaar vertrouwd mee waren:
Kinderen = joden. De joden voelden zich het uitverkoren volk van God.
Honden = niet-joden
Brood = de blijde boodschap, het woord van Jezus



Stilstaan bij enkele woorden

Streek van Tyrus en Sidon
Streek aan de kust van de Middellandse zee, ten Noorden van Palestina, in het huidige Libanon.
Ten tijde van Jezus was dit gebied in de ogen van de joden ‘het land van de heidenen’.


Kananese
Deze naam roept het Oud-Testamentische onderscheid op tussen Israëlieten en Kanaänieten, de oorspronkelijke bewoners van Palestina.
Matteüs gebruikt dit woord om de tegenstelling tussen joden en heidenen nog meer te accentueren.


Zoon
In de bijbel wil 'zoon' niet altijd zeggen: kind van vader of moeder. ‘Zoon’ kan ook zeggen dat iemand leeft naar het voorbeeld van iemand aan wie men goede herinneringen heeft.


Zoon van David
'Zoon van David' is de titel voor de Messias naar wie alle verwachtingen in het O.T. uitgingen en op wie alle hoop gevestigd was. In deze titel ligt de verwachting van de joden dat Jezus het Rijk van koning David zal herstellen. Maar deze politieke verwachting lost Jezus niet in.
Vreemd genoeg is het een niet-joodse vrouw die Jezus zo aanspreekt.


Duivel
In de tijd van Jezus geloofden de mensen dat duivels of kwade geesten ziekten konden veroorzaken.


Verloren schapen
Hiermee bedoelt Jezus de zondaars binnen het joodse volk.


Kinderen
De vrouw kan echte kinderen bedoelen, maar gezien ze het verder heeft over honden, een scheldwoord voor de heidenen in de mond van joden, kan ‘kinderen’ verwijzen naar de joden zelf, die zich ‘kinderen van God’ noemen.


Hond
Ten tijde van Jezus zwierven honden rond in steden en dorpen, waar ze fungeerden als een soort reinigingsdienst door het afval op te eten. In de bijbel worden ze beschreven als lui, dom, woest en bloeddorstig. De joden hadden er een grote afkeer van.
Het woord 'hond' is in oosterse landen een scheldwoord voor wie niet tot het eigen geloof behoort.


Groot is uw geloof
Deze uitspraak van Jezus over een niet-joodse vrouw, staat in contrast met de uitspraken van Jezus over zijn leerlingen, die Hij kleingelovigen noemt.



Praktische info

Bij het materiaal dat u op deze site vindt, hoort een map.
'Bijbel in 1000 seconden' bevat een verzameling van ongeveer 227 fiches die stilstaan bij lezingen in het kerkelijk jaar.

Die map is te verkrijgen via: info aan bijbelin1000seconden.be
of via het: Uitgeverij Halewijn, Halewijnlaan 92, 2050 Antwerpen
Telefoon: 03/210 08 14; Mail: halewijn.uitgaven aan kerknet.be

De fiche die hoort bij Matteüs 15, 21-28, bevat:
. De Bijbeltekst
. Informatie bij de tekst
. De Bijbeltekst die 'Dichter bij de tijd' herschreven werd
. Tips bij het vertellen aan kinderen
. Informatie bij de betekenis van de tekst






Bij de tekst

Context waarin deze tekst geschreven werd

Sommige exegeten zeggen dat deze tekst ontstaan is na Jezus' dood en verrijzenis, toen zich het probleem stelde van de missionering van mensen die geen joden waren. Dit verhaal zou dan een verantwoording zijn voor de missionering van de heidenen.



Betekenis

Jezus = bevrijder, redder, verlosser.
Het heil/geluk is niet uitsluitend voor de joden, maar voor iedereen.
In dit verhaal leidt het aandringen van de vrouw ertoe dat het christendom zich ontplooit als een godsdienst met een universele zending. Een heidense vrouw doet Jezus inzien dat het heil (het brood) voor iedereen bestemd is.



Een wonderverhaal…

… informeert over God en Zijn Rijk
God richt zich niet exclusief tot één bepaalde groep mensen.
… roept op
om niemand uit te sluiten.



Om over na te denken

Een andere titel voor dit verhaal zou kunnen zijn:
'Een Griekse vrouw bekeert Jezus':
In het begin van het verhaal zit Jezus nog vast in een joodse voorstelling van zaken.




Merk op

In het begin van het verhaal zit Jezus nog vast in een joodse voorstelling van zaken.

Het gebeuren dat de evangelist beschrijft is heel ongewoon:
. mannen spraken niet met vrouwen in het openbaar.
. vrouwen namen nooit het initiatief om een man aan te spreken.





Bijbel en kunst

J. COLOMBE

Jezus en de Kananese vrouw
2008 08 17 Woman

(Musée Condé, Chantilly, Frankrijk)


Jean Colombe (ca. 1430 - ca. 1493), was een Frans kunstenaar. Hij schilderde miniaturen en verluchtte manuscripten.
Hij schilderde een aantal miniaturen van de 'Très riches heures du Duc de Berry', een getijdenboek.
Jezus en de Kananeese vrouw is een miniatuur in dit werk dat van zijn hand is.




Suggestie
Bekijk dit kunstwerk.
- Wat zie je?
- Wie zie je?

Lees Matteüs 15, 21-28

- Wat zie je nu?
- Wie zie je nu?
- Welk moment uit het evangelie heeft de kunstenaar uitgebeeld?
- Welke aanwijzingen zou jij aan de kunstenaar geven als hij het vervolg zou schilderen?
- Hoe zou hij Jezus moeten uitbeelden?
- Hoe zou hij de vrouw uitbeelden?
- Welke houding zou jij dan aan de andere personages geven?



J. DE FLANDES

Jezus en de Kananese vrouw (ong. 1500)
Juan De Flandes

(Koninklijk paleis, Madrid)


Juan de Flandes (ong. 1460 - Palencia 1519) is een Spaanse schilder, afkomstig uit de Nederlanden.
Hij was hofschilder van koningin Isabella van Castilië.




Suggestie
Het is interessant om bij Jezus en de apostelen gedachtenballonnen te plaatsen.
- Wat gaat er in hun hoofd als ze de Kananese vrouw zien en horen?
Let hierbij heel goed op de uitdrukking die Juan de Flandes op hun gezicht heeft gelegd.


Er zijn op dit schilderij twee figuren met een wit hoofddeksel. De figuur die voor Jezus knielt is de Kananese vrouw.
- Wie zou die andere persoon zijn?
- Wat zou die aan de apostelen zeggen?


De wijsvinger en de middenvinger van de rechterhand van Jezus vormen de Griekse letter Chi (X), de eerste letter van het Griekse woord Christus.
Maar vreemd genoeg kan die hand ook iets anders duidelijk maken...
Let ook op de rechterhand van de vrouw.
- Wat drukt die uit?
Doe eens de houding met de rechterhand van de vrouw na en dan de houding van de hand van Jezus.
- Welke gevoelens roepen beide houdingen op?



H. VARGHESE (Maleisië)

'Heer, help mij' 2007
Vargheze

20 x 20 , Acryl op canvas




Suggestie
Lees eerst het verhaal in het evangelie. (Matteüs 15, 21-28)

Bekijk dan aandachtig dit kunstwerk van Hanna Varghese.

Vertel het verhaal bij Matteüs opnieuw.
Zorg ervoor dat alle personages (personen en hondjes) op het schilderij in dit nieuwe verhaal een rol krijgen:
- Wat zeggen ze?
- Wat voelen ze?
- Wat doen ze?





Suggesties

Kleine kinderen

KENNISMAKEN MET DE BIJBELTEKST

Vertellen en kleuren

Vertel het evangelie met behulp van deze tekening.
Tekening

Heb hierbij aandacht voor:
. de vragende houding van de vrouw.
. de afwerende houding van Jezus (zijn hele lichaam gaat al weg - alleen zijn hoofd is naar de vrouw gekeerd.)

Nadien kleuren de kinderen deze tekening in.





Grote kinderen

ONDERZOEKEN

Jij hoort er niet bij!

J. BRUGMAN, 'Prettige zondag! Kinderwoorddiensten voor het jaar A', 1995, p. 143

Materiaal
een doos met verschillende knopen (of iets anders wat je kunt sorteren: postzegels, stickers, steentjes, knikkers...)


Verloop
Spreid de knopen in het midden op de tafel. Geef als enige opdracht: sorteer deze knopen.
De kinderen kunnen ze dus sorteren naar kleur, vorm, grootte...
Als je met een grote groep werkt, verdeel die dan in twee of drie groepen. Geef aan elk van de groepen iets anders om te sorteren: knopen, postzegels, stickers...

Na een vijftal minuten kijk je hoe er gesorteerd werd.

Bespreek:
- Waarvoor dienen knopen (of het andere gekozen voorwerp)?
- Zijn knopen soms minder 'knoop' omdat ze een andere vorm of kleur hebben?
- Waarom heb je de knopen zo gesorteerd.
- Moeten de knopen precies gelijk zijn om erbij te horen?
- Kan een andere kleur of een andere vorm het er ook goed bij doen?


Informeer:
Soms worden mensen ook zo ingedeeld. De één mag niet bij de ander.
- Kun je hiervan een voorbeeld geven?

Vertel dat ten tijde van Jezus de joden vonden dat ze bij elkaar hoorden, en dat daar niemand meer bij kon.





KENNISMAKEN MET DE BIJBELTEKST

Een ontmoeting die Jezus verandert

Een vrouw komt bij Jezus en vraagt:
'Mijn dochter is ziek. Kom haar genezen.'
- Wat zal Jezus antwoorden?

Jesus Resisting The Canaanite Woman From Icon Visual Images For Every Sunday Augsburg Press 293x300

Vergelijk daarna met wat in het evangelie staat.

Bespreek:
- Wat vind je van de vrouw?
- En wat vind je van Jezus?
- Leg uit: Jezus wordt anders
- Hoe komt het dat Jezus anders wordt?
- Wat kun jij leren van mensen die 'anders' zijn?





EVEN TESTEN

Meerkeuzevragen

Wat wil de vrouw zeggen met:

Kinderen
O de kinderen van de vrouw
O De joden
O de kinderen die in Tyrus wonen.

Brood
O het brood dat ze die morgen gebakken heeft
O het eten dat Jezus mee heeft
O de aandacht van Jezus voor de mens

Hond
O iemand die niet gelooft zoals de joden dat doen
O iemand die houdt van honden
O de hond van de vrouw



Tekstbalonnen

Zorg ervoor dat elk van de kinderen deze tekening krijgt.
Ze tekenen er zelf twee tekstballonnen bij: één bij de vrouw; één bij Jezus.
In de tekstballonnen schrijven ze wat beide personen zeggen.



Wat Jezus belangrijk vindt

Maak een kopie van dit werkblad voor alle kinderen of één kopie per twee kinderen.

Vertel het verhaal over Jezus en de Kananese vrouw.
Lees dan langzaam de tekst voor zoals die in de eucharistieviering wordt voorgelezen.
De kinderen vullen dan - individueel of per twee - de ontbrekende woorden in de invultekst.
Die woorden doorstrepen ze daarna in het woordrooster (van links naar rechts; van boven naar onder)
De letters die overblijven vormen het woord vertrouwen. In het evangelie zelf is er sprake van 'geloof'.
Bespreek met de kinderen wat er nog belangrijk is in de tekst.
(Jezus heeft ook aandacht voor de noden van mensen die niet tot zijn volk behoren)





INFORMEREN

Vreemde woorden van Jezus

C. LETERME, Simon plus, 2005, nr 5

Vooraf
Teken op een bord / een flap:
Een tafel, met silhouetten van twee kinderen die eraan zitten om te eten.
Teken op de tafel een brood en onder de tafel het silhouet van een hond.


Verloop
Vraag aan de kinderen wat je hebt getekend.
Geef namen aan de verschillende silhouetten aan tafel: kinderen, hond, brood.
- Bij wie is er thuis een hond?
- Als je eet, mag die hond dan mee aan tafel zitten?
- Gebruikt een hond bestek? Drinkt die uit een glas?
- Eet een hond hetzelfde als de mensen?
Sta erbij stil dat een hond krijgt wat over is. Het is helemaal niet gebruikelijk om een hond aan tafel te laten zitten en volwaardig te laten eten wat mensen eten. Ten tijde van Jezus hadden de joden zelfs een grote afkeer van honden. In de steden en dorpen zwierven ze rond, en fungeerden als een soort reinigingsdienst door het afval op te eten. Het woord 'hond' gebruikten ze als een scheldwoord voor wie niet tot het eigen geloof behoort.


Jezus zegt: 'Als kinderen aan tafel zitten om brood te eten, dan is dat brood alleen voor de kinderen. Dat brood is niet voor de honden onder de tafel.'
Deze woorden hebben een tweede betekenis. Op basis van de bovenstaande informatie moet het voor de kinderen mogelijk zijn om elk van de volgende woorden te verbinden met hun juiste betekenis:

De kinderenDe andere volkeren
EtenHet volk van Israël
De hondenDe Blijde Boodschap
Het broodDe Blijde boodschap ontvangen

Daarna schrijven de kinderen de zin die Jezus uitspreekt in hun eigen woorden, en zonder 'beelden'. Zo kun je zien of ze de beeldspraak door hebben.

De Griekse vrouw begrijpt de woorden van Jezus en zegt: 'Die honden eten wel mee: ze eten van de kruimels die van tafel vallen. Laat de kinderen de zin van de vrouw in hun eigen woorden formuleren / opschrijven.


Correctiesleutel

De kinderen Het volk van Israël
Eten De Blijde boodschap ontvangen
De honden De andere volkeren
Het brood De Blijde Boodschap






INLEVEN

Gedachtenballonnen

De kinderen tekenen gedachtenballonnen bij de twee personen op deze tekening. Ze tekenen daarvoor een grote cirkel waarin ze schrijven hoe de persoon in kwestie zich voelt bij het gebeuren. Onder de grote cirkel komen kleine cirkeltjes in de richting van de persoon van wie de gevoelens / gedachten zijn.



Dramatisatie: Jezus en een Kananese vrouw

Materiaal
Een wit stuk stof dat kan dienen als hoofddoek voor de Kananese vrouw, zodat men haar van de andere spelers kan onderscheiden.


Verloop
Laat telkens twee andere kinderen de volgende situaties naspelen. Wie de witte doek krijgt, speelt de rol van de Kananese vrouw.
. De Kananese vrouw die toch naar Jezus gaat
. Jezus die de vrouw 'op haar plaats zet'
. De vrouw die maar blijft geloven dat Jezus kan helpen.

Betrek de andere kinderen bij deze dramatisatie door te vragen:
- Wat gebeurt daar?
- Kan dat, mag dat wel zo?
- Is dit wel juist?
- Heb je ook al eens zo iets meegemaakt?





Jongeren

KENNISMAKEN MET DE TEKST UIT DE BIJBEL

Anders worden

Geïnspireerd door een tekst van Saskia Ketelaar Voor dag van het Netwerk van Basisgroepen 11 oktober 2003 in Aalst

Mijn dochter heeft een handicap. Haar geboorte was moeizaam.
Mijn man en ik, we wilden het niet zien.
‘Kijk eens hoe lief ze ligt te slapen in haar wieg, onze dochter!‘
Maar ze greep niet met haar armpjes naar ons!
Het werd steeds duidelijker.
Regelmatig kreeg ze stuipen. Het schuim stond dan op haar mond en haar ogen draaiden weg.
Geen enkel ogenblik verloor ik haar uit het oog.
Ze mocht niet alleen zijn als ze een aanval zou krijgen! Ze mocht zich niet bezeren.
Het kind was een stuk van mijzelf. Ging het met haar goed, dan ging het ook met mij goed.
Had zij verdriet of pijn, dan werd ik verscheurd door verdriet en onmacht.
Buren en familie trokken zich steeds meer terug.
Ik had al veel dokters bezocht, ver weg en dichtbij.
Platzak keerde ik daarna naar huis terug, met een dochter die nog altijd niet was genezen.
Wat zou er met haar gebeuren als ik haar niet meer kon verzorgen?
Wie zou in haar ogen de smekende vraag naar liefde kunnen ontdekken?
Toen ik geen kant meer op kon, hoorde ik over Jezus, een joodse rabbi.
Onmiddellijk ben ik naar hem toegegaan in een huis aan de rand van de stad.
Ik zag Hem… en schreeuwde het uit: 'Heb medelijden met mijn kind!'.
Maar Hij was aan het eten. Hij keek niet eens op.
Ik schreeuwde daarom nog harder: 'Heb medelijden met mijn kind!'.
Het werd donker omdat nieuwsgierige mensen in de deuropening gingen staan.
De mannen in huis werden onrustig: 'Help haar toch, dan zijn we van haar getier af!'.
Maar botweg antwoordde Jezus: '
Het is niet goed, dat men het brood van de kinderen wegneemt en het aan de honden geeft.’
Dat had ik niet verwacht. Hij vergelijkt mij met een hond omdat ik geen joodse vrouw ben!
Ik had boos kunnen weglopen, maar ik kwam niet voor mezelf, maar voor mijn kind.
Ik zag de ogen van mijn dochter voor me en dat hielp mij om staande blijven.
Als Jezus mij wilde vergelijken met een hond, dan euh euh…
'Ja Heer, zeker Heer, maar de honden eten toch ook van de kruimeltjes die van tafel vallen!'…
Zijn mond viel open van verbazing.
Toen zei hij: ‘Dat heb je goed gezegd, ga naar huis, de boze geest is al weg bij je dochter'.
Niet één keer heb ik bedacht dat ik Hem zou kunnen of moeten bedanken.
Ik stamelde iets verwards en stortte mij door de mensenmassa heen, terug naar huis.
Ze lag nog precies zo te slapen als toen ik weg was gegaan.
Toen ze wakker werd zag ik het direct aan haar ogen… ze straalden, ze waren vrolijk…
En toen, toen vroeg ze of zij buiten mocht om te spelen!
Ik voelde het, iets was er veranderd. Een nieuw leven was begonnen.



Het grootste wonder in dit verhaal is dat hier drie mensen zijn veranderd: de dochter is genezen, de vrouw krijgt eindelijk haar leven terug, maar Jezus is ook 'bekeerd'





Overwegingen

Agnes Lameire

De bekering van Jezus?

In deze Bijbeltekst vernemen we hoe Jezus tot een nieuw inzicht komt. Hoe Hij zich als het ware laat bekeren ... en dan nog wel door een vrouw ...
Hij had het aan de stok gehad met Schriftgeleerden die vanuit Jeruzalem naar Galilea waren afgezakt om Hem over een en ander aan de tand te voelen. Waarom aten zijn leerlingen met ongewassen handen? Dat was toch tegen de geldende reinheidswetten?

Jezus had hen krachtig van antwoord gediend waarop ze weer naar het heilige Jeruzalem waren vertrokken terwijl Hijzelf uitweek naar heidens gebied om er even op adem te komen.
Jezus trok zich terug naar de streek van Tyrus en Sidon ... naar het huidige Libanon.
En meteen wordt Hij daar achternagelopen door een autochtone bewoonster van het oude Kanaän, een Kananeese vrouw.
Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David. Mijn dochter is van een duivel bezeten en wordt vreselijk gekweld!
Het valt op dat ze, een heidense, Jezus aanspreekt met de joodse eretitel bij uitstek. Ze noemt Hem voluit ‘Heer, zoon van David’. Het zijn woorden die de wetsgetrouwe Schriftgeleerden en Farizeeën niet eens over hun lippen krijgen.
Maar Jezus gaf haar in het geheel geen antwoord terwijl zijn leerlingen aandrongen om haar weg te sturen want ze blijft ons achternalopen was hun commentaar.
Wij verstaan die vrouw. Ze smeekt om hulp voor haar zieke dochter. Wie weet waar ze al overal naartoe is getrokken met dat meisje. In haar herkennen we ouders die op vandaag de wereld zouden rondreizen om iemand te vinden die hun kind zou kunnen genezen.
Maar Jezus verstaan we minder. Ik ben alleen maar tot de verloren schapen van het huis van Israël gezonden is zijn antwoord .

Als kind, als knaap, als jonge man was Jezus opgegroeid in de traditie van zijn volk dat zich boven alle volkeren uitverkoren wist als volk van God.
Ontmoeten wij in dit evangelie een Jezus die zoekende is en in vraag durft te stellen wat Hem altijd werd voorgehouden? Zou zijn God enkel maar de God zijn van zijn eigen
volk? Zou die God dan andere volken van zijn barmhartige liefde uitsluiten? En die vrouw die maar blijft roepen, is ook zij geen kind van God die Hijzelf Vader noemt?

Want de vrouw geeft niet op. Ze werpt zich voor Hem neer en smeekt: ’Heer, help mij.’
Het is een gebaar waarmee ze in haar eigen weliswaar heidense godsdienst vertrouwd is, een algemeen gebaar van aanbidding. Maar het antwoord van Jezus blijft ons verbazen: dat het brood van de kinderen niet voor de hondjes is bestemd. Zijn zending in Israël is niet bestemd voor de omringende heidense landen. De kinderen van Israël zijn bevoorrecht tegenover de heidenen rondom, die de scheldnaam ‘honden’ meekregen.

In de oorspronkelijke taal van het evangelie, het Grieks dus, staat wel degelijk het verkleinwoord hondjes. Wat een hoop minder scherp klinkt dan honden. Gelovige joodse gezinnen mochten trouwens geen honden houden.

’Help MIJ’ vraagt de vrouw. Ze vereenzelvigt zich voor 100% met haar zieke dochter en durft het aan om aanspraak te maken ‘op de kruimels van de tafel,’ op datgene wat het uitverkoren volk van Israël niet weet te appreciëren.
En, blijkbaar na innerlijke strijd, maakt Jezus een ommekeer mee, een bekering. Hij laat liefde primeren boven geldende wetten. Hij prijst de vrouw om haar groot geloof en verzekert haar naar huis te gaan waar ze haar dochter genezen zal terugvinden.

Door toedoen van deze vrouw kwam Jezus tot het inzicht dat op een dag ook heidense volkeren mee zullen aanzitten aan de tafel van Gods rijk.
Daar kunnen wij alleen maar dankbaar om zijn want ook wij behoorden tot de heidenen.
In het nieuwe spoor dat Jezus trok zijn Petrus, Paulus en meerdere apostelen de heidense wereld ingetrokken met de Blijde Boodschap van hun Heer.
En in de zevende eeuw bereikte, langs geloofsverkondigers, de Blijde Boodschap ook onze gewesten en lezen we dit woord van de Heer.

Voor een stukje misschien wel te danken aan die Kananeese vrouw?



Frans Mistiaen sj

Geloof zonder pretentie doorbreekt alle grenzen

De ontmoeting van vandaag is een uitzondering.
Met niet-joden heeft Jezus waarschijnlijk weinig contact gehad.
Hij richtte Zich op de eerste plaats
tot de joodse mensen die toen in Zijn streek, Palestina, woonden.
Bij hen predikte Jezus het ideaal van de openheid
naar alle mensen zonder onderscheid, mannen én vrouwen,
óók diegenen die in de joodse maatschappij van toen
werden uitgestoten: zieken, armen, tollenaars en zondaars.
In heel Zijn optreden komt Jezus naar voren
als Iemand die al de muren en de discriminaties wil afbreken
die door de wet en de godsdienst artificieel waren opgebouwd.
Het uiterlijk onderscheid tussen zieken en gezonden,
tussen de zogezegde zondaars en de zogenaamde zuiveren
wordt doorbroken, want God is een God van liefde
die allen aanspreekt van binnen, in het hart.
Openheid jegens allen dus, zonder discriminatie,
dat is Jezus’ levenshouding.
 
Maar vandaag komt Jezus uitzonderlijk dus in contact
met een buitenlandse, een niet-joodse vrouw uit Kana.
Waarom probeert Hij haar af te schepen?
 
Jezus wilde aan alle mensen verkondigen
dat er een God is die hen allen zonder onderscheid graag ziet,
maar “tactisch” verkiest Hij daarvoor
“plaatselijk, in een beperkte streek” te beginnen.
Tijdens Zijn drie jaar openbaar leven
kiest Hij ervoor naar de steden en dorpen van Palestina te trekken,
om met die bekering van het hart
bij zijn eigen joodse mensen te beginnen.
Later zullen Zijn leerlingen wel over de grenzen trekken
en de blijde boodschap verkondigen tot aan de uiteinden der aarde.
Maar Hij, Jezus, wil Zich “voorlopig” beperken
tot de verloren schapen van het huis van Israël.
Uit de eerste antwoorden aan de Kananese vrouw mag dus niet
worden besloten dat Jezus een principieel racisme verdedigt.
Ze vertolken eerder Zijn gekozen “pastorale tactiek”:
de tijd is kort, voorlopig dus eerst de joden,
later komt dan wel heel de wereld.
 
Laten wij Jezus deze pastorale keuze gunnen,
maar na het aandringen van deze buitenlandse vrouw
komt er nog een veel sterkere, zelfs vernederende afwijzing.
“Het is niet goed het brood van de kinderen aan de hondjes te geven!”
Het verkleinwoord verzacht het verwijt misschien een beetje,
maar door de beeldspraak wordt de vrouw
toch grof op haar plaats gezet.
Bijbelgeleerden schrijven deze choquerende uitdrukking
toe aan de evangelist Matteüs, beïnvloed als hij was
door de moeilijke situatie in de christengemeente
voor wie hij zijn evangelie bedoeld en geschreven heeft.
Matteüs’ christengemeente in Noord-Palestina
bestond namelijk uit twee soorten christenen:
Joden die zich hadden bekeerd
en niet-joodse heidenen die ook christenen waren geworden.
Nu bestond er van oudsher bij de strenge, puriteinse Joden
een echt afschuw tegen de niet-joodse vreemdelingen.
Zij noemden hen heel normaal: “heidense honden”.
Maar die joden, die christen waren geworden,
moesten nu samen met die vroegere “heidense honden”
aan dezelfde tafel eucharistie gaan vieren.
Zij deden het, maar er bleven spanningen bestaan.
Er werd zelfs nog gedebatteerd over de vraag
of de bekeerde heidenen wel met evenveel recht
mochten deelnemen aan de gezamenlijke eucharistie.”
Mattheüs zal daarom in zijn evangelie met veel verve
de ontmoetingen van Jezus benadrukken waar
heidense vreemdelingen voor Hem meer open blijken te staan
dan de joden.
In het verhaal van vandaag beschrijft Matteüs
hoe de Kananese vrouw zelfs Jezus gaat overtuigen,
die uiteindelijk Zijn bewondering uitspreekt voor haar sterk geloof.
Het is dus door gebruik te maken
van de misprijzende taal van de joden,
dat de Jezus van Mattheüs
alle twijfelaars in zijn gemeente wil beschamen
en hen wil overtuigen van de oprechte geloof
van de bekeerde heidenen.
Een les ook voor ons die worden uitgenodigd
tot respect voor andere religieuze overtuigingen
en tot een broederlijkheid in onze christelijke gemeenschap
die oude gevoeligheden overstijgt.
 
En waarom prijst Jezus dan uiteindelijk zo uitdrukkelijk
het geloof van de heidense vreemdelingen?
Omdat dit geloof een nederig geloof is,
dat zich - in tegenstelling tot het geloof van de joden -
niet hoogmoedig beroept op de eigen afkomst of de eigen verdiensten.
Echt geloof kan inderdaad nooit gebaseerd zijn op de overtuiging
dat wij wel een voetje vóór hebben bij God,
omdat wij van onze geboorte af tot een gelovig volk behoren.
Echt geloof is nooit een automatisch verworven gewoonte,
maar een dagelijkse en persoonlijke keuze voor de liefde,
bij elke nieuwe ervaring in het leven.
En echt geloof is ook niet gebaseerd op de pretentie
dat wij, door het onderhouden van religieuze voorschriften,
verdiensten kunnen verwerven,
zodat God eigenlijk een beetje verplicht is goed te zijn voor ons,
vermits wij reeds zoveel voor Hem deden.
Echt geloof steunt niet op ónze verdiensten,
maar is een dankbaar antwoord op Gods overstelpend aanbod.
 
In de christelijke gemeente van Matteüs
probeerden sommige christenen toch nog grenzen te trekken
en onderscheid te maken tussen gelovigen.
Misschien gebeurt dat ook nog in de onze.
De boodschap van het evangelie van vandaag luidt echter:
Echt geloof is nederig en liefdevol,
en zulk geloof doorbreekt alle grenzen,
vroeg of laat!



Marc Gallant, monnik te Orval

Bidden

In het evangelie wordt het gebed van de Kananese vrouw verhoord wanneer ze vraagt om de kruimels die vallen van de tafel van de kinderen. Voor de eerste generatie van christenen was de betekenis van die kruimels helder: het verhaal van de Kananese vrouw is omkaderd door de twee verhalen van de broodvermenigvuldiging. Nadat het volk verzadigd was deed Jezus de kruimels verzamelen, de eerste maal twaalf volle manden volgens het aantal apostelen (Matteüs 14, 15-21), de tweede maal zeven volle manden (Matteüs 15,32-38), volgens het aantal diakens (Handelingen  6,5).
Telkens gelastte Jezus zijn apostelen de menigte te spijzen. Dat konden zij niet uit zichzelf; ze konden alleen maar uitdelen wat Jezus persoonlijk gezegend had. Voor de toekomst werden volle manden toevertrouwd aan de Kerk, gestructureerd door de apostelen en de diakens.

Langs de Kerk naar God gaan, dat bevalt ons maar matig: wij hebben liever rechtstreeks met God te doen, zonder al die bemiddeling. Onze Kananese richt zich ook rechtstreeks tot Jezus. “Maar Hij gaf haar in het geheel geen antwoord” (23). Zij bidt, en God zwijgt. Is het omdat haar gebed niet goed is? Hoe bidt zij? Haar dochter is ziek. Toch zegt zij niet: “Heb medelijden met mijn dochter”, maar: “Heb medelijden met mij”. Zij identificeert zich met haar dochter. Om echt te bidden voor hen die lijden moet je durven met hen mee te lijden. Dat doet de Kananese. Haar gebed is echt, maar toch zwijgt God.

Dat heeft ook Jezus meegemaakt toen hij aan het kruis de psalm 22 bad, die Hem toen als op het lijf geschreven stond: “Mijn God, waarom hebt u mij verlaten?”. Anders dan in het vervolg van de psalm schijnt Hij niet verhoord te worden. Zou bidden dan nutteloos zijn? In de wereld schijnt er niets door te veranderen. De spotters onder het kruis hebben gelijk. Jezus van Nazaret wordt niet gered. God doet geen wonder, waarbij Jezus even van het kruis afstapt. God doet nooit een wonder waardoor geloven een moeten geloven zou worden, en vrij gegeven liefde onmogelijk wordt. Het wonder gebeurt, in stilte, achteraf, onttrokken aan onze observatie.
De Zoon van God, die met ons in de schepping is komen staan, onderwerpt zich aan de eigen kwantummechanische natuurwetten die gelden voor het heelal. Dat zijn de wetten waarop onze waarnemingen berusten. Op het moment dat Jezus sterft in volkomen overgave aan zijn Vader, overstijgt Hij deze wetten daar zijn menselijk lichaam binnengebracht wordt in onsterfelijkheid van God. Zijn gebed wordt verhoord op een hoger plan. En dat ontsnapt aan alle fysische waarneming.
Zo begrijpen we waarom de kerkvaders dit evangelie transponeren op een geestelijk plan en zeggen dat het dochtertje van de Kananese in feite onze ziel is die door de duivel belaagd wordt. Het gaat om een geestelijke genezing. Ze wordt niet natuurkundig vastgesteld.

In feite laat het zwijgen van God in een eerste tijd toe dat onze woorden uitgeput geraken, zodat we kunnen beginnen naar Hem te luisteren. Tezelfdertijd wordt de echtheid van ons gebed beproefd. Het echte gebed dooft niet uit als God zwijgt. Onze Kananese gaat door met roepen. En het lukt haar de apostelen op haar kant te krijgen, zodat ze voor haar tussenkomen. Dat is een belangrijk punt. De Kerk van Christus neemt het authentiek gebed ten laste van wie dan ook ter wereld. Het gebed van de mensheid dragen is misschien de eerste taak van de Kerk. Op zichzelf is geen enkel van onze gebeden in staat de oneindige afstand te overbruggen die ons scheidt van God. God zelf heeft een oneindige brug naar ons geworpen in Christus. Wij zenden onze gebeden naar God langs die brug, “door Christus onze Heer”.

De apostelen nemen het gebed van de Kananese ten laste, en vragen Jezus haar voldaan “weg te zenden” - hetzelfde werkwoord als na de broodvermenigvuldiging, waar Jezus de voldane menigte “wegzendt”. En nog altijd, na elke Eucharistie worden we “weggezonden”. Om verhoord te worden gebruiken de apostelen het grote argument: “Deze vrouw blijft ons achterna roepen”, deze vrouw bidt zoals u zelf het leert, want u zegt dat we in ons gebed moeten doen zoals de arme weduwe die gelijk kreeg van de onrechtvaardige rechter door hem onophoudelijk lastig te vallen en eindeloos de oren af te zagen (Lucas 18, 2-8). Of nog, dat we moeten bidden zoals die lastige vriend die om middernacht gaat aankloppen om drie broden te krijgen en blijft kloppen tot hij voldoening krijgt (Lucas 11, 5-10).  

Ja, maar is die Kananese echt volhardend? Jezus stelt haar extra op de proef. Jezus zegt eerst aan de apostelen dat Hij niets doet buiten zijn zending in Israël. Dat antwoord is geldig voor de apostelen binnen het instituut waar alles volgens de regels verloopt. Dat antwoord is echter niet geldig voor de Kananese die vindt dat Gods goedheid ook werkzaam mag zijn buiten de zending van het instituut. Haar geloof groeit boven het institutionele uit. En daarom geeft Jezus haar gelijk. Meteen is een perspectief geopend naar het geloof in Jezus buiten de structuren van het jodendom. 
De broodvermenigvuldiging die daarop volgt zal zeven volle manden kruimels opbrengen, volgens het getal der diakens die aangesteld zullen worden om de belangen te behartigen van de Hellenisten die tegen de Hebreeën begonnen te mopperen (Handelingen 6,1). Die diakens zullen het brood der kinderen geven, ook aan hen die de Joden zo hardvochtig ‘honden’ noemden.



Het geloof van de Kananese vrouw

Het evangelie zegt ons vandaag hoe we eraan toe zijn als wij bidden. De Kananese mag dan nog wel smeken: ze wordt niet verhoord. En wanneer ze dan toch aandringt, moet ze horen dat ze geen recht heeft op antwoord. De heidenen hadden het recht zich te bekeren tot het jodendom en proselieten te worden, maar de Kananeërs werd dit recht ontzegd: zij waren maar ‘honden’. Vanaf het begin van het verhaal is de toestand van de Kananese hopeloos.

Het gebed van de Kananese vrouw wordt dan toch verhoord wanneer ze vraagt om de kruimels die vallen van de tafel van de kinderen. Voor de eerste generatie van christenen was de betekenis van die kruimels helder: het verhaal van de Kananese vrouw is omkaderd door de twee verhalen van de broodvermenigvuldiging: nadat het volk verzadigd was deed Jezus de kruimels verzamelen, de eerste maal twaalf volle manden volgens het aantal apostelen (Matteüs 14, 15 - 21), de tweede maal zeven volle manden (Matteüs 15, 32 - 38), volgens het aantal diakens (Handelingen 6, 5): over de verrijzenis van Jezus heen, kijkt de evangelist naar de broodvermenigvuldiging als naar een symbool van de eucharistie.

Telkens gelastte Jezus zijn apostelen de menigte te spijzen. Dat konden zij niet uit zichzelf; ze konden alleen maar uitdelen wat Jezus persoonlijk gezegend had. Om in de toekomst uitgedeeld te worden worden volle manden toevertrouwd aan de Kerk, in de eerste tijd gestructureerd door de apostelen en de diakens / diaconessen.

Langs de Kerk naar God gaan, dat bevalt ons maar matig: wij hebben liever rechtstreeks met God te doen, zonder al die bemiddeling. Ook onze Kananese richt zich rechtstreeks tot Jezus. “Maar Hij gaf haar in het geheel geen antwoord” (Matteüs 15, 23). Zij bidt, en God zwijgt. Is het omdat haar gebed niet goed is? Hoe bidt zij? Haar dochter is ziek. Toch zegt zij niet: “Heb medelijden met mijn dochter”, maar: “Heb medelijden met mij”. Zij identificeert zich met haar dochter. Om echt te bidden voor hen die lijden moet je durven met hen mee te lijden. Dat doet de Kananese. Haar gebed is echt, maar toch zwijgt God.

Dat maakte Jezus ook mee toen Hij aan het kruis de psalm 22 bad, die Hem toen als op het lijf geschreven stond: “Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?”. Anders dan in het vervolg van de psalm schijnt hij niet verhoord te worden. Is bidden dan nutteloos? In de wereld schijnt er niets door te veranderen. De spotters onder het kruis hebben gelijk. Jezus van Nazaret wordt niet gered. God doet geen wonder, waarbij Jezus even van het kruis afstapt. God doet nooit een wonder waardoor geloven een 'moeten geloven' zou worden, en vrij gegeven liefde onmogelijk wordt. Het wonder gebeurt, in stilte, achteraf, aan onze observatie onttrokken.
De Zoon Gods, die met ons in de schepping is komen staan, onderwerpt zich aan de eigen natuurwetten die gelden voor het heelal. Op het moment dat Jezus sterft in volkomen overgave aan zijn Vader, overstijgt Hij deze wetten omdat zijn menselijk lichaam binnengebracht wordt in onsterfelijkheid van God. Zijn gebed wordt verhoord op een hoger plan. En dat ontsnapt aan alle fysische waarneming. Zo begrijpen we waarom de Kerkvaders dit evangelie transponeren op een geestelijk plan en zeggen dat het dochtertje van de Kananese in feite onze ziel is die door de duivel belaagd wordt. Het gaat om een geestelijke genezing. Ze wordt niet natuurkundig vastgesteld.

Gods zwijgen laat in een eerste tijd toe dat onze woorden uitgeput geraken, zodat we kunnen beginnen naar Hem te luisteren. Tezelfdertijd wordt de echtheid van ons gebed beproefd. Het echt gebed dooft niet uit als God zwijgt. Onze Kananese gaat door met roepen. En het lukt haar de apostelen op haar kant te krijgen zodat ze voor haar tussenkomen. Dat is een belangrijk punt. De Kerk van Christus neemt het authentiek gebed ten laste van wie dan ook ter wereld. Het gebed van de mensheid dragen is misschien de eerste taak van de Kerk. Op zichzelf is geen enkel van onze gebeden in staat de oneindige afstand te overbruggen die ons scheidt van God. God zelf heeft een oneindige brug naar ons geworpen in Christus. Wij zenden onze gebeden naar God “door Christus onze Heer”.
De apostelen nemen het gebed van de Kananese ten laste, en vragen Jezus haar voldaan “weg te zenden” - zelfde werkwoord als na de broodvermenigvuldiging, waar Jezus de voldane menigte “wegzendt” (Matteüs 14, 22). En nog altijd, na elke Eucharistie worden we “weggezonden”. Om verhoord te worden gebruiken de apostelen het grote argument: “Deze vrouw blijft ons achterna roepen”, deze vrouw bidt zoals gij zelf het leert, want ge zegt dat we in ons gebed moeten doen zoals de arme weduwe die gelijk kreeg van de onrechtvaardige rechter door hem onophoudelijk lastig te vallen en eindeloos te vervelen (Lucas 18, 2 - 8). Of nog, dat we moeten bidden zoals die lastige vriend die om middernacht gaat aankloppen om drie broden te krijgen en blijft kloppen tot hij voldoening krijgt (Lucas 11, 5 - 10).
Ja, maar is die Kananese echt volhardend? Jezus stelt haar extra op de proef. Jezus zegt eerst aan de apostelen dat Hij niets doet buiten zijn zending in Israël. Dat antwoord is geldig voor de apostelen binnen het instituut waar alles volgens de regels verloopt. Dat antwoord is echter niet geldig voor de Kananese die vindt dat Gods goedheid ook werkzaam mag zijn buiten de zending van het instituut. Haar geloof groeit boven het institutionele uit. En daarom geeft Jezus haar gelijk. Meteen is een perspectief geopend naar het geloof in Jezus buiten de structuren van het jodendom. De broodvermenigvuldiging die daarop volgt (Matteüs 15, 29-39), zal zeven volle manden kruimels opbrengen, volgens het getal der diakens die aangesteld zullen worden om de belangen te behartigen van de Hellenisten die tegen de Hebreeën begonnen te mopperen (Handelingen 6, 1). De diakens zullen het brood van de kinderen uitdelen, ook aan hen die de Joden zo hardvochtig honden noemden.



Eigen accenten van Matteüs

Jezus had met de Farizeeën een stormachtige ontmoeting (Matteüs 15, 1-20), en trok zich opnieuw terug (v. 21), dit keer in het heidense gebied van Tyrus en Sidon. Matteüs geeft echter de indruk dat Hij er niet intrekt. Het is eerder een vrouw die van daaruit komt om Hem te ontmoeten. Op afstand al ‘schreeuwt’ de Kanaänitische vrouw om hulp. Zij richt zich tot Jezus als tot de ‘Heer’ - zo bidden christenen van heidense stam - en als tot de ‘zoon van David’ - zoals christenen van Joodse afkomst die op Hem beroep doen. Maar Jezus ‘gaf haar geen enkel antwoord’ (v. 23).
Iemand als ‘heidense’ aanwijzen in plaats van ‘vreemdeling’ is niet onschuldig. Hier wordt de buitenlandse Syrofenicische van Marcus (Marcus 7, 26) bij Matteüs een Kanaänitische, een heidense, wat een ook een religieuze afstand uitdrukt. Want het jodendom aanvaarde wel heidense bekeerlingen, die ze "proselieten" noemden, maar geen Kanaänieten, omdat oude vetes hun integratie onmogelijk maakten: voor de joden bleven ze voor altijd uitgesloten (vgl. Deuteronomium 7,1-6, 20, 16-18). Een dergelijke discriminatie kan shockeren, maar voor de joden was bekeren niet alleen geloven in de ware God, maar zich ook onderwerpen aan zijn volk, en zich integreren in de joodse geschiedenis en gebruiken, een naturalisatie die voor een Kanaäniet heel moeilijk was.
Tegen zijn gewoonte voegt Matteüs hier een intermezzo in dat bij Marcus ontbreekt: de gebedskreet van de Kanaänitische vrouw die door de leerlingen als een ondraaglijk geblaf (v. 23) ervaren wordt. Ze zegden ooit: ‘Stuur de massa weg’, omdat ze er de zorg niet voor wilden opnemen (Matteüs 14,15). En hier: ‘Stuur haar weg’. Ook wij zijn geneigd om personen weg te sturen die ons hinderen. Bij Jezus heeft de dienstbare liefde voorrang, zelfs als Hij eraan herinnert dat Hij maar één zending heeft, die van Messias voor het volk van Israël (v. 24). Een zending die geïnspireerd is door de liefde van de Vader voor alle mensen.
De leerlingen mogen nu van het toneel verdwijnen. Het zijn de lezers die zich moeten ombuigen over de ontknoping van het verhaal.
En de Kanaänitische, die trotseert én Jezus’ zwijgen én de ergernis van de apostelen. Ze komt tot Jezus. De evangelist legt in haar mond een aanroeping die al gebruikelijk was in de christelijke liturgie: ‘Heer, kom mij ter hulp’ (v. 25). Maar het antwoord dat de vrouw krijgt, is een kwetsende weigering: de Messias moet de kinderen van God voeden, dat wil zeggen, Israël, en niet de heidense honden. Zelfs het verzachte ‘hondjes’, heeft iets minachtend in de mond van een Oosterling. Dit woord, gelegd in de mond van Jezus (v. 26), was ongetwij-feld een slogan bij de joodse christenen, die gekant waren tegen de zending naar de heidenen (vgl. Matteüs 7, 6).
In plaats van daar aanstoot aan te nemen, belijdt de Kanaänitische vrouw haar onderwerping: in de orde van de heilsgeschiedenis hebben de kinderen van Israël voorrang, ze zijn ‘meesters’; zij, een heidense, vraagt slechts ‘kruimels’ van dit mysterie van Gods keuze (v. 27). Zij drukt dan ook het geloof uit van een echte proseliet, niet alleen door de ware God te verkondigen, van wie Jezus de gezant is, maar ook de bevoorrechte status van Israël, waar Jezus de Messias van is. Zij plaatst Jezus in het centrum van haar geloof: tot tweemaal toe sprak ze een christelijke gebed uit (zie vers 22 en 24). Jezus verhoort haar in de mate van het vertrouwen dat ze in Hem heeft gesteld. Het verhaal besluit (v. 28) zoals dat van de honderdman (Matteüs 8, 13).
Het geloof in Christus komt dus voor als de enige vereiste voor de heidenen die willen deelnemen aan de tafel van de Kerk om er ‘het brood van de kinderen’ te ontvangen. Voor zijn gemeente van de jaren '80, trekt Matteüs uit dit voorval een les, vooral voor de christenen die weinig open stonden om bekeerlingen te aanvaarden. Jezus was trouw aan zijn zending als Messias van Israël. Maar Hij nam toch het voorbeeldige geloof van een heidense in acht. In soortgelijke gevallen hielden sommige joodse Schriftgeleerden al geen rekening met de regels van uitsluiting. Zou de Kerk dan haar deuren sluiten voor “Kanaänieten" die een groot geloof hebben in de Messias en het volk van God? Kan ze beperkingen opleggen aan de uitstraling van Christus?
De Kanaänitische vrouw is een voorbeeld van geloof voor de leerlingen. Voor hen is dit een gelegenheid om te ontdekken dat Jezus, die ze volgen, een uitstraling heeft die verder gaat dan de grenzen van Israël. Het verhaal van de tweede vermenigvuldiging van de broden dat hierop volgt (Matteüs 15, 32-36), kondigt aan dat het ‘brood der kinderen’ eens mensen van alle achtergronden zal voeden.