Loading...
 

21e zondag A, 24e zondag B, 12e zondag C, 29 juni: HH Petrus en Paulus - evangelie

Mor Christ

WIE ZEGGEN DE MENSEN DAT IK BEN?


...page... Wiki page pagination has not been enabled.

Lucas 9, 18-24: Belijdenis van Petrus

Matteüs 16, 13-20 // Marcus 8, 27-35 // Lucas 9, 18-24



De tekst

Dichter bij de tijd

Dichter bij de tijd
Op een dag is Jezus alleen aan het bidden.
Zijn leerlingen komen bij Hem.
Hij vraagt hun:
‘Wie zeggen de mensen dat Ik ben?’
Zij antwoorden:
‘Johannes de Doper.
Anderen zeggen Elia,
en nog anderen zeggen
dat een van de oude profeten is opgestaan’.
Daarop vraagt Hij:
‘En jullie, wie zeggen jullie dat Ik ben?’
Petrus antwoordt:
‘De Messias van God’.
Maar Jezus zegt:
‘Je mag hierover met iemand praten.
De Mensenzoon moet veel lijden,
De oudsten, hogepriesters en Schriftgeleerden
zullen Hem verwerpen en doden.
Maar op de derde dag zal Hij verrijzen’.
Terwijl Hij zijn leerlingen één voor én aankijkt,
zegt Hij:
‘Als iemand met Mij wil meegaan,
dan moet hij zichzelf vergeten,
elke dag zijn kruis opnemen
en Mij volgen.
Want wie zijn leven wil redden,
zal het verliezen,
maar wie zijn leven verliest
omwille van Mij,
die zal het redden’.



Stilstaan bij ...

Bidden
Bidden is te vergelijken met spreken: men zegt tot God wat men hoopt, gelooft, verwacht...
Maar bidden is ook te vergelijken met luisteren: men probeert stil te worden om God beter te leren kennen. Zo voelt men beter aan wat God verwacht.


Johannes (Hebreeuws = ‘God is genadig’) de doper
Zoon van de priester Zacharias en zijn vrouw Elisabet. Hij was een prediker die leerlingen om zich heen verzamelde en mensen doopte die zijn volgeling werden. Omdat hij kritiek had op de levenswijze van koning Herodes, werd hij gevangen genomen en gedood.


Elia (Hebreeuws = Mijn God is JHWH)
Eén van de belangrijkste profeten in het Oude Testament. Hij leefde in de 8ste eeuw voor Christus, een tijd waarin Israël afgoden vereerde. Hij trad op als de profeet die de verering van JHWH terug centraal stelde, geheel in de lijn van de betekenis van zijn naam.


Petrus (Grieks = petra = rots)
Petrus was een visser uit Betsaïda. Hij was de belangrijkste in de groep van de apostelen. Rond het jaar 67 stierf hij de marteldood onder keizer Nero en werd begraven buiten de stadsmuren van Rome. De Sint-Pietersbasiliek staat bovenop zijn graf.


Gezalfde van God (Hebreeuws = Messias; Grieks / Latijn = Christus)
Tijdens de Babylonische ballingschap keek het joodse volk uit naar een Messias, iemand die vrede zal brengen.
Men kon bij het vertalen net zo goed het Griekse woord ‘Christus’ gebruiken, maar omdat heel wat mensen het woord ‘Christus’ ervaren als familienaam, plaatst deze omschrijving Jezus duidelijker binnen de joodse verwachting van een Messias.


Verbieden
Jezus verbood zijn leerlingen om over Hem te spreken als een Messias, om te vermijden dat mensen van Hem zouden verwachten dat Hij een politieke Messias zou zijn, die hen zou verlossen van de Romeinen.


Mensenzoon
De profeten gebruikten het woord ‘mensenzoon’ om een mens aan te duiden in zijn sterfelijkheid en nietigheid. De profeet Daniël spreekt over de Mensenzoon als iemand die betrokken is bij het einde der tijden.


Oudsten
Dit waren de hoofden van de voornaamste families. Zij hadden een leidinggevende positie in Israël.


Hogepriester
Priester die aan het hoofd stond van de priesters en de levieten. Hij was ook de voorzitter van het Sanhedrin, de Grote Raad.


Schriftgeleerden
Schriftgeleerden waren vooraanstaande leraars in de tijd van Jezus. Ze bestudeerden de Wet en waren de geestelijke leiders van het volk. Sommigen hadden leerlingen die zich onder hun leiding schoolden in de Wet. Naast de geschreven Wet, hielden ze zich ook aan de mondelinge overlevering.


Derde dag
In de bijbel doet het getal drie aan God denken. De derde dag is dan het moment (dag, periode) waarop God zich aan de mens laat kennen. Het moment waarop de mens voelt en weet: God laat mij niet in de steek.


Zijn kruis opnemen
Beeldspraak voor het aanvaarden van het lijden.





Bij de tekst

Merk op

Jezus gebruikt zelf het woord Gezalfde / Messias / Christus niet. Het was een woord dat gemakkelijk begrepen kon worden als ‘politiek leider’, iets wat Jezus niet wilde zijn. Jezus spreekt over zichzelf wel als ‘de Mensenzoon’.



Caesarea Filippi (Panias / Panion / Banyas)

Volgens Matteüs 16, 13 en Marcus 8, 27 vond dit gesprek plaats in de streek van Caesarea Filippi. Dit was in de oudheid een stad die zich bevond aan de zuidelijke voet van de berg Hermon (berg), dichtbij de bronnen van de Jordaan.
'Caesarea' verwijst naar keizer Augustus; 'Fillippi' verwijst naar Filippus, de broer van koning Herodes Antipas (= zoon van koning Herodes de Grote, die opdracht gaf voor de kindermoord in Betlehem).
Lees meer over deze stad.





Praktische informatie

Bij het materiaal dat u op deze site vindt, hoort een map.
'Bijbel in 1000 seconden' bevat een verzameling van ongeveer 227 fiches die stilstaan bij lezingen in het kerkelijk jaar.

Die map is te verkrijgen via: info aan bijbelin1000seconden.be
of via het: Uitgeverij Halewijn, Halewijnlaan 92, 2050 Antwerpen
Telefoon: 03/210 08 14; Mail: halewijn.uitgaven aan kerknet.be

De fiche die hoort bij Matteüs 16, 13-20; Marcus 8, 27-35; Lucas 9, 18-24, bevat:
. De Bijbeltekst
. Informatie bij de tekst
. De Bijbeltekst die 'Dichter bij de tijd' herschreven werd
. Extra informatie






Vragen van kinderen

Waarom wordt Petrus meestal afgebeeld met sleutels in zijn hand? - Joren, 11 jaar
(C. LETERME in Samuel n2006, nr 9, p. 2)

Op een dag vroeg Jezus aan zijn leerlingen: 'En jullie, wie zeggen jullie dat Ik ben?'
Simon antwoordde: 'Jij bent de Messias, de zoon van de levende God.
Toen zei Jezus: 'Jij bent Petrus, en op deze rots zal ik mijn kerk bouwen.'
Omwille van het sterke geloof van Petrus, heeft Jezus aan hem zijn kerk toevertrouwd.
Jezus zei ook: 'Ik zal je de sleutels van het koninkrijk geven.'
Met sleutels kan men deuren sluiten, maar ook openen.
De 'sleutels' die Petrus kreeg, moeten dienen
om het Rijk van God toegankelijk te maken voor de mensen.
Een grote verantwoordelijkheid voor Petrus en al zijn opvolgers, die paus genoemd worden.
Om dat niet te vergeten staan op de wapenschilden van de paus en van het Vaticaan
dezelfde sleutels die je kunt zien bij de beelden van Petrus.





Suggesties

Kleine kinderen

DOEN

Een grote bloem

Vooraf
Knip een aantal bloembladen, die groot genoeg zodat kleine kinderen erin kunnen tekenen, en een bloemhartje uit geel papier waarin je de naam 'JEZUS' schrijft.


Verloop
De kinderen vertellen wat ze over Jezus weten. Daarna tekenen ze over Jezus in een bloemblaadje. Schik nadien al deze bladen rond het 'bloemhartje' waarin de naam Jezus staat.





SPREKEN MET BEELDEN

'Op een rots kun je rekenen'

Twee mannen zoeken een plek om een huis te bouwen.

De ene man klimt op een grote rots. ‘Dit is een prima plek’, denkt hij.
Hij begint te bouwen. Hij bouwt en sjouwt de hele dag.
Eindelijk is het huis klaar.
‘Precies op tijd,‘ zegt hij, ‘ik geloof dat het gaat regenen.’
Het begint te regenen. Het dondert en bliksemt.
Het water klotst tegen de rots. Maar de rots staat stevig.

Een andere man wil ook een huis bouwen.
‘Deze plek is goed’ zegt hij. Hij bouwt zijn huis op zand.
Als hij klaar is met zijn huis, gaat hij naar binnen en doet de deur dicht.
Maar dan begint het te regenen. Het dondert en het bliksemt.
Het water stroomt zijn huis binnen. Zijn voeten worden nat.
Het zand onder zijn huis spoelt weg. Zijn hele huis valt in elkaar!



Wie van de volgende kinderen is als een rots en wie is er als zand?

O Nathalie bereidt zich voor op haar eerste communie.
Ze kijkt de hele avond TV.
Gisteren had ze haar jongere broertje beloofd om met hem te spelen.

O Janne hoort over Jezus vertellen.
Wanneer Kobe van de andere klas op de grond valt,
is ze de eerste om hem terug recht te helpen.

O Michael zit in de derde klas.
Hij krijgt goede punten voor ‘godsdienst’.
Als hij thuis is speelt hij altijd in zijn eentje videospelletjes.

O Boris heeft het moeilijk om verhalen over Jezus na te vertellen.
Als hij thuis komt helpt hij zijn moeder bij het klaarmaken van het eten.

O Sofie heeft al driemaal haar kinderbijbel uitgelezen.
Als ze hoort dat iemand van de klas ziek is,
telefoneert ze nog diezelfde dag om te vragen hoe het gaat.

O Thomas hoorde het verhaal over een vader die zijn zoon vergeeft.
Maar Thomas kan de vriend die van hem kwaad heeft gesproken, niet vergeven,
zelfs al heeft die gezegd dat het hem spijt.





EXTRA

Klik hier voor meer suggesties.





Grote kinderen

ONDERZOEKEN

Namen geven

(Naar: C. LETERME in Samuel plus, Uitgeverij Averbode,2006 nr9)

Sta stil bij de reden waarom mensen een bepaalde naam geven aan hun kinderen:
- een mooi klinkende naam
- een naam van iemand waarvoor ze bewondering en/of waardering voor hebben
- een naam die een betekenis heeft.
Vertel dat mensen vroeger heel veel belang hechtten aan de betekenis van een naam. In de betekenis van zo'n naam lag meteen het levensprogramma van het kind dat die naam droeg.
(Illustreer eventueel a.h.v. namen van kinderen in de groep of van familieleden)


In sommige situaties veranderen mensen hun naam
- zangers zoeken een pseudoniem (illustreer) - sommige schrijvers doen dat ook
- paters en zusters kregen een andere naam bij het uitspreken van hun geloften
(bv. Jozef De Veuster werd Pater Damiaan)
- een kardinaal die paus wordt, krijgt een nieuwe naam
(bv. Jorge Mario Bergoglio werd paus Franciscus)
- in sommige jeugdbewegingen krijgen de leden een nieuwe naam met eventueel een typische eigenschap erbij. (illustreer met de eigen 'totem' of die van familieleden, vrienden, ev. van kinderen in de groep)

De kinderen zoeken in groepen van vier naar een geschikte nieuwe naam voor ieder in het groepje.
Beperking: de woorden mogen alleen verwijzen naar elementen / wezens in de natuur.

Vertel dat Simon van Jezus een nieuwe naam krijgt: Petrus. Die naam betekent: 'rots' of 'kei'.
Laat de kinderen zelf even nadenken waarom men iemand 'steen' of 'rots' of 'kei' zou kunnen noemen.





SPREKEN MET BEELDEN

Een werkblad als leidraad

Materiaal
Maak een kopie van dit werkblad.


Verloop
Lees eerst het evangelie van deze zondag voor.
Nadien kun je ingaan op het feit dat Petrus met sleutels afgebeeld wordt en dat die sleutels ook voorkomen op het wapenschild van de paus.



De sleutels van het rijk van God

(Geïnspireerd door: J. BRUGMAN, Prettige zondag, Kinderwoorddiensten voor het jaar A, Gooi en sticht Baarn,1995)

Materiaal
Kopieën van een blad papier waarop een sleutel getekend staat.


Verloop
Bespreek met de kinderen wat men allemaal kan doen met een sleutel.
Op slot doen, maar ook openmaken.
Er is iets wat je niet kunt zien, en dat je met een sleutel kunt zichtbaar maken.
Zo is het ook met het Rijk van God. Dat is verborgen, maar Petrus krijgt er de sleutels van. Hij moet ervoor zorgen dat dit Rijk van God zichtbaar wordt.
De kinderen krijgen per twee /drie/vier een 'sleutel'.
Rond de tekening van de sleutel schrijven of tekenen ze hoe zij het Rijk van God zichtbaar kunnen maken.





VERDIEPEN

Vloergesprek

Materiaal
flap / groot papier met daarop de vraag: Wie is Jezus voor jou?


Verloop
Leg de flap met de vraag op de grond. Laat de kinderen een paar minuten nadenken over hun antwoord op die vraag. Daarna noteren ze in stilte hun antwoord op de flap. Nadien mogen ze hun antwoord toelichten.

Lees dan het evangelie voor.

Sta stil bij het merkwaardig antwoord van Petrus op diezelfde vraag en de betekenis van het woord Messias.
Het is niet onbelangrijk bij dit woord stil te staan, omdat het vaak in de evangelies terug komt én omdat het in zijn Griekse vertaling (nl Christus) zo gekoppeld is aan Jezus, dat veel kinderen (en ook volwassenen) foutief denken dat Christus de familienaam van Jezus is. Vermeld zeker dat de titel Messias (Christus) iets duidelijk maakt over de nauwe relatie tussen Jezus en God.





BELEVEN

Een nieuwe naam, een nieuwe opdracht

(C.L. 13/02/2017)

Stop in een doos allerlei kleine voorwerpen. Bijvoorbeeld: een steentje, een schaar, een potlood, een papier, een zakdoek / een pakje papieren zakdoekjes, een ring, een takje, een stoffen bloem, een drinkbeker, een flesje water ...

De kinderen zitten in een kring. In het midden van die kring leg je een stuk stof. Haal één voor één alle voorwerpen uit de doos en leg ze op dat stuk stof.
Vraag de kinderen om naar rechts te kijken naar wie daar zit. Daarna zoeken ze tussen de voorwerpen hét voorwerp uit dat iets zegt over de persoon die naast hen zit.
Dit voorwerp nemen ze niet vast. Ze schrijven wel op een papiertje welk voorwerp ze gekozen hebben (om te vermijden dat ze in de gespreksronde nadien nog vlug van idee zouden veranderen)

Daarna vertellen ze één voor één welk voorwerp het best iets zegt over wie rechts van hen zit.

Vertel daarna over dat Jezus Petrus vergeleek met een kei / een rots. Waarom zou dat zijn? Toen Petrus dat hoorde, zag hij in zijn nieuwe naam een opdracht.

Laat de kinderen bij het voorwerp dat ze gekregen hebben zoeken naar welke opdracht dat voor hen zou kunnen zijn. Eventueel kunnen anderen hen daarbij helpen.



'Keien van christenen'

De kinderen tekenen een berg van zes rotsblokken.
Daarna schrijven ze in elke rotsblok waarin mensen een kei moeten zijn, als Jezus op hen wil rekenen.
Nadien kleuren ze het rotsblok dat het meest op hen van toepassing is.





VERTELLEN

Quo vadis?

(C. LETERME, Een parel voor elke dag, uitg. Averbode, 2007, p. 185)

Toen Nero keizer van Rome was,
vervolgde hij vele christenen en liet hen doden.
De christenen die aan die vervolgingen ontsnapt waren,
vreesden niet alleen voor hun eigen leven,
maar ook voor dat van Petrus en Paulus,
de belangrijkste apostelen.
Daarom zeiden ze aan Petrus:
- Ga een tijdje weg uit Rome.
Ga naar Sicilië. Daar zul je veilig zijn.
Petrus liet zich overtuigen.

Voor dag en dauw vertrok hij uit Rome,
samen met Nazarius.
Het was nog donker.
Petrus zag in de verte iemand naar hem toekomen.
- Zie je die man op ons afkomen, Nazarius?
- Nee, meester, ik zie niets, zei Nazarius.
- Zie je dan niemand?
Plotseling wierp Petrus zich op zijn knieën.
- Domine, quo vadis? (Heer, waar ga je naartoe?) vroeg Petrus.
Toen zei een stem:
- Jij verlaat je medechristenen, Petrus.
Daarom ga ik naar Rome
om voor de tweede keer gekruisigd te worden.

Petrus was hierdoor erg getroffen.
Hij wist dat het Christus was die zo tot hem sprak.
En in plaats van naar het rustige en veilige Sicilië te gaan,
ging hij terug naar Rome.


Deze legende is verbonden aan een kerk aan de via Appia, enkele kilometers
buiten Rome, waar boven op de deur het opschrift staat: ‘Domine, quo vadis?’




Bij het verhaal
(C. LETERME in Kerk en leven, Federatie Rotselaar, 24 juni 2015, p. 1)

Waar ga je naartoe?
Een vraag die in deze tijd van het jaar vaak gesteld wordt. Als antwoord krijg je dan een vakantiebestemming, dichtbij of veraf. Met steeds de ondertoon van een deugddoende tijd die niet doorkruist wordt met de zorgen voor het werk, de planning in het huishouden, het tegenvallende weer, de files die het dagschema in de war brengen ...

Waar ga je naartoe?
Die vraag kun je ook anders lezen. Niet zo letterlijk! Je hoort dan: wat ben je van plan met je leven? Wat wil je ermee aanvangen? Wat doe je met de uitdagingen die op je afkomen? Wat vind je het belangrijkste in je leven?

Waar ga je naartoe?
Toen keizer Nero de eerste christenen vervolgde en doodde, wilde Petrus uit Rome wegvluchten. Onderweg op de via Appia zag hij Jezus op hem afkomen. Petrus vroeg hem waar Hij naartoe ging. Jezus zei dat Hij in zijn plaats naar Rome ging. Hij wilde de christenen blijven bijstaan, zelfs al zou Hem dat nog eens zijn leven kosten.

Waar ga je naartoe?
Neem jij je verantwoordelijkheid op? Zelfs als dit grote gevolgen heeft voor je eigen leven. Laat je mensen in de steek, zoals Petrus, die wilde vluchten naar Sicilië? Of wil je je juist met hen inlaten, zoals Jezus?

Waar ga je naartoe?
Het antwoord op die vraag kan je heel diep raken. De bestemming die je opgeeft kan bepalend zijn voor de weg die je gaat, je manier van leven. De plaats waar christenen uiteindelijk naartoe willen is wat Jezus het 'Rijk van God' noemde: de plaats waar iedereen gelukkig is. Al is de bestemming duidelijk, de reisroute is dat niet! Dat maakt het er niet gemakkelijker op!

Waar ga je naartoe?
Toen Petrus het antwoord van Jezus op die vraag hoorde, keerde hij zich om, en ging terug naar Rome. Na zijn ontmoeting met Jezus was het voor hem duidelijk dat hij zijn medechristenen niet in de steek mocht laten. Als plaatsvervanger van Jezus was hij verantwoordelijk voor hen.

Waar ga je naartoe?





DOEN

Keien van mensen

Materiaal
Voor elk kind een kei.
Plakkaatverf, penselen, viltstift, witte knutsellijm.


Verloop
De kinderen maken de keien goed schoon.
Daarna beschilderen ze hun keien in hun favoriete kleur.
Ze verdunnen de verf niet (er wordt wel wat witte knutsellijm opgelost in een beetje water dat wordt toegevoegd aan de verf, zodat die zich beter aan de kei hecht.)
Daarna schrijven de kinderen op de stenen de naam van een persoon die voor hen een 'kei' van een persoon is.
Dan leggen ze alle versierde keien in één lange rij.





BIDDEN

Een nieuwe naam

(K. Van Cleynenbreugel in Simon 4, 2016-2017, p. 16)

Jezus gaf zijn beste vriend Simon
een nieuwe naam.
Hij zei: 'Ik noem jou Petrus,
want jij bent voor mij als een rots.
Jou kan ik vertrouwen.
Jij bent een man uit één stuk,
eentje om op te bouwen.'

Ik vind dat mooi, God,
om écht voor een vriend te kiezen
en hem een nieuwe naam te schenken.
Mag ik dat ook voor jou doen?
Wat dacht Je van: 'Allerbeste Vriend'
en 'Jij die naar mij luistert',
'Stromend Water' of 'Kriebelend Gras'.
Kies maar God.

Voor mij ben je het allemaal.





EXTRA

Klik hier voor nog meer suggesties.





Overwegingen

Frans Mistiaen sj

Ons kruis dragen, weerloos maar liefdevol (C-jaar)

Wij staan vandaag stil bij de vraag van de Heer:
"Wie zegt gij dat ik ben?"
Het is een vraag gesteld aan Petrus,
dus aan de Kerk, dus aan ieder van ons.
Op elk keerpunt van ons leven,
bij elke diepe levenservaring,
bij elke ingrijpende verandering
stelt de Heer ons opnieuw de vraag:
"Wie ben Ik eigenlijk voor u?"
En dat is niet zozeer een vraag
of wij weten wie Jezus theoretische, theologisch is.
Het is vooral een vraag naar onze concrete relatie tot Hem:
"Wilt gij u voor mij engageren
op dit moment waar gij nu staat?"

Petrus meent het goede antwoord te geven
en zegt: "Voor mij, Heer, zijt Gij de Christus,
dat betekent de Messias, de Redder!"
Maar Jezus doorziet de dubbelzinnigheid van deze benaming.
Want, welke soort "Redder" bedoelt Petrus dan wel?
En welke “methode van redden” stelt hij zich daarbij voor?
Voor velen - en blijkbaar ook nog voor Petrus -
betekende "de Christus, de Messias":
een zeer aardse bevrijder, een politieke leider,
en - gezien de toestand van Palestina -
de bevrijder van de Romeinse bezetter.
En de methode die men zich daarbij voorstelde was:
het veroveren van de politieke macht.
Nu is Jezus geen Bevrijder, die onze aardse verlangens,
hoe terecht ook, inwilligt.
Hij komt niet uit de hemel neer om hier voor ons iets te veroveren.
De christelijke God wil Zich nooit in de plaats zetten
van onze menselijke verantwoordelijkheid.
Jezus is op een heel andere manier "Redder".
Met volledig respect voor onze vrijheid
is Hij de innerlijke, uitnodigende liefdekracht,
die het hart van elke mens bezielt en inspireert,
en zo de wereld van binnenuit wil vernieuwen.
Jezus wil onze Bevrijder zijn,
niet door spectaculaire, uiterlijke ingrepen,
wel door Zijn stille liefdekracht
die onze medewerking vraagt en nodig heeft.
Daardoor is Zijn methode ook zo heel anders dan verwacht.
Niet de methode van de uiterlijke macht en het geweld,
maar van de weerloze liefde.
Als God Zich vooral zou tonen
in macht en majesteit, overweldigend,
dan zou Hij toch wel grotendeels
het vrije antwoord van de mens verhinderen.
De weerloosheid van Jezus is een beter teken om te tonen
dat God Liefde wil zijn zonder dwang,
die ons tot een antwoord uitnodigt
en onze vrije overgave mogelijk laat.

Ons engageren voor Jezus, betekent dus,
Hem volgen in Zijn methode van de weerloosheid,
en niet van het recht van de sterkste.
Jezus noemt dat "zijn kruis opnemen, dragen".
Dit wil niet zeggen dat de christenen het lijden moeten zoeken.
Het lijden is er. Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen leed.
Het leven zelf brengt voldoende tegenkantingen,
beperktheden, onmacht, zelfs lijden mee.
Elk huisje heeft zijn kruisje.
Neen, Jezus vraagt niet dat wij het lijden zouden opzoeken.
Dat zou mensonwaardig en religieus hoogmoedig zijn.
Maar - wij weten het - echte liefde brengt altijd mee
dat wij onszelf achteruit stellen,
ons eigenbelang vergeten en anderen laten voorgaan.
De Heer vraagt ons vandaag
dat wij het kruis van onze beperktheden
zouden "dragen", elke dag.
Dragen! d.w.z. niet ontvluchten, niet loom voortslepen,
er niet wanhopig onder gebukt gaan.
Maar de moeilijkheden die wij toch ondervinden, torsen,
er onze schouder, nog beter ons hart durven onder steken,
ze dragen met de kracht van een liefdevolle overgave.
Onze onmacht dragen als een kruis betekent,
zoals Jezus, ondanks weerloosheid,
vol vertrouwen blijven,
vol overgave, vol vergevensgezindheid,
zo liefdevol mogelijk, zelfs bij alles wat ons overkomt.

De eigenlijke vraag van vandaag is dus
of wij ons voor Jezus willen engageren,
ook in Zijn methode van liefdevolle weerloosheid.

En, indien wij soms zouden de indruk krijgen
dat dit kruis ons te zwaar wordt,
laat ons dan maar goed beseffen
dat wij, die de Heer volgen, achter Hem stappen,
maar dat Hij voorop gaat
en het zwaarste deel van ons kruis torst
met de liefde van Zijn hart.

Aan die Redder durven wij ons toevertrouwen,
ook vandaag!



De sleutels van het liefderijk aan ons toevertrouwd

"En gij, wie zegt gij dat ik ben?”
Dit is een vraag gesteld aan Petrus,
dus aan de Kerk, dus aan ieder van ons.
Jezus stelt ons die vraag niet eenmaal, maar voortdurend opnieuw,
op elk keerpunt van ons leven, bij elke ingrijpende levenservaring,
bij elke belangrijke verandering:
“Wie ben ik nu eigenlijk voor u op het punt waar gij nu staat?”
 
De idee die wij hebben over Jezus kan verschillen en evolueren
naargelang onze meest ingrijpende levenservaringen.
Wij zien Jezus anders in onze jeugd vol hoopvolle ontdekkingen,
dan bij onze engagementen en verantwoordelijkheden als volwassene,
of met de zorgen over onze gezondheid of over de kleinkinderen
als gepensioneerde.
Voor de één is Jezus Iemand
die vooral vrede en vergeving kan brengen in zijn onrustige ziel.
Voor een andere is Hij Diegene die vooral oproept
tot protest tegen het onrecht. Beiden hebben wellicht gelijk.
Maar andere opvattingen over Jezus zijn misschien minder correct
en moeten uitgezuiverd worden.
Als wij horen wat sommigen in hun gebed aan Jezus durven vragen
dan lijkt Hij op de eerste plaats een grote Tovenaar
die de macht zou bezitten te geven wat de mensen wensen:
goed vakantieweer, geluk in het spel, succes in de zaken.
Als wij ons Jezus zo voorstellen dan is het niet te verwonderen
dat wij over Hem vlug ontgoocheld geraken
en tegen Hem boos en opstandig worden.
Een opstandigheid die eigenlijk heilzaam is.
Want daarmee verbrijzelen wij niet de echte Jezus,
maar een vals beeld die wij ons over Hem hebben gevormd.
Neen, Hij is nooit de grote Wonderdoener die onze grillen inwilligt
of de moeilijkheden in onze plaats kan komen oplossen.
Wie is Hij dan wel? Steeds opnieuw klinkt de vraag:
"Wie zegt gij dat Ik ben? Wie ben ik eigenlijk in uw ogen?"
 
Het uiteindelijk antwoord leren wij uit het evangelie van vandaag:
"Gij, Heer, Gij zijt de Zoon van de Levende God!”
En dat betekent dat ik Jezus erken als de diepste Drager
van mijn wezen, mijn Hoop, de Bron van heel mijn leven;
anders gezegd: dat de zichzelf gevende en dienstbare liefde,
zoals Jezus ons heeft voorgeleeft,
de kracht is van mijn bestaan, sterker dan elke beperking of dood.
Dan aanvaard ik dat die zichzelf gevende en dienstbare liefde
het uiteindelijk criterium wordt voor de keuze
die ik op dit moment van mijn leven te maken heb.
Een echte geloofsbelijdenis dus,
die geen inzichtelijke aanvaarding is van een geloofswaarheid,
maar een bezield engagement in de persoon van Jezus Christus,
Heer van de wereld, en in Zijn liefde,
die de concrete keuzes van mijn leven mag blijven bezielen,
telkens opnieuw, daar waar ik nu sta.
 
Na deze geloofsbelijdenis geeft Jezus een nieuwe naam aan Petrus,
dus aan de Kerk, dus aan ieder van ons.
Door die nieuwe naam openbaart Hij aan Petrus,
dieper dan al zijn talenten of gebreken,
de kern van zijn persoonlijkheid, zijn uiteindelijke levensopdracht:
‘Rots zijn’ waarop de kerkgemeenschap kan bouwen.
Ook wij, die hier in geloof en dienstbaarheid
een christelijke gemeenschap proberen te vormen,
worden uitgenodigd “rotsen” te zijn, steunpunten,
waar mensen rondom ons hulp vinden
om Jezus' liefde gestalte te geven in onze wereld van vandaag.
 
Daarbij geeft Jezus de sleutels van het liefderijk aan Petrus,
dus aan de Kerk, dus aan ieder van ons.
Over het algemeen geven wij onze sleutels niet graag
aan iemand anders, want dan krijgt die toegang
tot iets zeer persoonlijks en kostbaars.
Als wij uitzonderlijk onze sleutels toch aan iemand geven, dan voelen
wij dat wij hem een stuk van onze persoonlijkheid toevertrouwen.
En dat is nu juist wat Jezus doet.
Zijn persoonlijkheid toevertrouwen aan Petrus,
dus aan de Kerk, dus aan ieder van ons.
Voortaan dragen wij de verantwoordelijkheid
om de kern van Jezus' persoonlijkheid, Zijn dienende liefde,
over heel de aarde uit te dragen,
om het koninkrijk van Zijn liefde waar te maken.
Wat een vertrouwen! Wat een verantwoordelijkheid!
Wat een opdracht! God vertrouwt Zichzelf toe aan onze mensen-
handen en geeft ons volmacht om Zijn werk te volbrengen.



Marc Gallant, monnik te Orval

Overweging 1

Telkens wanneer Lucas vermeldt dat Jezus bidt in de eenzaamheid, mogen we ons verwachten aan een belangrijk keerpunt in Jezus’ zending. Het was niet hun gewoonte, maar nu waren ook zijn leerlingen met Hem (“sunèsan”) in de afzondering, zoals al onze vertalingen Lucas weergeven, (uitgenomen Luther die vertaalt: “zijn leerlingen kwamen bij Hem”, en deze passage klaarblijkelijk verwart met het “apèlthon pros auton” van Marcus 3,13). Jezus heeft zijn leerlingen geconvoceerd om met hem te bidden. Het wordt dus een zeer belangrijke wending in zijn zending, een ontmoeting in geest van gebed en geloof waarbij Hij zijn relatie met zijn leerlingen in het reine zal trekken: wie zijn we voor elkaar? Wie ben ik voor u, en uiteindelijk, wie ben ik in werkelijkheid?

Jezus leidt zeer pedagogisch de kwestie in met de vraag: “Wie zeggen de mensen dat Ik ben?” Het antwoord is ontstellend: voor de mensen is Jezus niet wie Hij is, maar iemand anders, een of ander profeet of zelfs Johannes de Doper. Ook Herodes stelde zich de vraag wie Jezus was. Volgens Matteüs (14, 2) zegde hij aan zijn hofhouding: ”Het is Johannes de Doper, hij is uit de doden opgestaan, vandaar zijn wondere krachten”. Lucas, die altijd zeer precies is als het over Herodes gaat, laat hier een andere klank horen. Toen Herodes de mare hoorde dat Johannes in Jezus teruggekomen was, zegde hij: “Johannes, die heb ik doen onthoofden. Maar wie is die man waar zoveel over hoor?” (Lucas 9,9). Voor Lucas neemt Herodes afstand van het naïeve reïncarnatiegeloof van de gewone mens.

Dat reïncarnatiegeloof loopt nog altijd verder. Het is begrijpelijk in onze maatschappij waar de publiciteit bedrieglijk geluk voorstelt en modellen voorhoudt waaraan je moet beantwoorden: dat maakt veel gefrustreerde mensen, niet in staat hun eigen originaliteit te herkennen en die zich moeten refereren naar een of ander personage om er hun bestaan aan te knopen. Het is ook waar dat de reïncarnatie toelaat alles altijd te herbeginnen, en zo te ontsnappen aan de persoonlijke verantwoordelijkheid, en dat is meegenomen als het toch de media zijn die de waardenormen bepalen en denken in je plaats. Maar de prijs is dat je het zoveelste serienummer wordt, de zoveelste copie of heruitgave zonder eigen originaliteit.

Jezus past absoluut niet in dat soort gedachtegang. Hij is enig. Hij past in geen enkele categorie. Voor hem is ook elk persoon enig. Toen Jezus Simon ontmoette heeft Hij hem in de ogen gezien en hem uit het gewone getrokken door hem de nieuwe naam Petrus te geven met een levensproject, een zending en een verantwoordelijkheid. Nu benoemt Petrus op zijn beurt Jezus met een nieuwe naam: “Gij zijt de Gezalfde Gods”. In een persoonlijke relatie verheffen beide partners elkaar boven het gewone. Jezus spreekt Petrus daarop niet tegen, maar Hij verbiedt onmiddellijk zijn leerlingen daarover te spreken: Hij is de ‘Gezalfde Gods’, maar Hij beantwoordt niet aan de gangbare volkse voorstelling van de Messias. Een kleine tachtig jaar voordien had de Psalm van Salomo 17, de Messias beschreven. In die farizeïsche tekst verjaagt de Messias alle vreemde heersers en allochtonen uit het Heilig Land om er alle onreinheid te weren, en hij regeert over alle volkeren vanuit Jeruzalem. Dat was de algemene opvatting en verwachting.

Jezus geeft een totaal ander beeld van de Messias, en het is, op eerste zicht, allesbehalve enthousiasmerend. Een Messias die moet lijden en sterven beantwoordt helemaal niet aan onze verwachting, noch aan onze voorstelling van God of van zijn gevolmachtigde Messias die ons zouden moeten redden uit het onaanvaardbare, het lijden en de dood. We willen nog wel aannemen dat God ons daaruit redt, maar niet dat Hij met ons wil zijn in onze menselijke conditie. Eigenlijk hebben we een paternalistisch godsbeeld: een God die, van ver, de touwtjes trekt, een God die neerbuigend vanuit zijn hoge hemel ons met een lange arm uit onze penarie helpt. Maar God is niet neerbuigend. Hij is Liefde: Hij wil dus met ons zijn. Dat is de revolutie die Jezus ons brengt. En die reikt ver.

Jezus volgen kan dan nooit een evasie worden uit onze begrensde aardse werkelijkheid. We moeten juist de harde realiteit niet ontvluchten als God die met ons komt beleven. Jezus volgen is elke dag het kruis opnemen van onze begrenzingen, onze zwakheden, onze mislukkingen en ons lijden, aan de hand van Hem die ons voorgaat. Het is misschien een harde weg, maar weten er ons niet alleen. Wie zijn leven wil redden door te ontsnappen aan de werkelijkheid, zal het verliezen in irreële dromen.
God is immers dé Werkelijkheid.



Overweging 2

Na twee jaar in het openbaar te zijn opgetreden wil Jezus evalueren hoe Hij overkomt bij het volk, en hij stelt de vraag aan de apostelen: ”Wie ben Ik volgens de mensen?” Hij krijgt een teleurstellend antwoord.  De mensen denken dat hij de reïncarnatie is van ergens iemand uit het verleden. Een spookfiguur dus. Als je een reïncarnatie bent, dan ben je maar een repetitienummer zonder eigen inhoud of verantwoordelijkheid. Je komt nog even Elia of Johannes de Doper overdoen: je komt nog even spoken. Je bent zomaar iets uit het verleden: een povere uitgebluste Messias. Dat is dan de opvatting van de mensen … Zijn we er nu beter aan toe?

Jezus keert zich nu hoopvol tot zijn leerlingen: “Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?” Vandaag vraagt Hij het ons. We hebben nog niet eens de tijd om een antwoord te bedenken, of Simon werpt zich reeds in het water. Natuurlijk, die denkt nooit na. Simon is een spontaan haantje de voorste dat onmiddellijk reageert. We mogen ons de vraag stellen of zo een impulsief iemand een goed leidersfiguur kan zijn voor Jezus’ nieuw startende beweging. Simon zwalpt voortdurend van de ene impressie naar de andere. Overmoedig denkt hij over het water te kunnen lopen, maar hij zakt meteen weg in de twijfel en in het water, zodat Jezus hem ‘kleingelovige’ noemt en hem helpt in het bootje te stappen (Matteüs 14, 28-33).  Simon zegt dat hij zijn leven zal geven voor Jezus en verloochent Hem driemaal (Matteüs 26, 33; 26, 69-75). Aan Jezus zegt hij dat hij alles verlaten heeft om Hem te volgen (Matteüs 19,27), maar van Paulus vernemen wij dat hij zijn echtgenote meeneemt op zijn zendingsreizen (1 Korintiërs 9,5). Als hij alleen is bij heidenen toont hij zich breed van geest, maar hij draait zijn kar zodra er joden langs komen (Galaten 2,14). Welke waarde kunnen we hechten aan zijn verklaring als een zo veranderlijk iemand aan Jezus zegt: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God”?

Jezus heeft klaarblijkelijk dat probleem gezien en Hij antwoordt gevat dat die belijdenis niet kan komen van Simon, de zoon van Jona. Ze komt van de Vader van Jezus die in de hemel is. In zijn Kerk heeft Jezus maar zwakke krikkemikkige mensen, maar ze zijn dragers van het geloof in het Woord dat komt van de Vader. De impulsieve Simon heeft gesproken uit liefde en geloof.  Hij zal van Jezus een nieuwe naam krijgen. In het Oosten geeft men met de naam een levensproject mee. De zwakke Simon zal een steenrots moeten worden, een steenrots onwankelbaar in geloof, een steenrots ook in standvastige houding.  Jezus zegt aan Simon: “Gij zijt steenrots”, en dat is hij juist helemaal niet: dat juist moet hij nog worden. Jezus ziet zijn Kerk in wording.  Hij bouwt haar niet op hetgeen wij zijn uit onszelf. Hij bouwt zijn Kerk op het dynamisme van de Geest die God ons geeft. En de Geest legt ons het project in het hart dat Jezus heeft voor elk van ons. Zijn Kerk is toekomstgericht, ze gaat evolutief met de mensheid mee. 

Jezus geeft ons iets belangrijks mee van zijn visie over de Kerk. De Kerk is niet gebouwd op menselijke kwaliteiten en prestige. Petrus mag zwak zijn en emotief, hij mag bevend zijn van Parkingson: dat raakt niet aan het wezen van de Kerk. Jezus’ Kerk is gegrondvest op het Woord dat van God komt en ontvangen wordt in rotsvast geloof. Zijn Kerk functioneert niet als een politieke entiteit, maar als een geloofsgemeenschap. Als we op onze beurt Jezus erkennen als de Christus, Zoon van de levende God, dan krijgen ook wij een nieuwe naam mee, een opdracht van God in ons, een levensproject van draagkracht voor de Kerk. 

In de christelijke kerken zijn er wel eens een paar vragen gesteld over de draagwijdte van de woorden: “Gij zijt Petrus en op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen”. Zijn die woorden echt van Jezus, of werden ze later in Jezus’ mond gelegd om het gezag van Petrus te bevestigen in de eerste Kerk te Rome? Bij nader toezien zijn deze woorden wel uitgesproken in het Aramees en niet opgesteld in het Grieks in die tijd gangbaar te Rome. Inderdaad, in het Aramees is ‘kefas’, steenrots, van het mannelijk geslacht. Jezus kon dus zeggen: “Gij zijt Kefas en op deze kefas zal Ik mijn Kerk bouwen”. In het Grieks gaat dat niet op want steenrots is er vrouwelijk en dan wordt het: “Gij zijt Petros en op deze petra zal Ik mijn Kerk bouwen”. De woorden uit het evangelie zijn dus wel afkomstig uit Palestina en niet uit Rome. 
Er is nog een tweede vraag: geldt Jezus’ verklaring alleen voor Petrus persoonlijk, of ook voor zijn opvolgers? Moesten Jezus’ woorden alleen geldig geweest zijn voor Petrus, dan zou er bij zijn dood enige commotie hebben ontstaan in de Kerk. Als de Kerk ten persoonlijke titel gebouwd was op Petrus, dan had men bij zijn dood moeten uitzien naar een andere kerkstructuur. Welnu de Kerkgemeenschap heeft vijftien eeuwen lang als vanzelfsprekend en zonder problemen die woorden overgedragen op de opvolgers van Petrus. Al die tijd heeft de kerkgemeenschap de zwakheden van Petrus’ opvolgers gedragen - en er zijn er nogal wat geweest! - in het besef dat de Kerk niet gebouwd is op menselijke status, maar op de rots van het geloof in Gods Woord dat we als gemeenschap samen met Petrus dragen. Het Petrusambt berust op geloofsbelijdenis, niet op macht. Daarom vermogen de machten van de hel niets tegen de Kerk: ze is geen machtsentiteit. Ze is van de orde van de liefde waar wij in Jezus Christus elkaar dragen. Alleen in die liefde kan Jezus’ gelaat weer zichtbaar worden voor onze wereld.



Overweging 3

Wie is Jezus? Die vraag loopt doorheen heel het Marcusevangelie. Jezus is echter niet niet op gebrand om zich kenbaar te maken. Voor zijn geloofsgenoten bevindt God zich op een oneindige afstand. Hoe hen laten begrijpen dat God Liefde is, dat Hij dus echt met ons wil zijn, met ons wil leven? De ene geldige manier is dat zij dat zelf kunnen vaststellen, dat ze, door met Hem te leven, Hem kunnen ervaren als dichtbij.
Het is nu misschien bijna twee jaar dat Jezus met deze pedagogie op weg is met zijn leerlingen, en hij beslist even polshoogte te nemen. Waar staan ze nu? Hij doet het “op weg” (Marcus 8, 27), alsof het gaat om iets onbelangrijk, zodat de leerlingen hun spontaneïteit bewaren. Wat zeggen de mensen? De vraag is niet compromitterend, en de antwoorden komen los, met een samenvatting van Jezus’ impact op de menigte: Hij zou een nieuwe Johannes de Doper zijn, Elias die de Messias aankondigt, ofwel een profeet. 
Dan eerst komt Hij met de echte vraag die Hij wilde stellen: “Maar voor u, wie ben Ik ?” 

Petrus, altijd haantje de voorste, springt op het antwoord: “U bent de Messias”. Zijn antwoord is als een bliksemflits. Een echte rechte geloofsbelijdenis. Uit zijn mond hoort Jezus dat zijn leerlingen ertoe gekomen zijn hem zijn ware identiteit te geven van Messias, door God gezonden om zijn Rijk op aarde te vestigen.

Jezus’ eerste reactie verwondert echter: “Hij verbood hun streng met iemand over hem te spreken” (Grieks: epetimèsen, Marcus 8, 30). Zij moeten zich eerst het juiste idee kunnen vormen over de Messias die Jezus is. En alleen zijn Passie en zijn Verrijzenis zullen hen toelaten de ware toedracht te kennen van het mysterie van zijn persoon en van zijn zending. Het is dan ook voor de eerste maal (“Hij begon, v.31) en openlijk (v.32), dat Jezus de reden geeft om zijn Messias-zijn verborgen te houden: God wil echt met ons zijn. De Messias is niet alleen Gods vertegenwoordiger, hij is ook een nederige en lijdende Mensenzoon. Hij komt niet onder ons met superioriteit, maar hij neemt op zich de sombere kanten van het mensenbestaan, de verlatenheid, het lijden, de onterechte vernedering en ten slotte de dood, deze ergste vijand van de mens. Dat messias-zijn van Jezus zal slechts na de verrijzenis kunnen verkondigd worden, nadat God het met de verrijzenis zal bekrachtigd hebben (cf. Marcus 9, 9).

Petrus kan die aankondiging van de passie niet aannemen. Nog maals neemt hij het voortouw. Hij neemt Jezus apart en begint hem de les te spellen (v. 32, Grieks: èrchato epitimân). Maar Jezus draait hem de rug toe en richt zich tot de leerlingen (v.33). Niet de Meester moet zijn leerlingen volgen, maar de leerling zijn meester. Jezus aanvaardt geen compromis. Zijn vastberaden reactie wijst op de ernst van het meningsverschil. Jezus van zijn passie willen afwenden komt erop neer hem tot ongehoorzaamheid aan God op te zetten. Dat kan maar het werk van de duivel zijn, die daar reeds een poging toe ondernomen heeft bij het begin van zijn openbaar leven (Marcus 1, 12-13; Matteüs 4, 10).

De strenge taal van Jezus voor Petrus is geldig voor allen wie Hem willen volgen (v. 34). Vanaf hier begint het tweede deel van het Marcusevangelie met een duidelijke scheidingslijn. Omwille dat Jezus passie en dood op zich neemt, erkennen de leerlingen hem niet echt als Messias. Hun houding wordt duidelijk bij het passieverhaal. Niet alleen Judas (Marcus 14, 10-11: het verraad), maar ook Petrus (Marcus 14, 26-32; 66-72: de verloochening), Jacobus et Johannes (Marcus 14, 32-42: zij slapen te Getsemane), en uiteindelijk alle leerlingen (Marcus 14, 50: “Ze lieten Hem allemaal in de steek en vluchtten weg”) laten Jezus alleen.

Jezus’ woorden voor de menigte over de voorwaarden om hem te volgen, (Marcus 8, 34-35), worden door Marcus gericht aan christenen die opgeschrikt zijn door de vervolging, waarbij sommigen, om te ontsnappen aan gevaar en dood, geneigd zouden zijn te verzaken aan hun geloof in Jezus. Wie leerling wil worden van de Heer, moet hem gelijk worden door Jezus’ leven op zich te nemen, met de paradox te moeten komen tot de heerlijkheid doorheen lijden en dood. Zijn leven willen redden, is het verliezen; het verliezen voor Christus is het redden. 



Overweging (2016 - C-jaar)

Wie is Jezus? De vraag achtervolgt ons sinds het begin van het Lucasevangelie. Jezus heeft in het openbaar de zonden vergeven van de verlamde (Matteüs 9, 2), van de zondares (Lucas 7, 48), en telkens hebben de omstanders zich de vraag gesteld: wie is Hij om zonden te vergeven? De apostelen die met Jezus, leven, stellen zij zich die vraag niet? We kunnen goede christenen zijn, zonder ons die vraag te stellen. De apostelen hadden toch de broodvermenigvuldiging meegemaakt, waar Jezus zich geopenbaard heeft als de profeet van de laatste tijden (Lucas 9, 12-17), en Petrus, Johannes en Jacobus waren aanwezig toen hij de dochter van Jaïrus terug tot leven heeft gebracht (Lucas 8, 51-55). Hoe heeft dit hen aangesproken?
Jezus zal hen met deze vraag niet in verlegenheid te brengen bij de menigte. Hij trekt zich met hen terug in de eenzaamheid. Zoals gewoonlijk bij Lucas, zien we Jezus in gebed voor de sleutelmomenten van zijn zending. Voor de apostelen is daar niets bijzonders aan: Jezus bidt graag alleen (Marcus 1, 37; Lucas 3, 21; 6, 12; 11, 1). En om het onderwerp aan te snijden, komt hij niet onmiddellijk met de vraag. Voorzichtig vraagt hij hen wat de mensen over hem zeggen. De antwoorden zullen zijn leerlingen niet compromitteren: zij geven juist maar de openbare opinie weer die gefascineerd is door Jezus’ profetische aanpak.

Jezus zegt eindelijk waar hij naartoe wil. “En jullie, wie zeggen jullie dat Ik ben?” Dat is de directe vraag die Jezus ook ons stelt. Petrus laat ons de tijd niet om te antwoorden. Haantje de voorste zoals altijd, neemt hij het voortouw als woordvoerder van de groep: “De Messias van God”, zegt hij. Petrus gaat verder dan alles wat er gezegd werd en hij schakelt over naar een andere populaire verwachting: de verwachting van de Messias, de Christus, de Gezalfde van God, de koninklijke vertegenwoordiger van God, uit het geslacht van David, die bestemd is om Israël te redden. Sinds het begin van Jezus’ zending wisten alleen de demonen, begiftigd met bovenmenselijke kennis, dat de profeet van Galilea de Messias is (Lucas 4, 41). Petrus is de eerste die Jezus belijdt als de Christus van God. Daar Jezus het spreekverbod zal opleggen (v.21), zal Petrus eerst in de Pinkstertoespraak opnieuw Jezus als Messias verkondigen, nogmaals als woordvoerder van de Twaalf (Handelingen 2, 31.36.38).

Maar Jezus is niet die Messias waar het volk van droomt. Zo Jezus zich de Messiastitel, die juist is, niet ontkent, dan legt hij toch de stilte op (v.21), omdat de koninklijke Davidische Messiastitel in de volkslagen particularistische, nationalistische en imperialistische connotaties heeft. Zo'n tachtig jaar vroeger heeft de Psalm 17 van Salomo, een Farizeeër-tekst een andere, de Messias beschreven als hij die de inwijkelingen en de vreemden het Heilige Land uit zal jagen om er elke onreinheid uit te bannen, om vanuit Jeruzalem te heersen over alle volken der aarde. Al deze trekken zijn totaal afwezig in de prediking van Goede Boodschap van Jezus.
Men mag echter de titel die Petrus hem geeft niet verkeerd begrijpen. Jezus brengt er dus een belangrijk correctief aan door zijn passie en zijn opstanding aan te kondigen. Intussen wijst hij zichzelf, voor de vijfde keer, als de Mensenzoon aan (Lucas 5, 24, 6, 22, 7, 34; 9, 22.26.44). Jezus zal een Messias zijn die
door het lijden gaat, afgewezen wordt en vermoord door de Joodse gezagsdragers. Hij zal niet verschoond worden van de risico's die het menselijk leven met zich meebrengt. Hij zal geen bevoorrechte zijn. Hij komt ons zoeken in het diepste van ons menselijk bestaan.

Dat is precies de reden waarom God hem in eer zal herstellen door hem op de derde dag te doen verrijzen. De vier werkwoorden die zijn Paasgang beschrijven: veel te lijden hebben, afgewezen worden, ter dood gebracht worden, en verrijzen, worden voorafgegaan door een “hij moet". Het gaat om een goddelijk heilsplan waarvan Jezus verklaart dat hij het volledig op zich neemt.
Het valt op te merken dat er hier, in strijd met het evangelie van Marcus (8, 32-33), geen enkele negatieve reactie is bij de leerlingen. Petrus richt hier geen berisping tot Jezus. Dit ligt wel in de manier van Lucas die niet graag de zwakke punten van de Twaalf naar voren brengt. Temeer dat het er nu op aankomt de leerlingen aan te moedigen om Jezus te volgen. Lucas komt dan ook onmiddellijk tot de belangrijke gevolgen voor wie Jezus wil volgen.

Marcus had de mogelijkheid van het martelaarschap ingeschat voor wie Jezus wil volgen (Marcus 8, 35-38). Wanneer Lucas schrijft, is de dreiging van vervolging misschien verminderd. Hij past in ieder geval zijn tekst aan, door te zeggen dat we “elke dag” het kruis moeten opnemen (9, 23). Zo buigt hij de zinspeling van Marcus op het martelaarschap om in ascetische zin. De christen moet dagelijks zijn kruis opnemen, dat wil zeggen dat hij in geest aan zichzelf moet sterven, niet voor zichzelf moet leven.

Lucas herinnert ons dus aan een levensregel. Wie de naam van christen wil dragen, zal in zijn leven een plaats moeten geven aan het aanvaarden van het kruis en het lijden. Het gaat hier niet om een ziekelijke kwelling, maar om in vertrouwen Christus na te volgen. Het leven is nooit helemaal zoals we het zouden willen, de mensen om ons heen reageren niet altijd volgens onze wensen. Net zoals Jezus het lijden aanvaard heeft dat het leven met zich meebracht, zal de christen zijn kruis dragen, zonet kan hij Jezus’ leerling niet zijn.
“Wie zijn leven wil redden, zal het verliezen, zegt Jezus ons vandaag, maar wie zijn leven om Mij verliest, die zal het redden”. Steeds komt hij daar terug op. Leven in liefde is nooit zelfgericht leven, er bestaat geen geestelijk autisme.