Loading...
 

3e zondag A - 3e zondag B - 5e zondag C - evangelie

Netten

TERSTOND LIETEN ZIJ
HUN NETTEN IN DE STEEK


...page... Wiki page pagination has not been enabled.

Matteüs 4, 12-23: De eerste leerlingen

Matteüs 4, 12-23 // Marcus 1, 14-20 // Lucas 5, 1-11



De tekst

Dichter bij de tijd

Wanneer Jezus hoort dat Johannes gevangen genomen is,
gaat Hij naar Galilea.
Daar gaat Hij wonen in Kafarnaüm bij het meer.
Vanaf dat moment begint Jezus tot de mensen te spreken.
Hij zegt: ‘Bekeer u, verander van mentaliteit,
want het rijk van God is er.’

Op een dag loopt Hij langs het meer van Galilea.
Daar zie Hij twee broers:
Simon, die later Petrus genoemd wordt, en Andreas.
Ze werpen hun net uit in het meer, want het zijn vissers.
Hij roept: ‘Volg Mij,
Ik zal van jullie vissers van mensen maken.’
Meteen laten ze hun netten achter en volgen Hem.

Verderop ziet Jezus nog twee broers: Jakobus en Johannes
Ze zitten in hun boot met hun vader Zebedeüs.
Ze zijn bezig met het klaarmaken van de netten.
Jezus roept hen.
Meteen laten ze de boot en hun vader achter en volgen Hem.

Jezus trekt rond in heel Galilea,
terwijl Hij les geeft in de synagogen.
Hij verkondigt de blijde boodschap van het rijk van God,
en geneest elke ziekte en elke kwaal onder de mensen.



Stilstaan bij ...

Galilea (Hebreeuws = gewest van de heidenen)
Landstreek in het noorden van Palestina. Een streek met een multiculturele en multireligieuze bevolking, waar naast joden ook vele niet-joden leefden. De reden waarom Matteüs dit - naar Jesaja - een volk noemt dat in de duisternis zat.


Kafarnaüm (= dorp van Nahum, of dorp van de troost)
Een drukke vissersplaats aan de noordwestkust van het meer van Galilea. Het was een grensplaats waar kooplui tol moesten betalen aan de Romeinse bezetter, en waar ook een Romeins garnizoen gelegerd was. Het was ook de woonplaats van Jezus en verschillende van zijn leerlingen.


Zebulon
Het gebied ten zuiden van het gebergte van Galilea, dat genoemd werd naar Zebulon, één van de twaalf zonen van Jacob (moeder: Lea).


Naftali
Het gebied ten oosten van het gebergte van Galilea, dat genoemd werd naar Naftali, één van de twaalf zonen van Jacob (moeder: Bilha, slavin van Rachel).


Land van de ongelovigen
Tijdens de Babylonische ballingschap waren in de gebieden van de stammen van Zebulon en Naftali mensen uit andere gebieden komen wonen, die zich mengden met de weinig bevolking die achtergebleven was. Na de ballingschap keken de teruggekeerde joden op hen neer.


Jesaja
Belangrijk profeet uit het O.T.
In zijn voorspellingen over de Messias zagen christenen later de voorspelling van Jezus Christus.


Het meer van Galilea
Dit meer is nu bekend onder de naam ‘Meer van Kinneret’. ‘Kinneret is afgeleid van het Hebreeuwse ‘kinnor’, wat ‘harp’ betekent. Een verwijzing naar de vorm van het meer’ en ook naar de stad Kinneret, die zich vroeger in het Noorden van het meer bevond.
In het Nieuwe Testament wordt over dit meer met verschillende namen gesproken:
Matteüs en Marcus hebben het over het 'Meer van Galilea', waarmee ze verwijzen naar de landstreek waarin het meer ligt.
Lucas heeft het over het 'Meer van Gennesaret'.
Johannes noemt dit meer het 'Meer van Tiberias', genaamd naar de stad die Herodes Antipas, zoon van de beroemde koning Herodes de Grote, in na Christus op de oever van het meer bouwde ter ere van zijn Romeinse beschermheer.

Het is een heel groot meer in het Noorden van Israël: ongeveer 150 km2, 12 km breed en 21 km lang. Het is het laagst gelegen zoetwatermeer ter wereld (210m onder de zeespiegel). Het water ervan wordt gebruikt als drinkwater voor een groot gedeelte van Israël.
Dit meer is bekend om de sterke wisselingen in het weer. Dit komt omdat er een groot temperatuurverschil is tussen de oevers en de veel hogere bergen rondom het meer. Plotseling kan de wind opsteken en vanaf de omringende bergen op het meer vallen, waardoor het stormt. Als de wind gaat liggen, wordt het meer weer rustig en kalm.
Kolkend, woelig water was voor de joden een beeld voor situaties waarin mensen bedreigd werden; crisis, dood, zonde, vervolging, allerlei moeilijkheden, gevaren…

De volgende foto's werden gemaakt door Alfred Muller. Ze stellen voor:
- het meer vanop de berg van de zaligheden
- het meer met vissers op


Petrus (Grieks = steen; Frans: pierre)
Dit is de naam die Jezus gaf aan Simon, zijn eerste leerling, een visser uit Betsaïda. Jezus vond hem duidelijk een ‘kei’ van een man. Matteüs, Marcus en Lucas vertellen dat hij die naam kreeg, toen hij in Jezus de Messias erkende.
Petrus was de belangrijkste in de groep van de apostelen. In de 3e eeuw noemt men hem de eerste paus. Rond het jaar 67 stierf hij de marteldood onder keizer Nero.


Vissers
Soms denkt men dat de vissers van Galilea simpele mensen waren. In werkelijkheid kenden ze hun wereld en dreven handel zowel in hun eigen land als ver daarbuiten. Ze visten meestal in familieverband, met soms enkele knechten als extra hulp. Overdag herstelden ze de netten en de boten en 's nachts voeren ze uit om te vissen. Ten minste zeven van Jezus' leerlingen waren vissers.


vissers van mensen
Wie meewerkt aan het werk van Jezus, vist mensen op uit hun eenzaamheid, hun armoede, hun ellende.


Roepen
Normaal kiest iemand die iets wil leren zelf de leraar bij wie hij in de leer wil gaan, of de school waar hij zich wil inschrijven. Maar Jezus koos zelf de mensen die Hij iets wilde leren.


Synagoge (Grieks = bijeenkomst, vergadering)
In een synagoge komen joden bijeen om te bidden (God loven en danken) en de bijbel, het woord van God, te bestuderen.



Praktische informatie

Bij het materiaal dat u op deze site vindt, hoort een map.
'Bijbel in 1000 seconden' bevat een verzameling van ongeveer 227 fiches die stilstaan bij lezingen in het kerkelijk jaar.

Die map is te verkrijgen via: info aan bijbelin1000seconden.be
of via het: Uitgeverij Halewijn, Halewijnlaan 92, 2050 Antwerpen
Telefoon: 03/210 08 14; Mail: halewijn.uitgaven aan kerknet.be

De fiches die horen bij Matteüs 4, 12-23, Marcus 1, 14-20, Lucas 5, 1-11, bevatten:
. De Bijbeltekst
. Informatie bij de tekst
. De Bijbeltekst die 'Dichter bij de tijd' herschreven werd
. Informatie over de betekenis van deze tekst
. Een verhaal




Bij de tekst

Een roepingsverhaal

Lees meer



Bekeren

Bekeren is zich omkeren. Het leven waarin men alleen aan zichzelf denkt, keert men de rug toe. Men wil anders gaan leven. Men wil met de medemens en met God rekening houden. Men wil zich bewust worden van wat echt waardevol is en afwijzen wat hiervan afleidt. B.v.
. leven in dienst van de ander, i.p.v. in dienst van zichzelf.
. leven in dienst van gerechtigheid i.p.v. in dienst van macht.
. leven in dienst van Gods wil i.p.v. leven als God.





Bijbel en kunst

L. BLOMME

Vissersroeping
Op dit werk van Luc Blomme staan vier vissers aan de oever van het meer van Galilea. Het zijn mannen met handen als schoppen en met voeten die stevig op de grond staan. Ze kijken alle vier in dezelfde richting.
Wie de evangelietekst kent die aan de basis ligt van dit werk, weet dat ze naar Jezus kijken, naar Hem toegaan en hun boten zullen achterlaten.



Suggestie

Bekijk eerst heel goed dit schilderij van Luc Blomme (Vissersroeping).

- Wat zie je?
- Wie zie je?
- Wat valt op?
Ga eens staan zoals die mensen.
- Wat gaat door je heen als je zo gaat staan?
- Naar wie kijken die mensen?
- Wat zouden die mensen met hun houding willen duidelijk maken?
- Wat willen ze met hun handen zeggen?

Lees het evangelie voor van deze zondag.
Bekijk dit kunstwerk opnieuw. Stel er dezelfde vragen bij:

- Wat zie je?
- Wie zie je?
- Wat valt op?
- Naar wie kijken de apostelen?
- Wat zouden ze met hun houding willen duidelijk maken?
- Wat willen ze met hun handen zeggen?

- Welke houding zou jij genomen hebben?
Doe deze houding eens voor.
Heb aandacht voor de manier waarop je je handen houdt.
Laat de anderen zeggen wat je met je houding uitdrukt.
Zeg daarna wat je met je houding hebt willen uitdrukken.





Suggesties

Kleine kinderen

KENNISMAKEN MET DE TEKST UIT DE BIJBEL

Jezus kiest twaalf leerlingen

Jezus was vaak bij het meer van Galilea.
Daar vertelde Hij de mensen over God, zijn Vader.
Jezus wilde graag vrienden hebben, die ook over God zouden vertellen.
Hij koos er twaalf uit. De twee eerste waren vissers. Het waren de broers Petrus en Andreas. Twee anderen repareerden visnetten. Het waren Jakobus en Johannes. Ook zij waren broers.

Jezus riep: ‘Kom volg Mij! Jullie zullen vissers van mensen worden.’ De vier mannen lieten alles achter.
Ze kenden Jezus en wilden graag bij Hem zijn.

Matteüs werd ook gekozen. Hij was een tollenaar.
Een tollenaar haalde belastinggeld op bij de mensen.
De mensen hielden niet van tollenaars, maar Jezus wel.

Jezus koos ook Filippus, Bartolomeüs, Tomas,
Jakobus, Simon en twee mannen, die allebei Judas heetten.
Deze twaalf mannen werden zijn vrienden.
Ze werden apostelen genoemd.
Ze luisterden naar alles wat Jezus vertelde.
De apostelen bleven bij Hem.

Ze zagen alles wat Hij deed voor de mensen
en luisterden naar wat Hij zei.
(naar: Matteüs 4, 18-22; 10, 2-4)





VERDIEPEN

Gesprek

- Zijn er nu ook nog vrienden van Jezus?
- Natuurlijk! Kijk maar eens om je heen.
Je zult merken dat er veel mensen zijn die proberen te leven zoals Jezus.
Daarom zijn zij vrienden van Jezus.

- Ken jij vrienden van Jezus?
- Wat doen zij zo speciaal?
- Vind je het moeilijk om een vriend van Jezus te zijn?





BELEVEN

Activiteiten rond horen / luisteren

De kinderen maken het heel stil. Open het raam (of de deur). De kinderen luisteren een poos aandachtig naar alle geluiden buiten. Daarna vertellen ze over wat ze gehoord hebben. Bijvoorbeeld:
. vogels die fluiten
. een auto die remt
. een overvliegend vliegtuig.

Richt nadien de aandacht op geluiden in het lokaal. Bijvoorbeeld:
. ademen
. zuchten
. hoesten
. schuifelen met de voeten.
De kinderen vertellen wat ze gehoord hebben.

Vertel:
. Een mama zegt: 'Ik ben zo moe. Ik geraak niet door mijn werk.'
Cindy speelt verder;
Thijs gaat mama helpen;
Koen kijkt op en gaat naar buiten
Wie heeft moeder gehoord? / Wie heeft naar haar geluisterd?

. Tom heeft zijn kleurpotloden vergeten en weent.
Koen deelt zijn potloden met Tom;
Stijn en Lode kleuren verder
Wie heeft Tom gehoord? / Wie heeft naar hem geluisterd?

De kinderen denken na over de vraag: Naar wie luister ik?

'Luisteren' ze ook naar Jezus?
De kinderen merken op dat dit luisteren iets anders is dan de twee voorbeelden.
Ze zeggen wat ze van Jezus te horen krijgen.

Er zijn drie manieren van luisteren:
ofwel hoort men de boodschap niet
ofwel hoort men het wel, maar doet men niets
ofwel reageert men op de boodschap






DOEN

Tekenen

Suggestie 1
De kinderen tekenen een net vol vissen.


Suggestie 2
Vertel: Niet alleen Petrus, Andreas, Jacobus en Johannes volgen Jezus. Na hen volgen nog acht mensen Jezus. Nu noemen we die mensen apostelen.
De kinderen tekenen Jezus en twaalf apostelen.


Suggestie 3
Zorg voor een net en een blauw papier/doek voor op de bodem. Alle kinderen tekenen een vis. Nadien mogen ze hun vis in het net hangen (= ze willen zich laten 'vangen' door de woorden van Jezus). Wie daar nog niet aan toe is, mag zijn vis op het blauwe papier van de bodem kleven.





Grote kinderen

ONDERZOEKEN

Twaalf namen ...

Vooraf
. Maak twaalf kaartjes met de namen van de twaalf apostelen.

PetrusAndreasJohannesJacobus
MatteüsBartolomeüsTaddeüsJudas
SimonFilippusTomasJacobus

Kleur de rand van die kaartjes met markeerstift.
. Maak een aantal kaartjes waarop je afgeleide namen van die apostelen schrijft. Maak hiervoor een keuze van namen die in de omgeving nogal gebruikt worden.


Verloop
Vertel over de roeping van een aantal apostelen. Vertel dat Jezus uiteindelijk twaalf apostelen rond zich verzamelde. Leg de kaartjes met hun namen in het midden van de kring.

De namen van de meeste apostelen worden nog altijd gegeven aan kinderen die nu geboren worden. Meestal worden die namen wat afgekort, zodat ze wat moderner klinken.
- Kennen jullie die?
Verdeel de actuele namen over de verschillende kinderen.
De kinderen krijgen de opdracht om die namen te plaatsen bij de juiste naam van de apostel.

Petrus, Peter, Piet, Pedro, Petra, Pjotr, Pierre, Pierrot, Pieter, Peer, Pete
Andreas, Dries, Dre, Andras, Andrea, André, Andres, Andrew, Andrea
Jacobus, Jaak, Kobe, Kobus, Jaco, Jakelijne, Coby, Koba, James
Johannes, Jo, Jan, Jannes, Johan, Hanne, John, Jowan, Hans, Joanna, Janne, Jeanne, Joan, Joke, Yana, Han, Hannes, Jens, Juan
Filippus, Filip, Flip
Bartolomeüs, Bart, Bartel, Barthold, Bertel
Matteüs, Tjeu, Mattias, Thijs, Matthijs, Matthis, Matty
Tomas, Tom, Tommy, Maas
Simon, Simone, Sim, Mon
Bespreek: Hoe zou het komen dat de naam van Judas niet in het lijstje voorkomt van namen die nu aan kinderen gegeven worden?


TIP
Maak hierbij eventueel ook gebruik van volgend werkblad.

Laat de kinderen eventueel ook op zoek gaan naar de betekenis van die namen.

Petrus (Grieks) Rots; betrouwbaar
Andreas (Grieks) Mannelijk, dapper
Jacobus (Hebreeuws) De onderkruiper
Johannes (Hebreeuws) God heeft geschonken
Philippus (Grieks) De paardenliefhebber
Bartolomeüs (Hebreeuws) Zoon van Tholomeüs of Tolmai = de broederlijke.
Matteüs (Hebreeuws )Geschenk van God
Thomas (Grieks) De tweeling
Simeon (Hebreeuws) Luisteren, verhoren
Judas (Hebreeuws Hij zal geprezen worden






VERDIEPEN

Gesprek

(na het voorlezen / vertellen van het evangelie)

Jezus roept vissers om Hem te volgen.
- Wat doen ze?
- Wat zou jij doen als Jezus jou roept?
- Petrus, Andreas, Matteüs, en nog negen anderen werden de vrienden van Jezus.

- Wie zijn jouw vrienden?
- Wat moet je doen om een echte vriend te zijn?
- Wat moet je doen om een vriend van Jezus te zijn?
- Moet je dan naar Jezus horen? of naar Hem luisteren?
- Zijn er nu ook nog vrienden van Jezus?
Natuurlijk! Kijk maar eens om je heen.
Je zult merken dat er veel mensen zijn die proberen te leven zoals Jezus.
Daarom zijn zij vrienden van Jezus.

- Ken jij vrienden van Jezus?
- Ken je mensen die ook vandaag Jezus willen volgen?
- Hoe kun je dat zien?

- Ben jij ook een vriend van Jezus?
- Is het moeilijk of gemakkelijk om een vriend van Jezus te zijn?
- Als je Jezus wilt volgen, wat zou jij dan doen?
(thuis, op school, sportclub, jeugdbeweging ...)



Mensen worden 'geroepen'...

(C. LETERME, Samuel WB 2009, nr 6)

Materiaal
Werkblad


Verloop
Vertel eerst over de roeping van enkele leerlingen van Jezus.
Sta daarna stil dat ieder van ons ook geroepen wordt op verschillende terreinen.
Doe dit met behulp van het werkblad.
Sta daarna stil bij de 'roeping' van de kinderen zelf.



Vissen

(Idee: Kerk en Leven Huppelhoek 786, 19 januari 2005)

Teken 14 vissen. Knip ze uit. Steek er een klein lusje van metaal draad in;
Schrijf op elk vis één van de volgende zinnen en hun vindplaats in de bijbel:

Kom volg mij
Marcus 1, 17

Bekeer je
Matteüs 4, 17

Aan iedereen moet je mijn boodschap vertellen
Marcus 16, 15

Wie de wil doet van God, die is mijn broer en mijn zuster
Marcus 3, 35

Je mag God altijd 'Vader' noemen
Matteüs 6, 6

Wees barmhartig, net zoals God
Lucas 6, 36

Je moet God liefhebben met heel je hart én je naaste als jezelf
Marcus 12, 30-31

Als een licht ben ik in de wereld gekomen
Johannes 12, 46

Ik ben het brood om van te leven
Johannes 6,35

Ik ben de goede herder
Johannes 10,11

Wie groot wil zijn, moet zich klein durven maken
Marcus 10,43

Heb vertrouwen in God
Marcus 11,22

Jullie zijn het zout van de aarde
Matteüs 5,13

Veroordeel niemand
Matteüs 7,1


Maak een vislijn met een haakje. Leg de vissen met de tekst naar beneden op een tafel of op de grond. De kinderen vissen om beurten. Ze lezen voor wat er op de vis staat, en zeggen wat die zin voor hen betekent.

Wie meer wil weten over die tekst, zoekt die op in de bijbel en leest wat eraan voorafgaat en wat er op volgt.





INLEVEN

Lege stoel 1

(Bibliodrama)
Vertel het evangelieverhaal.

In de kring staan twee 'lege' stoelen. Op de ene stoel 'zit' Jezus, op de andere Simon. (Plaats een kaartje met de naam Jezus op de ene stoel, en Simon op de andere stoel)
De kinderen kunnen Jezus en daarna Simon allerlei vragen stellen n.a.v. het verhaal dat daarnet voorgelezen of verteld werd.

Indien de kinderen deze werkvorm niet kennen, stel je zelf als voorbeeld een vraag in de richting van de stoel waarop Jezus 'zit'. Vraag dan aan de kinderen om te luisteren of ze Jezus die vraag horen beantwoorden. Daarna komen ze achter de stoel staan om het 'gehoorde' antwoord te formuleren. Bij de eerste keer, ga je zelf achter de stoel staan en formuleer je jouw eigen antwoord. Daarna vraag je of de kinderen soms nog een ander antwoord hoorden (Dus niet: of ze een ander antwoord 'denken')
De volgende vragen dienen als voorbeeld. Gebruik ze als eerste vraag, of als reserve voor het geval de kinderen te oppervlakkige vragen beginnen te stellen of geen inspiratie meer hebben. Bijvoorbeeld:
- Jezus, waarom heb jij Simon uitgekozen?
- Jezus, zou jij Simon ook kiezen als hij geen visser was?
- Simon, vond je het niet erg om zomaar je boot achter te laten?
- Simon, zou je voor iemand anders ook je boot achterlaten?
- Simon, waarom wil je een vriend van Jezus worden?

Bespreek nadien de ervaringen van de kinderen bij dit spel.

Lees Matteüs 4, 12-23, Marcus 1, 14-20 of Lucas 5, 1-11 voor om af te sluiten.

Merk op dat Jezus niet vraagt: 'Andreas, wat kun jij goed?'
Hij vraagt ook niet dat iemand iets speciaal moet kunnen om Hem te volgen.
Al zijn vrienden zijn verschillend. Hij stelt geen voorwaarden.
Ook vandaag mag iedereen vriend van Jezus zijn.
Men hoeft niet in iets de beste te zijn.
Men mag voor Jezus zijn wie men is.




Lege stoel 2

(Bibliodrama)
Vooraf
Zet vier stoelen klaar. Op elk van die stoel leg je een kaartje met daarop de naam van de figuur die op de stoel 'zit': JEZUS, SIMON, JACOBUS en JOHANNES, MENSEN.


Verloop
Vertel eerst het verhaal uit het evangelie. Stel nadien de volgende vragen:
. Vraag voor Jezus:
Wat wil je zeggen met: 'Ik zal jullie vissers van mensen maken.
. Vraag voor Simon:
'Waarom liet je je netten in de steek?'
. Vraag voor Jacobus en Johannes:
Waarom besloten jullie om Jezus te volgen?
. Vraag voor de mensen:
Waarom lopen jullie Jezus achterna?

De kinderen beantwoorden de vragen door achter de lege stoel te staan die bij de figuur hoort aan wie de vraag gesteld wordt.
Geef nadien de kinderen de kans om te verwoorden wat ze hierbij ervaren/gevoeld hebben.

Lees daarna het evangelie voor zoals volwassenen dat in de kerk beluisteren. (Het is nl. belangrijk dat de kinderen door hebben dat de 'bijbel' een belangrijk boek is voor volwassenen, en geen alternatief sprookjesboek. De bijbel is wel niet altijd heel gemakkelijk geschreven, het is trouwens een oud boek uit een andere cultuur. Daarom hebben mensen het eenvoudiger geschreven, en mooi geïllustreerd, zodat kinderen er nu reeds wat aan kunnen hebben.)



'Foto'

(Bibliodrama)
Zoek samen met de kinderen naar het belangrijkste moment van het verhaal. Dit beelden ze statisch uit. Zorg ervoor om er iedereen bij te betrekken.
Je kunt hiervoor personages in het leven roepen als:
. vissers die net aanmeren
. spelende kinderen
. moeders die vis komen kopen
. buren die de vangst bespreken
. anderen die voorbij lopen, omdat ze zich beter voelen dan de vissers
. vrienden van de vissers
. ...

Bespreek bij elk personage hoe die bij het gebeuren betrokken is. Als kinderen zich daarin herkennen, mogen ze die rol innemen. Bij deze activiteit is het belangrijk om een variatie houdingen aan te bieden: belangstellend, ongeïnteresseerd, afwijzend ...
Wanneer het gekozen moment in beeld is gezet, 'bevriezen' de kinderen heel even in de uitgezochte houding.


Belangrijk
De voorbereiding van deze 'foto' is belangrijker dan de 'foto' zelf.



Inleefactiviteit

Stel je voor ....
... je bent één van de mensen
die naar Jezus gaan om naar Hem te luisteren.
- Waarom zou je dat doen?

... Je bent Jezus en je zegt tegen Petrus:
'Voortaan zul je mensen vangen.'
- Wat wil je daarmee zeggen?

... Je bent Petrus
- Waarom heb je besloten om Jezus te volgen?





VERTELLEN

Swimmy

(Leo LIONNI, Uitgeverij Ankh-Hermes B.V. Deventer)

In een hoekje van de zee woonden een heleboel visjes gezellig bij elkaar.
Ze waren prachtig rood gekleurd, behalve één visje.
Dat ene visje was namelijk zwart, net zo zwart als een mosselschelp.
Hij zwom veel vlugger dan zijn broertjes en zusjes!
Willen jullie weten hoe dit visje heette?
SWIMMY
Op een dag kwam er plotseling een grote, woeste hongerige tonijn
recht op de visjes afzwemmen.
En met een hele grote hap slokte hij alle rode visjes op.
Eén visje had hij niet gezien, dat was Swimmy. Swimmy ging er vlug vandoor.
Hij zwom, heel ver weg door de grote, grote zee.
Swimmy was bang en hij voelde zich heel alleen en erg verdrietig.
Maar in de zee was zoveel moois te zien
dat Swimmy zijn eigen ogen uitkeek en weer helemaal blij werd.
Weet je wat hij allemaal zag?
Een grote kwal, zo doorzichtig als glas en met alle kleuren van de regenboog.
En dan was er een kreeft, die gewoon door het water liep!
Swimmy vond dat een gek gezicht.
Verder kwam hij nog vreem­de vissen tegen, die achter elkaar zwommen.
Het leek wel of ze door een onzichtbare draad werden voortgetrokken.
Er was zoveel te zien! Een bos zeewier groeide op mosgroene rotsen.
Er zwom zelfs een paling rond, die zo ontzettend lang was
dat hij zijn eigen staart niet eens zien kon.
Ook ont­dekte Swimmy nog prachtige zeeanemonen, die op rose palmbomen leken.
En ineens, wat zag Swimmy daar? Hij kon zijn ogen haast niet geloven.
Tussen de rotsen en het zeewier zwommen hele kleine visjes,
die net zo groot waren als Swimmy. Alleen waren ze weer rood van kleur.
Hij dacht eerst dat het zijn broertjes en zusjes waren.
Maar dat kon niet, die waren immers opgegeten door de gulzige tonijn.
Swimmy ging vlug naar de visjes toe.
"Kom, laten we in de grote zee gaan spelen, dan zal ik jullie allerlei moois laten zien!"
"Dat durven we niet" zei een rood visje. "De grote vissen zullen ons allemaal opeten".
"Maar je kunt hier toch niet altijd blijven tussen de donkere rotsen" zei Swim­my.
"Weet je  wat we doen? We maken een plannetje".
Swimmy dacht diep na. En plotseling riep hij: "Ik heb het! Laten we het eens proberen".
De rode visjes vonden Swimmy heel aardig en daarom volgden ze zijn aanwij­zingen trouw op. Ze moesten allemaal dicht bij elkaar gaan zwemmen
zodat het leek of ze één grote vis waren. Ieder rood visje had zijn plaats.
"Ik zal het oog zijn" zei Swimmy "omdat ik zwart ben".
Ze oefenden zich goed en eindelijk durfden ze de grote zee in. Niemand viel hen lastig... Integendeel zelfs: de grootste vissen gingen op de vlucht
voor de grote rode vis met het zwarte oog.
En zo zwemmen er nog steeds vele rode visjes door de zee
en Swimmy voelt zich in z'n rol van waakzaam oog, heel, héél gelukkig.

Jezus vormde rond zich een groep vrienden, waarvan Hij het lichtend oog was.




Uit het dagboek van Petrus de visser

"Vandaag ben ik dus gestopt met te vissen!
Gelukkig maar, want ik ving toch nooit erg veel!
Ik ben natuurlijk niet zomaar achter die Jezus gaan lopen.
Ik had al veel van Hem gehoord.
Volgens mij krijgt hij in ons land nog heel wat te vertellen.
Het lijkt me verstandig een beetje bij Hem in de buurt te blijven.

Wat mijn schoonmoeder betreft, die is weer helemaal beter!
Ze zorgt en is weer druk in de weer.
Echt iets voor vrouwen, om alsmaar voor anderen te zorgen.
Daar zou ik ziek van worden.
Om te onthouden:
toch eens aan die Jezus vragen wat hij bedoelt
met 'visser van mensen worden'.
Mijn broer Andreas zegt:
'Dat betekent dat wij mensen moeten redden
uit het water van de dood, uit zeeën van ellende.'
Die kan het mooi vertellen,
maar ik heb niet zo'n zin in al dat zorgen.
Ik ben mijn schoonmoeder niet!"



Uit het dagboek van Petrus, die vroeger Simon werd genoemd

Vandaag heb ik iets vreemds meegemaakt.
Ik was met mijn broer de netten aan het uitgooien.
Toen riep Jezus van Nazaret iets tot ons.
Ik verstond Hem eerst niet goed.
Toen hoorde ik dat Hij zei:
- Kom met me mee, ik zal maken
dat je vissers van mensen wordt.
Ik wist niet wat Hij wilde zeggen
met die 'vissers van mensen'.
Ik heb het dan maar aan mijn broer gevraagd.
Die moest ook even nadenken en zei toen:
- Mensen kun je vergelijken met vissen.
Zoals vissen zwemmen in het water,
zo kunnen mensen in zeeën van ellende leven.
En dan zouden wij die mensen
uit hun ellende moeten vissen.
En dat kunnen wij doen,
wanneer wij de goede boodschap brengen.
Petrus





BELUISTEREN

Er loopt een man die helpers zoekt

Klik hier voor een lied over Jezus die zijn leerlingen roept.





EXTRA

Klik hier voor suggesties als je wilt stilstaan bij wat een roepingsverhaal is.





Jongeren

MEDITEREN

De uitverkorene

(Naar: JORDAN, in Paroles à vivre, Editions CRJC Liège p. 90)

Geachte heer,
Onze bijzondere dank voor het toevertrouwen
van de CV's van twaalf mannen
die u uitgezocht heeft
om vertrouwensposten te bekleden
in uw nieuwe organisatie.
Nadat we hen hebben doorgelicht
kwamen we tot de volgende bevindingen:
Simon Petrus is emotioneel instabiel,
ten prooi van allerlei kuren in zijn humeur.
Andreas is niet in staat
om verantwoordelijkheid op te nemen.
De broers Jacobus en Johannes,
plaatsen persoonlijk belang
boven toewijding voor de gemeenschap.
Tomas heeft neiging om alles in twijfel te trekken,
wat het enthousiasme in de groep kan belemmeren.
Matteüs staat op de zwarte lijst van de
'Commissie van Jeruzalem voor eerlijkheid in het zakenleven'.
De andere Jacobus en Taddeüs
hebben de neiging om alles zwart-wit te zien.
Beide hebben een hoge score
op de schaal van het depressieve.
Van de twaalf kandidaten is er maar één
die bekwaam is en zin heeft voor initiatief.
Hij legt vlot contact en is goed in zaken.
Hij heeft relaties in de hoogste kringen.
Wij adviseren u daarom om Judas Iskariot te kiezen.
Hij is erg gemotiveerd, zit vol ambitie
en deinst niet terug voor verantwoordelijkheden.

Met vriendelijke groeten





EXTRA

Klik hier voor suggesties als je wilt stilstaan bij wat een roepingsverhaal is.





Overwegingen

A-Jaar: Matteüs 4, 12-23

Frans Mistiaen sj

Jezus begon in Galilea: niet in het centrum, wel in de marge!

De evangelist Matteüs legt er de nadruk op
dat Jezus Zijn prediking niet in Jeruzalem begon, maar in Galilea,
niet in het centrum, wel in de marge.
Twee gebieden worden tegenover elkaar geplaatst,
vooral echter met een theologische bedoeling.

Jeruzalem was een versterkte stad,
met erbinnen, op de berg Sion, de tempel van Jahweh,
de God van de joden, die zó hoogheilig was,
dat Zijn Naam zelfs niet mocht worden uitgesproken.
Dit machtige, religieuze centrum van het land
werd beheerst door een kaste van priesters
die de riten in de tempel verzorgden
- dwz. dat zij vooral de offergaven van de mensen ontvingen -
en daarnaast door een groep schriftgeleerden,
die uit de oude bijbel voortdurend
uiterst gedetailleerde wetten en kleine gedragsregels haalden
om de mensen voor te schrijven wanneer zij goed of verkeerd deden.
De joodse godsdienst was dus verworden tot uiterlijkheden.
Om beschouwd te worden als een goede gelovige
was het allerbelangrijkste "de voorgeschreven offers te brengen” en
"te gehoorzamen aan een honderdtal kleine wetten".
Zo’n opvatting over de godsdienst had echter
als verschrikkelijk gevolg dat voortdurend
een schuldgevoel werd gewekt bij de gewone mensen,
die vooral schrik hadden om onder de maat te blijven
en verkeerd te doen
tegenover een eisende, dreigende en straffende Jahweh.

Jezus distantieert Zich duidelijk
van die opvatting over de godsdienst, die vooral in Jeruzalem heerste.
Hij is tegen die winstgevende offerritussen van de priesters
en die angstaanjagende wetten van de schriftgeleerden.
Hij is tegen de tempel die alleen maar dient als offerplaats.
Hij is tegen een God
waarvan de mensen schrik zouden moeten hebben.

Jezus begint Zijn prediking in een heel andere streek,
maar vooral in een heel ander religieus klimaat.

Galilea was de grensprovincie in het Noorden.
Geen afgesloten burcht op een berg zoals Jeruzalem,
maar een landelijke streek, gelegen aan het meer.
Daar waren de mensen eenvoudiger, armer, meer open ook.
Ontvankelijker voor allerlei vreemde invloeden
en niet afgesloten of verstard in eigen opvattingen,
zoals in de trotse hoofdstad.
Galilea was bevolkt door een mengelmoes van rassen en godsdiensten
met Aramese, Arabische, Fenicische en Griekse invloeden.
Men had er geleerd verdraagzaam te zijn tegenover elkaar
in een gezond pluralisme van verschillende culturen.
Het was een ‘multiculturele samenleving’.
Die mengelmoes van allerlei godsdiensten
werd echter door Jeruzalem met de grootste minachting bekeken.
De religieuze leiders van de hoofdstad
beschouwden zichzelf als
de "zuivere joden, die de juiste leer wisten te bewaren”,
en zij misprezen de Galileërs als "heidenen, die de wet niet kenden".

Tussen haakjes: wie uit Matteüs' tegenstelling nu zou besluiten
dat het christendom thuishoort op het platteland en niet in de stad
heeft te letterlijk geïnterpreteerd
en dus de verkeerde conclusie getrokken.
Onze wereld is ondertussen grondig veranderd.
Die openheid voor allerlei meningen, dat pluralisme van culturen
vindt men bij ons sinds verschillende eeuwen veeleer in de steden.
Het ‘Galilea’, zoals Matteüs dat bedoelde,
met zijn mengelmoes van vreemde godsdiensten,
waar mensen uitgedaagd worden om multicultureel samen te leven,
ligt vandaag niet in één of andere groene zone op onze ‘buiten’,
maar veeleer in het midden van onze grootsteden.
In onze tijd moeten wij ‘Galilea’ dus meer daar gaan zoeken.

Het is in ieder geval duidelijk dat Jezus niet kiest
voor het harde, verstarde centrum van de godsdienst,
waar de zuiveren menen de enige, echte doctrine te bezitten
en door strakke instellingen hun macht laten gelden,
maar dat Hij kiest voor een gebied van gewone, bescheiden mensen,
die openstaan voor allerlei godsdienstige opvattingen.
De tekens dat het Rijk Gods groeit
- ‘ommekeer’, ‘genezing’, ‘bevrijding’ en ‘heil’ - worden zichtbaar,
niet te midden van het enge joodse rigorisme,
wel in het multicultureel en religieus tolerant Galilea.

Want, dieper dan de meer open sociaal-culturele geest,
was de eigenlijke reden waarom Jezus deze keuze maakte
een religieuze reden: Hij had nl. een andere visie over God .
Voor Jezus is God niet
de ongenaakbare, hoogheilige tempel-Jahweh,
die de gewone mensen alleen maar zouden kunnen ontmoeten
door Hem offers te brengen door bemiddeling van de priesters
of door strikt te gehoorzamen aan de geboden van de schriftgeleerden.
Voor Jezus is God
de liefde die in het hart van elke mens aanwezig is,
onmiddellijk bereikbaar, dus heel nabij.
"Het Rijk van Gods liefde is in u!"
De bekering die Jezus vraagt is een omschakeling van opvatting:
durven geloven dat God geen dreigende of straffende heerser is
die wij ontmoeten in een tempel,
beheerd door eisende functionarissen van de religie;
maar durven geloven in een God
die ons in het gewone leven van elke dag graag ziet
en die ons overal en rechtstreeks uitnodigt tot wederliefde.
Juist om dit duidelijk te maken
gebruikt Jezus voor God ook een nieuwe naam:
niet "Jahweh", maar "Vader".
Echt christendom zal daarom ook de mensen niet dwingen,
maar hen steeds uitnodigen
om het liefdesaanbod van God, die Vader is,
te beantwoorden met wederliefde,
dus in dankbaarheid en vanuit vrije wil.

In dezelfde lijn ligt Jezus’ keuze van Zijn medewerkers,
Zijn eerste leerlingen.
Het zijn geen godsdienstspecialisten of geleerden,
maar gewone werkmensen, vissers.
Het is geen groep die macht uitoefent op anderen,
maar het zijn eenvoudigen,
die persoonlijk worden aangesproken om anderen te dienen.
Hun voornaamste taak is niet te oordelen
of een scheiding te maken tussen goeden en slechten,
maar integendeel mensen te verenigen,
allen zonder onderscheid te redden van zinloosheid en vervreemding.
De goede boodschap die zij in Jezus' naam zullen uitdragen
is een boodschap die mensen losmaakt
van alles wat hen tegen elkaar opzet
en die oproept tot een bevrijdende verbondenheid en gemeenschap.
"Als God ons aller Vader is,
dan is onze levensopdracht broers en zussen te worden van elkaar!"
Volgens de visie van Matteüs vandaag
maakte Jezus dus een bewuste keuze:
tégen de machtstempel, vóór de volkskerk,
tégen de elite-clerus, vóór de gewone mensen,
tégen de eisende en straffende doctrine,
vóór de bemoedigende en reddende boodschap,
tegen de Jahwe van de wet, vóór de liefdevolle Vader,
symbolisch samengevat: tégen Jeruzalem, vóór Galilea.

Drie jaar later
zal ‘Jeruzalem’ Jezus toch in haar macht krijgen en Hem kruisigen.
Maar daarop volgt de verrijzenis.
En op die morgen luidt bij Matteüs
de boodschap van de verrijzenisengel juist:
"Ga naar Galilea, daar zult gij Hem levend zien!"

Het christelijk geloof zal, zoals vroeger in de geschiedenis,
ook vandaag worden vernieuwd,
niet vanuit Jeruzalem, wel vanuit Galilea,
niet vanuit het centrum,
wel vanuit de marge, van ergens aan de rand,
dat juist de uitvalsbasis wordt
voor de uitbreiding tot alle volkeren.



Marc Gallant

Monnik te Orval

Overweging (2014)

Na zijn verblijf in de woestijn gaat Jezus onmiddellijk naar Galilea. Hij slaat ook Nazaret en zijn familie over. Een nieuw tijdperk breekt aan. Jezus neemt de fakkel over van Johannes de Doper die gevangen gezet is. De boodschap waarmee hij begint: “Het Rijk der hemelen is nabij”, klinkt als een echo van de prediking van Johannes, maar tevens als een uitdaging voor hen die Johannes gevangen houden.
Jezus begint evenwel iets nieuws. In tegenstelling met de Doper, wil hij een rondtrekkend profeet zijn. Daarom verkiest hij zich te Kafarnaüm te vestigen. Dat is een strategische plaats op het kruispunt van de wegen die de toegang ontsluiten tot de Syro-fenicische kuststeden, de Golan en de Decapolis. Men spreekt er trouwens Grieks zowel als Aramees.
Jezus zal “het Rijk der hemelen” verkondigen. Jezus gebruikt die uitdrukking 32 maal in in het Matteüsevangelie. Hij laat ze vaag, legt ze niet uit, maar steeds expliciteert hij er de inhoud van door parabels te vertellen.
In het Hebreeuws bestaat ‘hemelen’ niet in het enkelvoud. ‘Hemelen’ is een metafoor om ‘God’ aan te duiden die men uit eerbied vermijdt te vernoemen. ‘Rijk der hemelen’ betekent dat God heerst, echter niet in de wolken maar daadwerkelijk in de mensenwereld. Zijn Rijk heeft zijn eigen waarden die totaal verschillen van de waarden gangbaar in de aardse koninkrijken. Van meet af aan moeten we duidelijk stellen dat het niet gaat om de aardse werkelijkheid te ontwijken, maar om er in de dagelijkse manier van leven de gratuïteit van Gods liefde uit te drukken.

De roeping van de eerste leerlingen is een ets van de concrete manier waarop het ‘Rijk der hemelen’ nabij komt en zich ontwikkelt. Jezus wandelt eenvoudigweg langs ‘de zee van Galilea’. Zoals Marcus heeft Matteüs een Palestijnse kijk op de zaken en hij beschouwt dit meer als een zee. Lucas, die als internationaal reiziger met Paulus de zee bevaren heeft zal die ‘zee’ meer bescheiden ‘het meer van Genezaret” noemen (Lucas 5,1).

Onder het wandelen treft Jezus Andreas en Simon aan, die hij reeds in de omgeving van de Doper had ontmoet (cf. Johannes 1,40-42). Jonge mannen dus die niet honkvast waren, en bovendien nog vissers, lieden die zich op de golven durfden wagen, terwijl de Joden toch niet zoveel zeemansbloed in zich hadden. Juist het type mannen dat paste bij zijn project!
Simon is een Joodse naam, maar de naam ‘Andreas’ is Grieks. Jezus begint zijn actie in een midden waar er een goede culturele integratie is tussen judaïsme en hellenisme, normaal voor de kuststreek van het meer waar de mensen meer open zijn en de contacten vol verscheidenheid. Er schetst zich reeds een openheid naar een kosmopolitische missie die het kader van Israël zal overstijgen.
Beide broeders zijn van het vissersdorp Betsaïda (Johannes 1,44), maar ze hebben een huis te Kafarnaüm (Marcus 1,29), waar Jezus logeerde. En ongetwijfeld, zoals alle rabbi's verdienden Jezus en zijn leerlingen hun brood met hun handenarbeid tussen twee missiesessies door. Dat begrensde enigszins hun actie tot de streek van hun arbeidsplaats, in afwachting dat groep vrouwen uit gegoede middens voor hen zou zorgen (Lucas 8,3).

“Kom achter mij”. Jezus roept zijn leerlingen met de uitspraak die de verhouding typeert tussen de rabbi en zijn leerlingen. Om Jezus achterna te gaan moet men vele dingen achterlaten. Maar Jezus voegt daar onmiddellijk aan toe: “ik zal van jullie mensenvissers maken”. Jezus volgen werpt je zomaar midden de mensen om ze naar God te brengen. Als Lucas deze uitdrukking gebruikt zal hij preciseren en het werkwoord ‘zôgreô’ gebruiken, dat betekent: ‘levend vangen’ (Lucas 5,10). Mensen vangen opdat ze zouden leven. En om echt te leven moeten ze vrij zijn.
“De glorie van God, zegde de heilige Ireneüs, is de levende mens ; het leven van de mens is God te aanschouwen” (Contra Hœreses, livre 4, 20:7).
Voor dit project, mensen God te laten aanschouwen, hebben de leerlingen onmiddellijk vader, vaartuig en netten achter gelaten om Jezus te volgen.





B-jaar: Marcus 1, 14-20

Frans Mistiaen sj

Mensenvissers worden!

Jezus verkondigt ons een heilzame boodschap:
"Het Rijk Gods is nabij!"
Daardoor ontstaat een heel nieuwe relatie
tussen God en de mensen,
maar die van ons een bekering vraagt van oordeel en hart.

Wij krijgen het geschenk van Gods Liefde.
Daardoor kan God over ons nooit meer
een dwingende albeheerser zijn, maar is en blijft Hij
de uitnodigende Kracht in het hart van de wereld,
die ons geen schrikt aanjaagt als onderdanige dienstknechten,
maar die uitnodigt ons aan Hem toe te vertrouwen
als dankbare en verantwoordelijke mensen
die kunnen liefhebben uit vrije wil.
En zulk een geloof vraagt ons al die opgebouwde grenzen,
die ons zo vervreemden van elkaar, te doorbreken,
het onderscheid tussen goeden en slechten,
tussen wie gelijk heeft en ongelijk,
tussen gelovigen en ongelovigen.
tussen strekkingen binnen de Kerk.
Het geleidelijk overbruggen van al die scheidingen,
dat is het ander aspect van de reddende bekering
waartoe Jezus ons vandaag oproept.

Als voorbeeld van zo’n bekering
biedt het evangelie van vandaag ons de ervaring
van Jezus’ eerste leerlingen
die geroepen werden om mensenvissers te worden
in dienst van de liefdeGod.

Jezus verlaat Jeruzalem,
de versterkte stad met de heilige tempel op de berg,
waar op macht beluste priesters en scrupuleuze schriftgeleerden
het voor het zeggen hebben
en aan de mensen hun verharde religieuze opvattingen opdringen.
En Hij trekt rond in Galilea,
de open landstreek tussen de zee en het meer,
waar verdraagzaamheid heerst
te midden allerlei godsdienstige stromingen.
Galilea is de plaats, waarheen later
de eerste paasleerlingen door de engel van de verrijzenis
zullen worden gestuurd "om er de levend Heer te zien".
Ons “Galilea”, dat is dus de plek in ons leven
waar wij vechten tegen verstarde godsdienstige structuren,
waar wij bevrijding van macht en eigenbelang beogen,
waar Gods mentaliteit begint te groeien,
waar de verrezen Liefde opnieuw werkzaam aanwezig komt.

De levende Jezus verschijnt regelmatig in “dat Galilea”,
langs het meer van ons leven.
Hij vindt er ons bedrijvig in de sleur van ons dagelijkse werk:
altijd maar opnieuw die netten uitgooiend,
dikwijls zonder veel te vangen,
en dat nog wel heel dicht bij enkele anderen
die, een steenworp verder, op dezelfde vis zitten te azen.
Wij zijn omring door vervelende concurrenten -
en moeten meewerken in een bedrijf,
waar de daglonersmentaliteit groeit onder de werknemers,
die er vooral op uit zijn voordeel te zoeken voor zichzelf.
Het leven is hard aan de oever van het meer van ons leven.
Maar zo vindt de Heer ons, wanneer Hij langs komt,
wanneer Hij Zijn aanwezigheid weer eens laat ervaren,
dikwijls vrij onverwachts,
in een stille wenk of uitnodiging van iemand die wij ontmoeten.
Dan roept Hij ons op die zware netten los te laten,
die kleurloze alledaagsheid,
die mentaliteit van eisende werknemers,
die onvruchtbare bindingen aan ons eigenbelang
en die overdreven zucht naar onafhankelijkheid,
die concurrentievrees en die verdeeldheid.
En Hij vraagt dat wij ons durven overgeven
aan de dieper sluimerende verlangens van ons hart
die Hij weet wakker te maken:
mensen als vissen in een eenheid verzamelen,
onszelf met al onze kracht geven in dankbaarheid
en werken in verbondenheid met elkaar
om anderen samen te brengen
tot diezelfde bevrijdende liefdegemeenschap.

Jezus vraagt ons Hem te volgen,
d.w.z. in de voetstappen te treden van Zijn liefdeweg.
Het is dus nog niet uitgemaakt wat dit concreet betekent.
Het leven zelf zal ons duidelijk maken
wat de liefde eigenlijk van ons vraagt.
Wij zullen stapsgewijze groeien in het navolgen van Jezus
en telkens opnieuw keuzes moeten maken voor Zijn prioriteiten.
Maar in ieder geval gaat het voortaan
in de richting van die grondkeuze:
"mensenvissers worden",
dwz. niet meer als geïsoleerde concurrenten
ons eigenbelang nastreven,
maar gezamenlijk dienstbaar zijn,
in dankbare verbondenheid,
om velen samen te brengen in Zijn liefdegemeenschap.

De eerste leerlingen lieten hun netten, hun klein familiebedrijf
en de veeleisende knechten in de steek en volgden Hem.
Het is echt de moeite waard
om aan die grote Mensenvisser ons leven te geven.



Marc Gallant

Monnik te Orval

Overweging (2012)

Marcus schrijft zijn evangelie voor de christenen van Rome. De vervolgingen beginnen, de getuigen van Jezus’ leven sterven, en het is aangewezen hun mémoires op te tekenen opdat ze niet verloren gaan. Marcus doet het in de beknopte stijl van de geheugennota.

Wat is Jezus’ eerste activiteit in het Marcusevangelie? Hij omringt zich met leerlingen die Hij laat deelnemen aan heel de belevenis van zijn openbaar leven (1, 21.28; 2, 15; 3, 7; 5, 37; 6, 1; 8, 27 ...). Jezus begint met een gemeenschap te vormen, een familie van leerlingen “om met Hem te zijn en op zending te sturen” (3, 14). Als getuigen van zijn optreden, zullen zij zijn werk verder kunnen zetten. Zo suggereert Marcus dat Jezus’ leven zich verder zet in de Kerk, nu door ons die zelf dit getuigenis ontvangen hebben en doorgeven.

Marcus schematiseert het verhaal van de roeping der eerste leerlingen: Jezus komt voorbij, hij ziet mensen aan het werk, hij roept ze en ze volgen hem terstond. Men heeft een indruk van overhaast. Marcus geeft overigens dat gevoel van gejaagdheid door een massief gebruik van het bijwoord “terstond”. Hier tweemaal gebruikt (verzen 19a en 20a), komt het elfmaal voor alleen reeds in het eerste hoofdstuk. Meestal heeft dat ‘terstond’ geen enkele chronologische betekenis. De zin ervan is dat er geen tijd te verliezen valt, als het Rijk Gods zich aandient.

Dat betekent echter niet dat alles bij Marcus maar enscenering is zonder historische waarde. Wel integendeel, die theologische schematisering veronderstelt een diepe verankering in Jezus’ leven, en werpt een helder licht op de conditie van de leerling die hem op de voet volgt.
De leerlingen hebben werkelijk met Jezus geleefd. De uitdrukkingen “volgen, achterna gaan” (Grieks: opisô elthein) maken deel uit van het vocabularium dat de relaties uitdrukt van een groep leerlingen met een rabbi, en Jezus zelf ontvangt soms de titel van rabbi. De menigte was echter “getroffen omdat hij onderwees met gezag en niet zoals de wetgeleerden” (Marcus 1, 22). Er was hier dus meer dan een rabbi. Jezus “volgen” betekent meer dan de relatie met een rabbi die ter plaatse blijft. Jezus gaat op tocht: Hij vraagt zijn leerlingen zich te engageren in een avontuur dat een totaal engagement vereist. Het is te begrijpen dat de evangelisten het woord “vergezellen” (Grieks: akolouthein) verkiezen vooral voor de apostelen die met Jezus leven.

Jezus wil van zijn leerlingen ”mensenvissers” maken. Deze uitdrukking is origineel, en komt nergens voor in de rabbijnse of hellenistische literatuur. Maar wat is de zin van dit authentieke woord van Jezus? Wanneer Marcus zijn evangelie schrijft, zijn de omstandigheden grondig veranderd. Leerling zijn van Jezus is nu niet meer zomaar lopen op de wegen van Palestina, maar deel uitmaken van de wereldwijde gemeenschap der gelovigen. De Goede Boodschap heeft de joodse kringen verlaten en is wereldwijd verspreid.

Het roepingsverhaal van de apostelen wordt nu een oproep die gericht is tot ieder mens. Marcus heeft in zijn evangelie voldoende kentekens geplaatst die deze transpositie suggereren. Om te beginnen past hij het schema van de roeping van de eerste leerlingen toe op het roepingsverhaal van Levi, die geen deel uitmaakt van de groep der Twaalf, en die geen eigen zending ontvangt. “Jezus komt voorbij en ziet Levi, zoon van Alfeüs, gezeten aan zijn tolkantoor. Hij zegt hem: ’Volg mij’. Levi stond op en volgde Hem” (Marcus 2,14). Zelfde scenario, zelfde onmiddellijk antwoord. Jezus neemt onmiddellijk daarop de maaltijd met de tollenaars en zondaars en Marcus verduidelijkt: “want velen volgden hem” (Marcus 2,14). Jezus verklaart dat hij “de zondaars roept” (Marcus 2,17) om zijn leerlingen te worden, en Levi is daar de eerste van. Marcus denkt hier natuurlijk aan de verruiming van het christendom dat in zijn tijd het joodse milieu verlaat om naar de heidenen te gaan. Hij drukt die overgang ook uit door vanaf het begin van zijn evangelie erop te wijzen dat Jezus voortdurend zijn kleine groep meeneemt buiten de grenzen van Israël, aan de overkant van de zee van Galilea (1,38 ; 4,35 ; 5,1 ; 6,45 ; 7,32 ; 8,27) of naar Tyrus en Sidon (3,8 en 7,24). Leerling zijn, Jezus volgen, is voortaan met Hem naar de heidenen gaan. Dat wordt waargemaakt zich in het leven van de gemeenschap na Pasen.

In het verhaal van de roeping van Levi, vermeldt Marcus niet dat Levi zijn beroep of zijn bezittingen vaarwel zegt. Jezus volgen betekent niet dat we een levensstijl moeten aannemen zoals destijds in Palestina. Maar wel van op een of andere manier deel te nemen aan Jezus’ bestemming. Wat dan wel? Merk op dat Marcus voor de apostelen slechts tweemaal de uitdrukking “achter laten, in de steek laten” (Grieks: afentes) gebruikt. Eerst in het roepingsverhaal “ze laten hun netten … hun vader achter”. En dan op het ogenblik van Jezus’ aanhouding “hem in de steek latend (Grieks: afentes), vluchtten zij allen weg” (Marcus 13, 50). Daar zit duidelijk een bedoeling achter: het dient tot niets zijn bezittingen achter te laten als het is om Jezus bij doodsgevaar in de steek te laten.

Jezus volgen is geen situatie van 2000 jaar geleden kopiëren. Het is voortaan, met Jezus, het kruis dragen in het dagelijkse leven (Marcus 8, 34). Doch dat is slechts mogelijk als de leerling ook vandaag, zoals de eerste leerlingen, bereid is zich in zijn dagelijkse bezigheid door Jezus te laten roepen en Hem op de voet te volgen.



Overweging (2015)

“De tijd is vervuld. Het Koninkrijk Gods is nabij. Bekeer je. Geloof in de Blijde Boodschap!”: dat verkondigt Jezus ons vandaag.

De tijd is vervuld: na de verkondiging van de profeten is God zelf aan het werk in de persoon van Jezus. Wat moeten wij dan doen? Ons bekeren. Wat betekent dat? Het Griekse werkwoord voor: “bekeert u” (metanoeite) betekent, letterlijk vertaald: “verander van mentaliteit”. “Verander van mentaliteit en geloof in de Blijde Boodschap”. Wij moeten echt van mentaliteit veranderen, want we geloven niet gemakkelijk in het goede nieuws dat God zich om ons bekommert, dat Hij met ons komt leven, dat wij waarde hebben in zijn ogen. Gods invasie in onze wereld is het grootste nieuws van alle tijden. Het luidt: “Mens, je bent niet verweesd achtergelaten in een duistere vereenzaamde wereld van lijden en dood. Je bent er omdat je bemind bent, geroepen als je bent tot de vreugde van een liefde die alles te boven gaat.” Geloven in die Blijde Boodschap verandert gans ons leven!

Inderdaad, “Het Koninkrijk Gods is nabij”: God is op handen. Er is geen tijd te verliezen. Marcus heeft voortdurend het woord ‘terstond, meteen, onmiddellijk’ (Grieks: euthus) in de mond. Meteen zien we Jezus stappen langs het meer van Galilea. Hij is geen toerist die langs het strand kuiert: Marcus gebruikt hier de militaire term voor een leger op mars (Grieks: paragôn). Jezus stapt met besliste tred. Hij weet wat Hij wil. Hij weet waarover het gaat en waar Hij naartoe wil: Hij zoekt vermenigvuldigers om zijn boodschap uit te dragen, en die gaat Hij zoeken langs het meer van Galilea.

De Joden waren geen zeevaarders. Dat gevaarlijk beroep lieten zij liefst aan de Tyriërs en Feniciërs. De stoutmoedigsten onder hen gingen vissen op het meer van Galilea. Zoiets twintig jaar geleden heerste er een grote droogte in Galilea, en het waterpeil van het meer was gedaald met anderhalve meter. De Archeologische Diensten van Israël hebben ervan geprofiteerd om opgravingen te doen in het vrijgekomen slib. Zij vonden er twee visserssloepen, een van 6 en een van 8 meter lang, die ze dateerden van zo een 2000 jaar geleden. Het zouden de bootjes van de apostelen kunnen geweest zijn. Wat hen verwonderde was dat die sloepen zeer laag van boord waren, echt niet geschikt om ermee op zee te varen, maar veeleer om op een kanaal te gaan roeien. Marcus noteert inderdaad dat de golven bij stormweder het bootje van de apostelen overspoelden (4, 37). Ja, het waren echt stoutmoedige kerels die zich daarmee op visvangst durfden te wagen. Daarom stapt Jezus langs het strand. Hij zoekt mensen met durf, mensen die iets kunnen riskeren, die weten te reageren, die vermogen het hoofd bieden in moeilijke omstandigheden, en die ook niet ontmoedigd zijn als alles tegenslaat en er gans de nacht niets gevangen wordt. Kortom, Jezus zoekt mensen zoals je die nodig hebt voor een nieuwe evangelisatie.

Wij hoorden het verleden zondag: Jezus had reeds met die mannen gepraat, en bij de Jordaan kennis met hen gemaakt (Johannes 1, 35 - 42). Het was daar toch wel een beetje een speciaal, surrealistisch, klimaat bij Johannes de Doper met zijn kameelharen kleed. Maar hij was ook met hen op de bruiloft te Kana (Johannes 2, 2), waar ze het samen zo goed vonden dat ze er al de wijn uitgedronken hadden: dan weet je toch een beetje met wie je te doen hebt, en wie wie is. Nu zoekt Jezus hen op in hun eigen leefmilieu, in hun gewone doen, in het realisme van elke dag, buiten alle mystieke bevlieging. Maar Hij vraagt hen dan ook op de man af: “Volgt Mij. Ik zal u mensenvissers doen worden”.

Het is in ons dagelijks doen dat Jezus naar ons komt met die buitensporige vraag. Zoals de apostelen hebben we honderd redens om Hem te af te wijzen: “Waar wilt ge naartoe? Ziet ge niet waar ik sta met al mijn werk?” Maar omdat Jezus spreekt van man tot man hebben ze elkaar aangevoeld: Simon en Andreas, Jacobus en Johannes laten hun netten in de steek, ze laten hun boot achter, hun vader, hun werk, hun leven.

En wat zijn ze nu? Mensenvissers? Neen, dat moeten ze juist nog worden. Mensenvisser, ‘t is te zeggen christen, dat ben je nooit. Je wordt het. Je wordt het telkens meer als Jezus je nodig heeft om zijn woord tot iemand te richten. Maar je bent geroepen op de eerste plaats om met Jezus te zijn (Marcus 3, 14), om eerst jezelf op te vissen en naar Jezus toe te halen.

Dan zul je ook de storm van het ongeloof aankunnen.





C-jaar: Lucas 5, 1-11

Paul Kevers

Mensen vangen! Hoezo?

(P. KEVERS in Samuel, uitgeverij Averbode, 2004 nr 5, p. 12)

Heb je al eens vissers bezig gezien. Of ben je misschien zelf al eens gaan vissen? Dan weet je waarschijnlijk dat je dikwijls niets vangt, en dat je veel geduld moet hebben... De eerste leerlingen van Jezus waren vissers. Hoe zij leerling van Jezus werden, vertelt Lucas in zijn evangelie in een bijzonder verhaal. Jezus spreekt het volk toe aan de oever van het meer. Omdat er zoveel volk is, vraagt Jezus aan visser Simon of Hij de mensen vanuit zijn boot mag toespreken. Jezus begint dus met aan Simon een dienst te vragen.
Daarna zegt Hij tegen Simon: 'Vaar nu naar diep water en werp daar de netten uit!' 'We hebben de hele nacht niets gevangen,' antwoordt Simon, 'maar als U het zegt, zal ik het doen.' Vreemd, vind je niet, dat een beroepsvisser zich zomaar laat zeggen wat Hij moet doen door iemand die geen visser is? Maar, o wonder: ze vangen volop vis. Een andere boot moet komen helpen. Simon is helemaal ontdaan, hij vermoedt dat hier iets bijzonders aan de hand is, iets dat van God komt. 'Ik ben een zondig mens...' stamelt hij. 'Niet bang zijn,' zegt Jezus, 'voortaan zul je mensen vangen.' Dat moeten we goed verstaan. Letterlijk staat er: 'mensen opvissen' (uit het bedreigende water, waarin je verdringt), 'mensen redden.' Simon en zijn vrienden worden door Jezus opgeroepen tot een nieuwe taak. Ze laten alles achter en volgen Hem!



Frans Mistiaen sj

Gooi opnieuw de netten uit

Jezus komt regelmatig langs,
aan de oever van het meer van ons leven.
En daar zijn mensen die aandringen om een woord van God te horen.
Eigenlijk zijn er heel velen die - juist zoals ik -
diep in het hart aandringen, verlangend uitzien
naar een woord van bemoediging en troost,
naar een woord van iemand die zegt: "Doe voort! Het is het goed!",
naar een woord van vertrouwen, van vrede,
van vergeving en van hoop... naar een woord van God dus.

Maar aan datzelfde meer van het leven
zitten er ook vissers die uit hun boot zijn gestapt.
Zij hebben niets gevangen en zij spoelen ontgoocheld hun netten.
Soms voel ik mij eerder een beetje tussen hen zitten.
Want allemaal varen wij toch regelmatig uit
voor één of andere grote vangst.
Allemaal hopen wij, op een belangrijke domein van ons leven,
toch wel een overwinning te behalen.
Maar soms krijgen wij dan wel de indruk
terug te komen met heel lege netten, met een grote ontgoocheling.
Dat is nog niet erg als wij erop uit zijn
het later - op een ander domein of op een andere manier -
opnieuw te proberen.
Het wordt alleen erg als wij zouden gaan doen zoals die vissers:
uit onze boot stappen, erbij gaan zitten
en moedeloos onze lege netten blijven spoelen.
Altijd maar in onze gedachten
onze nederlagen heen en weer draaien en keren,
om er uiteindelijk toch alleen maar lege mislukkingen te vinden.
Als wij blijven piekeren over onze tegenslagen en ontgoochelingen,
dan geraken wij in die netten hopeloos verstrikt.
Dan zijn wij zodanig met onszelf bezig, dat wij het belangrijke,
dat nochtans heel nabij gebeurt, zelfs niet meer merken,
zoals die vissers die hun netten blijven spoelen,
ook als Jezus begint te spreken
een weinig verder aan de oever van hun leven.

Maar de Heer komt ook bij die netten spoelende vissers langs.
Hij nodigt ook ons weer uit, te midden van onze ontgoocheling.
Wij hebben misschien gemerkt
dat Jezus in het verhaal drie vragen stelt, drie opdrachten geeft.
De Heer vraagt ons inderdaad veel, maar nooit alles ineens.
Hij doet het meestal heel geleidelijk aan.

Eerst vraagt Hij ons een eindje van wal te steken.
Dat lijkt een kleine, maar is al een heel belangrijke beslissing:
die eerste stap om de veilige oever
van onze gevestigde zekerheden te verlaten
en ons weer te wagen op een wankele boot,
naar het wat onbekende.
Weer eens durven ingaan op een kleine vraag
van iemand die ons uitnodigt ergens een handje toe te steken.
Het is de eerste beweging van op te staan
uit de netten van onze zelfinteresse en ons eigenbelang.
Een kleine stap, die ons ver kan brengen.

Onmiddellijk daarna spreekt Jezus echter voort
tot het volk, tot de anderen.
Hebt gij het ook al meegemaakt
dat de Heer u eerst iets vraagt, waarop gij ja zegt,
maar dat gij onmiddellijk daarna de indruk krijgt
dat Hij Zich vooral met anderen bezig houdt
en u wat lijkt te vergeten?
Die indruk is verkeerd.
De Heer komt weldra terug, maar nu met Zijn tweede vraag,
met een veel belangrijkere opdracht.
"Vaar naar het diepe!, het diepe in uzelf,
het diepe in de anderen, het diepe in de wereld.
Blijf nu eens niet bij de oppervlakkige dingen steken,
maar durf weer op zoek gaan naar het diepere in uw leven.
En gooi uw netten uit!
Durf u weer geven, niet angstvallig of terughoudend,
maar met een ruim gebaar, gul en royaal."

Natuurlijk willen wij dat eerst niet!
Natuurlijk hebben wij eerst heel wat opwerpingen:
"Wíj zijn toch erváren vissers,
wij kénnen het leven nu toch al!
En wij, wij hebben een hele, lange nacht gezwoegd!
Wat komt Gij, Jezus - een timmermanszoon dan nog -
aan ons, vissers, de stiel leren?”
Zou de Heer ons vandaag nog wel iets kunnen bijbrengen
over de kunst van het echte leven?...
Misschien meer dan wij vermoeden.
Petrus herpakt zich vlug en zegt:
"Heer, omdat Gij het vraagt,
zal ik toch de netten opnieuw uitgooien."

“En toen vingen zij een massa vissen, hun boten boordevol”.
Dat is een beeld om iets te zeggen over de wonderbare ervaring
die Petrus daar heeft meegemaakt, op het meer,
met Jezus in zijn boot.
Het moet iets heel aangrijpend geweest zijn.
Daar is een vriendschap gegroeid,
een gevoel van diepe verbondenheid,
van innig vertrouwen en van geluk,
van medeverantwoordelijkheid en van hoop.
Petrus werd er Jezus’ vriend, een vriend voor het leven!
Een heerlijke ervaring, een goddelijke ontmoeting,
overstelpend, overweldigend.
Hoe druk je zo'n ervaring uit?
Vermits het vissers waren
vertelden zij het met visserswoorden, in hun visserstaal:
ze verhaalden dus over hun "wonderbare visvangst".

Wat doen wij als wij zo'n heerlijke ervaring meemaken
van geluk, vriendschap, verbondenheid en vertrouwen?
Dan hebben wij twee reacties
en ze staan allebei in het verhaal beschreven.
"Toen wenkten zij hun maten in de andere boot,
om hen bij het vangen te komen helpen."
Als wij iets heerlijks hebben beleefd,
dan voelen wij de nood om dat in vertrouwen
te vertellen aan iemand anders.
Wij kunnen dat overgrote geluk niet alleen aan.
En als dit dan ook nog een echte vriend of luisterende vriendin is,
dan wordt ook die andere blij met ons geluk.
Het is dan alsof de vreugde overloopt van het ene hart in het andere.
"Toen vulden zij de beide boten, boordevol."
En de tweede reactie is die van schroom en heilige verbijstering.
Bij zo'n ervaring voelen wij ons klein.
Heel dankbaar, maar ook klein.
"Ga weg van mij, Heer, want ik voel mij maar
een kleine en zondige mens!"
Wij voelen heel duidelijk aan
dat wij zulk een vriendschap niet zelf hebben veroverd,
maar dat zij ons wordt gegund en geschonken.
Hierbij past alleen grote bescheidenheid,
dankbaarheid en heilige schroom.
"Zo ging het ook met allen die met Simon-Petrus samenwerkten..."
dus met u en met mij.

Maar dan komt Jezus met Zijn derde vraag,
met Zijn belangrijkste opdracht:
"Wees niet bevreesd! Voortaan zult gij erop uit zijn
mensen tot leven samen te brengen."

Dit is de taak van elke christen, van elke volgeling van Jezus:
mensen die verloren dreigen te gaan
of die aan de rand gesukkeld zijn,
redden, samenbrengen tot leven.
Waar wij ook komen of werken,
met de talenten en de mogelijkheden die wij slechts hebben,
niet bevreesd zijn mensen tot nieuw leven te wekken.
En dat doen wij al.
Iedere keer als wij een kleinere of zwakkere niet alleen laten zitten,
maar hem of haar een kans geven erbij te horen.
Iedere keer als wij erop uit zijn
- in ons gezin, op ons werk, in ons engagement -
door een klein bemoedigend woord
anderen te redden van al het pessimisme
die hen dreigt te overspoelen en naar beneden trekt.

Mensen, dit is een verhaal voor ieder van ons.
Met wat wij de laatste tijd weer hebben ervaren
kan ieder van ons zich wel ergens in dit verhaal heel goed herkennen.
Misschien voelen sommigen zich eerder thuis
bij het begin, bij diegenen die in de grond van hun hart
verlangend uitzien om een woord van God te horen,
of anderen bij die vissers, die ontgoocheld hun netten blijven spoelen.
Misschien hebben wij de laatste dagen een zachte uitnodiging gehoord
om weer een eindje van wal te steken,
of werden wij getroffen door de opdracht: "Vaar naar het diepe!"
Misschien ervaren wij ons de laatste tijd eerder
midden op het meer met Jezus in onze boot, dankbaar en schroomvol,
of nodigt de Heer ons juist nu uit
niet bevreesd te zijn mensen tot leven samen te brengen.

Hij vraagt ons in ieder geval vandaag
die dodende netten van het eigenbelang,
waarin wij dreigen verstrikt te geraken, opnieuw open te gooien
en Hem te volgen om een nieuwe taak op ons te nemen
en écht te gaan leven.
"Gooi vandaag opnieuw uw netten uit!"



Marc Gallant

Monnik te Orval

Overweging (2013)

“Zij lieten alles achter om Hem te volgen”.

Vooraleer zij alles achterlaten om Hem te volgen, heeft Jezus herhaaldelijk zijn leerlingen moeten roepen en nog eens roepen. Hij roept ze als zij nog luisteren naar Johannes de Doper: zij komen en zij zien (Johannes 1, 39). Hij roept ze als ze hun netten herstellen, en zij verlaten hun netten (Marcus 1, 18). Hij roept ze nog als Hij de berg bestijgt en er twaalf uitkiest om met Hem te zijn (Marcus 3, 13). En hier nu roept Hij ze na een onvergetelijke visvangst. Dit maal verlaten zij alles om Hem te volgen. Met ons gaat het evenzo. Ook voor ons moet Jezus zijn oproep herhalen, ons aan onze zending herinneren. Hij roept ons, wij zijn ervan onder de indruk, wij volgen Hem met een voetje, maar wij houden ons ander voetje bij. Je moet toch voorzichtig zijn en niet te hard van stapel lopen!

Daarom roept de Heer ons iedere dag, zoals Vader Benedictus het ons in zijn Regel zegt. Het is wel nodig. Wij hebben ook zoveel te doen op een dag. Daarom roept de Heer ons in ons dagelijks leven, in onze gewone bezigheden. Simon en zijn mannen zijn hun visnetten aan het spoelen. Jezus kijkt niet naar het geschikte ogenblik. Het is niet het beste moment om iemand aan te spreken als hij met vieze handen, halfnat en met de voeten in het water, netten aan het spoelen is. Jezus neemt ons soms op het onverwacht. Als we toch naar Hem luisteren, dan kan het de visvangst van ons leven worden, een gebeurtenis die gans ons leven verandert, zoals het met Simon Petrus is gebeurd.

Simon Petrus was leerling geworden van Jezus, en hij ging verder met zijn beroep van visser. In Jezus’ tijd moest men, om leerling te zijn van een rabbi, verplicht een ambacht uitoefenen. Zo moet Paulus van Tharsus, een jongen van goede afkomst, want hij kan zich Bijbelstudies veroorloven bij de beroemde Gamaliël te Jeruzalem, een ambacht leren om Bijbelleerling te kunnen zijn, en hij wordt tentenwever. Het volstaat immers niet te luisteren naar Gods Woord, je moet het Woord ook in de praktijk overbrengen. Wat de leerling hoorde bij zijn meester, dat trachtte hij waar te maken in het dagelijkse leven, en niets is zo efficiënt als de handenarbeid om hetgeen je gehoord hebt in je diepste zelf te laten bezinken. De rabbi was immers geen verkoper van theorieën, maar een meester van levenskunst. Meester en leerling deden soms samen hetzelfde werk. Zo gaat Jezus ook mee op visvangst, want er moet voorzien worden in het levensonderhoud van de apostelengroep. En als Petrus de belastingen moet betalen voor Jezus en voor zichzelf, dan gaat hij ook nog wel vlug eens een visje vangen (Matteüs 17, 27).

Petrus vindt het dus normaal zijn boot ter beschikking te stellen als Jezus moet spreken tot een grote menigte die zich vergaderd heeft op het strand. Jezus spreekt ons toe uit het bootje van Petrus. Dat spreken vanuit het bootje heeft een dubbele betekenis. Het woord van Jezus komt tot de mensen vanuit het bootje waarmee Petrus zijn brood verdient, vanuit zijn werkgelegenheid. Men is niet apostel naast zijn dagtaak. Het is vanuit ons dagelijks bootje dat God zich tot de mensen kan richten.

Vanaf de eerste christenheid is het bootje van Petrus ook beschouwd geweest als symbool van de Kerk. De Kerk, een bootje in de storm, waar Jezus toch aanwezig is, zelfs al slaapt Hij (Matteüs 8, 24). De Kerk, het bootje waaruit Jezus de wereld toespreekt. De Kerk, het bootje waar Jezus Petrus weer in optrekt als deze, bij gebrek aan geloof, in de zee begint te zinken (Matteüs 14, 30-31). De Kerk, het bootje ook waar Jezus erkend wordt als de Zoon Gods (Matteüs 13, 32).

Inderdaad, in dat bootje kan je plots tot een diepere ontmoeting komen met de Heer, een ontmoeting die gans je leven verandert. De Heer vraagt je dan weleens iets dat paradoxaal is, menselijk onmogelijk. Aan Petrus vraagt Hij het visnet uit te werpen waar er absoluut geen vis zit, zoals een ganse nacht labeur het uitgewezen heeft. Als Petrus, tegen alle menselijke ervaring in, toch ingaat op Jezus voorstel, dan openbaart Jezus zich als de Meester van het onmogelijke, en Petrus ervaart Jezus’ onnoemlijke nabijheid. In die onuitstaanbare proximiteit ervaart Petrus de afstand die hem afscheidt van Christus, hij voelt aan dat hij maar een zondig mens is, niet waardig in Jezus’ nabijheid te toeven. Maar tegelijkertijd weet hij nu dat Jezus op hem rekent. Jezus zegt hem: “voortaan zult ge mensen levend vangen”. Het werkwoord dat Lucas hier gebruikt is niet “vangen”, maar “levend vangen” (zôgrein). Wat wij op elegante manier vertalen: “voortaan zult ge mensen vangen ten leven, voortaan zult ge mensen vangen opdat ze zouden leven”. Het beeld van de visvangst wordt hier omgedraaid: de vis die je uit het water in het bootje trekt moet sterven. De zwalpende mens, die je uit de zee trekt in het bootje van de Kerk, is gered ten leven.

Dat is ons aller apostolische roeping van mensenvissers, mensenredders. Een roeping zijn leven te geven aan God om Gods leven te geven aan de mensen.



Overweging (2016)

Lucas herwerkt de gegevens die hij heeft gevonden bij Marcus. Marcus brengt ons een eenvoudig verhaal. Jezus roept vissers om hem te volgen: "Kom met mij en ik zal van u mensenvissers maken. Onmiddellijk lieten ze hun netten en volgden hem" (Marcus 1, 17-18). Dat mensenvissen dat erop volgt is verrassend, want "de hele stad stond aan de deur" (Marcus 1, 33).
Lucas nu herschrijft het verhaal, ditmaal met Simon Petrus op de voorgrond. Daarin distantieert hij zich van Marcus. Volgens Irenaeus, een leerling van St. Polycarpus, zelf leerling van Johannes, heeft Marcus in zijn evangelie de prediking van Petrus te Rome opgeschreven. En juist nergens in dit evangelie, wordt Petrus op de voorgrond gesteld, integendeel. Men kan er als een teken zien van de discretie van Petrus. Zo bijvoorbeeld lezen wij bij Marcus: "Jezus vroeg zijn leerlingen een bootje voor Hem gereed te houden vanwege de menigte, om niet onder de voet gelopen te worden" (Marcus 3, 9). Lucas echter preciseert: "Jezus stapte in een van die boten, die van Simon, en vroeg hem een eindje van het land af te varen. Hij ging zitten en vanuit de boot gaf Hij de mensen onderricht" (Lucas 5, 3). We kunnen ons dat tafereel inbeelden. Het strand is er licht hellend en de mensen kunnen er in stijgende rijen gaan zitten. Traditioneel is het bootje van Petrus het beeld van de Kerk. Jezus spreekt tot ons van uit dit bootje.
Jezus zei tegen Simon zijn netten uit te werpen. Simon deed dat in geloof. Hij, de ervaren visser, schikt zich in vertrouwen naar de aanwijzingen van een timmerman van Nazaret: "Meester, de hele nacht hebben we ons al afgetobd zonder iets te vangen. Maar als U het zegt zal ik de netten uitwerpen" (v. 5). Het vertrouwen dat hij in Jezus stelt, resulteert in een wonderbare visvangst, zodat dat Petrus op de knieën valt en zich, met de woorden van Jesaja als zondaar erkent tegenover Jezus, zoals tegenover God (vgl. Jesaja 6,5-6).
Het verhaal van de wonderbare visvangst met het bootje van Petrus is een meer dan een wonderlijke visserservaring van de apostelen. Het wordt bij Lucas een parabel, een allegorische voorstelling die ons iets anders bijbrengt. Bij het einde van het verhaal reikt Jezus er ons de sleutel van aan: "Wees niet bang. Voortaan zul je mensen vangen” (Lucas 5, 10). Dat bootje met zijn vissers, mensen zoals jij en ik, betekent de Kerk, gewild door God als middel om al de mensen naar zich toe te trekken. De eeuwen door, blijft Christus in het bootje van Simon om de menigte te onderwijzen. Daartoe moet het bootje een beetje afstand houden van de kust (v.3). De Kerk moet een juiste afstand houden van de courante ideeën, de voorbijgaande modes, om aandacht te schenken aan de gezonde leer, zoals Paulus het nog zal herhalen (cf. 2 Tm 4, 3).
De passagiers van het bootje zijn nu de opvolgers van de apostelen en allen die zich inzetten voor de komst van het Koninkrijk van God. Hun inspanningen blijven vruchteloos zolang zij houden op eigen initiatief: “we hebben de hele nacht gezwoegd en niets gevangen“. Als ze echter ingaan op de oproep van Christus: “Meester, op uw woord zal ik de netten uitwerpen”, worden hun inspanningen beloond boven alle verwachting in. Voor de vruchtbaarheid van zijn zending heeft Jezus, de meester zelf, naar zijn Vader verwezen: "Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, die mij gezonden heeft hem tot mij trekt” (Johannes 6,44). Hij wijst er ons op dat we alles van de Vader te verwachten hebben. Het resultaat van alles wat we ondernemen zal dus evenmin van ons afhangen, maar van ons vertrouwen in God. En zijn vertrouwen in ons geeft ons alle initiatief!