Loading...
 

4e paaszondag B - evangelie

2 Herder


...page... Wiki page pagination has not been enabled.

Johannes 10, 11-18: Ik ben de goede Herder

De tekst

’Bijbel in gewone taal’

(Deze Bijbeltekst komt uit de Bijbel in Gewone Taal, © Nederlands Bijbelgenootschap 2014, p. 1694)

Jezus zei: ‘Ik ben de goede herder. Luister! Een goede herder geeft zijn leven om zijn schapen te redden. Maar iemand die ervoor betaald wordt om op de schapen van een ander te passen, doet dat niet. Dat is geen echte herder. Hij zorgt niet goed voor de schapen, want ze zijn niet van hem. Als er een wolf aan komt, laat zo iemand de schapen in de steek en vlucht weg. Dan valt de wolf de schapen aan en jaagt ze uit elkaar.
Ik ben de goede herder. Zoals een herder voor zijn schapen zorgt, zo zorg ik voor de mensen die bij mij horen. Ik geef mijn leven voor die mensen. Want ik ken hen, en zij kennen mij. Net zoals ik de Vader van dichtbij ken, en zoals hij mij van dichtbij kent.
Ook buiten Israël zijn er mensen die bij mij horen. Ook voor hen moet ik zorgen. En ook zij zullen naar mij luisteren en mijn volgelingen worden. Alle mensen die bij mij horen, zullen één grote kudde met één herder zijn.’
Jezus zei: ‘De Vader houdt van mij, omdat ik doe wat hij van mij vraagt. Ik geef mijn leven weg. Maar dat doe ik om het daarna weer terug te halen. Niemand kan mijn leven van mij afpakken, ik geef het zelf. Want ik heb de macht om mijn leven te geven, en ik heb de macht om mijn leven terug te halen. Dat is wat mijn Vader van mij vraagt.’



Dichter bij de tijd

(C. LETERME, Map Bijbel in 1000 seconden, fiche die hoort bij Johannes 10, 11-18)

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
‘Ik ben de goede herder.
Een goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen.

Een huurling is geen echte herder,
hij is ook niet de eigenaar van de schapen.
Wanneer hij een wolf ziet aankomen,
laat hij de schapen in de steek en vlucht weg.
De wolf rooft de schapen en jaagt ze uiteen.
De huurling rent weg omdat hij alleen voor geld werkt.
Hij heeft geen hart voor de schapen.

Ik ben de goede herder.
Ik ken die van Mij en die van Mij kennen Mij,
zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken.
Ik geef mijn leven voor de schapen.
Ik heb nog andere schapen
die niet van deze schaapsstal zijn.
Ook die moet Ik leiden
en zij zullen naar mijn stem luisteren
en het zal worden: één kudde, één herder.
De Vader houdt van Mij,
omdat Ik mijn leven geef.’



Stilstaan bij...

Herder
Herders pasten op geiten of schapen. Ze leidden hun kudde naar bronnen en weilanden. Ze bleven vaak de hele nacht buiten om hun kudde te bewaken en hielden zich warm met een jas van schapenvel of van een wollen stof.
Hun leven was hard: gras en water waren schaars. Heuvels en ravijnen maakten het weiden moeilijk. Wolven en jakhalzen bedreigden zowel de kudde als henzelf.
In de ogen van de joden waren ze onrein, omdat ze de rituele voorschriften niet volgden. Ze hadden een slechte naam en werden van heel wat beschuldigd: het beroven van eenzame reizigers en het verkopen van schapen die zogezegd door een wolf verslonden waren. Ze behoorden tot de laagste klasse, leefden aan de rand van het dorp, en hadden omzeggens geen rechten.

Een goede herder is daarom eerder het beeld van een heldhaftige liefde dan van een romantisch gevoel. Het is het beeld van iemand die door dik en dun zorg draagt voor zijn schapen. Jezus gebruikt het om zijn relatie met de mensen te illustreren.

‘Herder’ is in de Bijbel ook een koningstitel. 'Herder, kudde, weiden, hoeden...' zijn woorden die gebruikt werden om de relatie tussen een koning en zijn volk, en tussen God en de mensen aan te duiden.


Schapen
Beeld voor de joden en de volgelingen van Jezus.


Huurling
Iemand die voor een bepaalde tijd werd 'gehuurd'. Een huurling werd per dag uitbetaald.
In deze tekst is een huurling het beeld voor al wie zonder betrokkenheid met zijn werk bezig is.


Wolf
Toen Jezus leefde kwam de wolf algemeen voor in Palestina. Het was een gevreesd roofdier, dat vooral de schapen bedreigde.
De wolf is hier het beeld voor al wie de volgelingen van Jezus vervolgt.


Vader
Typische manier waarmee Jezus God aanspreekt. Door God zijn vader te noemen, wordt duidelijk dat Jezus de zoon van God is. Wanneer zijn volgelingen God ook als Vader mogen noemen, zijn zij dus ook zonen of dochters, kinderen van God. Een verwantschap die een hele taak met zich meebrengt.


Andere schapen
De aandacht en zorg van Jezus gaat niet alleen naar de joden, maar ook naar al wie dat niet is.



Spreken met beelden

Jezus spreekt in deze tekst met een dubbele bodem:
Herder = Jezus
Schapen = volgelingen van Jezus
Andere schapen = gelovigen die van niet-joodse afkomst zijn.

Jezus is het beeld van God die voor de mensen zorgt als een goede herder voor zijn schapen, en die niet alleen bezorgd is voor zijn volk, maar ook voor de schapen die niet tot ‘deze schaapstal’ behoren.


Na de aanklacht tegen de slechte herders die de koningen van Israël dikwijls waren, belooft God een goede herder, die zijn kudden zal weiden op wegen van gerechtigheid en liefde, en die voor de zwakste schapen een bijzondere aandacht heeft. Christenen hebben in Jezus deze goede herder gezien.





Bijbel en kunst

De eerste eeuwen van het christendom

De gespannen sfeer waarin de eerste christenen leefden, was er de oorzaak van dat ze Christus zelf niet uitbeeldden. Ze gebruikten symbolen die duidelijk waren voor de ingewijden, maar niets zegden voor wie geen christen was. Zo is de voorstelling van Jezus als goede herder alleen voor christenen te begrijpen. Voor buitenstaanders was het een gewoon pastoraal tafereel, zoals toen in de mode was.


Sacofaag
Jezus als 'goede herder' is vaak te zien in de begrafeniskunst van de christenen uit de eerste eeuwen van het christendom. Deze kunst is te vinden op sarcofagen en fresco's (1) in de catacomben (2).


Catacomben
Die 'herders' zijn dus geen portretten van Jezus, maar afbeeldingen van een herder, die verwijzen naar de uitspraak van Jezus: 'Ik ben de goede herder' en zo onrechtstreeks een afbeelding zijn van Jezus.
De vorm van de herder is ontleend aan de Grieks-Romeinse kunst uit die tijd.

Goede Herder
Men kende toen het beeld van de Griekse God Hermes, met een ram op zijn schouders.


(1) Fresco
Dit is verf op een natte kalklaag. Die manier van schilderen was in de eerste eeuwen van onze tijd algemeen bekend. Romeinse huizen van welgestelden werden meestal met zo'n fresco's versierd. Het schilderen van een fresco eist een snelle afwerking, want wanneer de kalk opgedroogd was, kon er niets meer gewijzigd worden.

(2) Catacomben
Catacomben zijn onderaardse gangen waarin grafnissen werden gemaakt, de een boven de andere. Een oud gebruik, nog van voor het christendom, bestond erin dat men zich rond de graven verzamelde om er begrafenismaaltijden te houden. Ook christenen deden dat en vierden er de eucharistie. Daarom bevatten catacomben kamers, die gewoonlijk van bescheiden afmetingen waren.



S. KÖDER

5 Sieger Köder





Suggesties

Kleine kinderen

VERDIEPEN

Gesprek: zorg dragen

Een herder zorgt voor zijn schapen
Een jeugdleider zorgt voor de kinderen
Een dokter zorgt voor wie ziek is
Een moeder zorgt voor haar kinderen


. Voor wie zorg jij? Vertel hoe jij dat doet.

. Waar zorg jij voor?
. Waar zorg jij heel graag voor?
. Waar zorg jij helemaal niet graag voor?





DOEN

Collage

Een herder

Materiaal
Wit tekenpapier
Gekleurd papier (kan ook uit tijdschriften); stof; wol (om te vlechten);
stokjes; watten.
Stiften; schaar; lijm.


Verloop
De kinderen maken een herder als volgt:
Knip voor het hoofd een cirkel uit roze of zacht bruin papier.
Op zijn hoofd draagt de herder een sjaal van stof of een stukje crêpe papier.
De sjaal op het hoofd wordt vastgehouden door een band (dit kan bv. een vlecht zijn).
Het lichaam van de herder is een rechthoek die aan de zijkanten schuin omgevouwen wordt of geknipt.
De voeten worden geknipt uit roze of zacht bruin papier.
De staf van de herder is een stokje, een rietje of smalle strook donker dik papier.
De kinderen tekenen op de roze cirkel (gezicht) een oog en een mond.

Met de watten maken ze schapen. Hun kop en oren worden met een zwarte stift getekend.



Zorg dragen

Materiaal
Allerlei kleurige tijdschriften of materiaal dat je op het internet plukt.
(eventueel scheur je er vooraf die bladzijden uit die bruikbaar zijn.
In dit geval heb je een zekere selectie, en kunnen de kinderen gerichter werken.
B.v. poes, hond, kat, konijn, kinderen, kamer, plant, bloemen, knuffel, ...)
Voorstelling van een herder.
Flap / groot stuk papier.
Startmateriaal voor wie weinig tijd heeft


Verloop
De kinderen zoeken in de tijdschriften (of in het materiaal dat je vooraf wat geselecteerd hebt) vier foto's van voorwerpen/dieren/personen waarvoor zij zorg mogen dragen.
De tijd om te zoeken kun je laten bepalen door de duur van een lied of een ander stukje muziek.
Daarna gaan de kinderen in een kring zitten.
Ze tonen wat ze gevonden hebben en op welke manier zij daar zorg voor dragen.
Sorteer nadien de foto's: huisdieren; kamer, natuur ...
Kleef de foto's per soort bijeen rond de foto van een herder.





VERTELLEN

Kobe de herder

(naar een verhaal in Prutske, 'Kerk en leven')

Kobe, de herder, heeft zopas zijn schapen op stal gezet.
Hij heeft ze geteld en ze zijn er allemaal.
Hij geeft ze nog wat eten en wenst ze dan een goede nacht.
Het kleinste schaapje komt naar hem toe
en wrijft met zijn kopje tegen de benen van Kobe.
Dan neemt Kobe het in zijn armen en streelt het.
Het schaapje mekkert van plezier.
Dan loopt het terug naar de andere schapen.
Kobe sluit de deur en grendelt ze goed vast.
Kobe gaat nog niet slapen.
In de verte heeft hij drie verloren schapen gezien.
Ze zijn niet die van hem, maar van herder Wout.
Kobe ziet Wout: 'Hé, Wout, dicht bij het bos lopen drie van je schapen.'
'Ik weet het', zegt Wout, 'ik weet het, laat ze maar lopen.'
'Ga je ze dan niet halen?', vraagt Kobe.
'Dat is veel te gevaarlijk', zegt Wout.
'Er is een wolf in de omgeving
en ik waag mijn leven niet voor drie schapen die toch niet van mij zijn.
Mijn baas moet ze zelf maar halen als hij ze belangrijk vindt.
Kobe kan dit niet begrijpen.
Hij aarzelt even en stapt dan naar de rand van het bos.
'Wat ga je doen?' vraagt Wout.
'Je schapen halen.', zegt Kobe.
'Je bent gek', roept Wout hem na.
Kobe komt bij het bos. Hij ziet de schapen tegen het struikgewas.
Ze trillen op hun poten. Kobe ziet waarom. Hij ziet wat verder een wolf.
Die gromt en maakt zich klaar voor de aanval. Kobe stormt er op af.
De wolf is verrast, draait zich om en springt op Kobe.
Kobe vecht als een leeuw. De wolf is sterk.
Maar Kobe geeft niet op. Tenslotte moet de wolf vluchten.
Kobe heeft pijn. Zijn gezicht bloedt. Hij gaat naar de drie schapen.
Hij praat er zachtjes tegen om ze gerust te stellen.
Dan neemt hij ze mee naar zijn stal.
Wout ziet Kobe komen. Hij is beschaamd.
Kobe voegt de schapen bij zijn kudde. Hij zorgt goed voor ze
en de schapen voelen zich veilig bij hun nieuwe herder, Kobe.



De poes van Nele

(Zonnestraal 10-95 p. 22)

Nele is pas negen jaar geworden.
Voor haar verjaardag heeft ze een kleine rosse poes gekregen.
Nele is heel erg blij. Ze noemt haar poes Zip Zap.
Elke dag zorgt Nele ervoor dat Zip Zap genoeg eten en drinken heeft.

Op een dag hebben de ouders van Nele goed nieuws:
'We gaan voor twee weken op reis.'
Nele springt een gat in de lucht.
Maar plotseling beseft ze dat Zip Zap niet meekan.

Heel even denkt Nele erover om ook niet mee te gaan.
Maar dan heeft ze een idee:
'Ik vraag aan Pepijn, de buurjongen, om voor Zip Zap te zorgen.'

Net voor ze op vakantie vertrekt,
gaat Nele met mama nog naar de supermarkt.
Daar kopen ze een grote voorraad melk en kattenvoer.
Zo zorgt Nele ervoor dat Zip Zap ook een fijne vakantie heeft.





BIDDEN

Jezus ,
Jij bent een goede Herder.
Als een schaapje verloren gelopen is,
ga Je op zoek ernaar.
Voor Jou is iedereen belangrijk.
Jij laat nooit iemand zomaar in de steek.
Jij houdt van iedereen.





Grote kinderen

INFORMEREN

De herder en zijn schapen

Neem een stok in de hand en vertel dat herders zo’n stok gebruiken als zij voor hun schapen zorgen en wat ze allemaal te doen hebben.
Vertel ook over de relatie herder / schapen, zoals Jezus dat deed:
. De herder kent de namen van zijn schapen
. Hij zorgt ervoor dat zijn schapen het goed hebben
. Hij is bereid zijn leven voor hen op het spel te zetten
(. Hij zoekt schapen die verloren dreigen te gaan. - parabel van het verloren schaap (Lucas 15, 3-7)

Lees dan de tekst voor - zorg voor kopieën van deze tekst bij de kinderen:

‘Echt waar: wie niet door de deur de schaapskooi binnengaat,
is een dief en een rover.
Wie wel door de deur binnengaat, is de herder van de schapen.
Hij roept ze allemaal bij hun naam, en brengt ze naar buiten.
Dan gaat hij voor hen uit.
De schapen volgen hem omdat ze zijn stem kennen.‘

Zo spreekt Jezus. Maar zijn leerlingen begrijpen Hem niet.

Hij zegt verder:
‘Geloof me, Ik ben de deur voor de schapen.
Wie door Mij binnengaat zal gered worden:
hij kan vrij binnen en buiten gaan en weidegrond vinden.
Ik ben gekomen om ervoor te zorgen dat de schapen voluit mogen leven.

Ik ben de goede herder,
een herder die zijn leven geeft voor zijn schapen.
Een huurling is geen echte herder,
Als hij een wolf ziet komen,
laat hij de schapen in de steek en loopt weg.
Hij heeft geen hart voor zijn schapen.

Ik ben de goede herder.
Ik ken mijn schapen en mijn schapen kennen Mij,
zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken.
Ik geef mijn leven voor de schapen.
Ik heb nog andere schapen dan die uit deze schaapskooi.
Ook voor hen moet Ik een herder zijn.
Dan zal er één kudde zijn met één herder.


De kinderen onderlijnen de zinnen die de relatie herder/schapen weergeven zoals Jezus dat deed.
- ... omdat ze zijn stem kennen
- ... om ervoor te zorgen dat de schapen voluit mogen leven
- ... zijn leven geven voor zijn schapen
- ... één kudde met één herder



Een herder voor zijn volk

Vertel:
Vroeger gebruikte men het woord ‘herder’ ook voor een koning.
Bespreek met de kinderen waarom dat zou kunnen geweest zijn.
Zo ontdekken de kinderen dat een woord dat een concrete situatie wil weergeven ook gebruikt kan worden om iets te zeggen over een gelijkaardige relatie in een andere situatie.
Vertel dat het woord ‘pastoor’, een woord dat gebruikt wordt voor de verantwoordelijke parochiepriester, afkomstig is van een woord dat ‘herder’ betekende.
Bespreek met de kinderen waarom dit woord daarvoor gekozen zou zijn.



Het leven als herder in Jezus' tijd was hard: gras en water waren schaars. Heuvels en ravijnen maakten het weiden van de kudde moeilijk. Wolven, jakhalzen... maar ook rovers, bedreigden zowel de kudde als de herder. Om dit vol te houden moest men een hart hebben voor zijn schapen. De ‘goede herder’ is daarom meer het beeld van een heldhaftige liefde dan van een romantisch gevoel. Het is het beeld van iemand die door dik en dun zorg draagt voor zijn schapen.

In de oud-oosterse wereld (Assyrië, Babylonië, Egypte) was het de gewoonte om aan de regerende koning de titel ‘herder’ te geven. Met de woorden 'herder, kudde, weiden, hoeden...' gaf men de relatie vorst/volk weer. Deze titel betekent dan: de koning is er voor het volk, zoals een herder er is voor zijn schapen.

Het woord ‘herder’ werd ook voor God gebruikt. In psalm 23 wordt God als ‘mijn herder’ aangesproken. Ook hier wil dit woord een relatie uitdrukken: zoals een herder om zijn kudde bezorgd is, zo is God dat voor de mensen..

Wanneer Johannes over Jezus schrijft als de ‘goede herder’ geeft hij met een beeld aan, dat in Jezus God zelf zichtbaar wordt.

Christenen gebruiken het woord ‘herder’ nog steeds voor hun pastoor of pastor, een woord dat afgeleid is van het Latijnse ‘pastor’. Of voor iets wat op een bisschop betrekking heeft: een brief van een bisschop aan zijn gelovigen wordt een ‘herderlijke brief’, of ‘herderlijk schrijven’ genoemd. De opdracht van een bisschop wordt een ‘herderlijke taak’ genoemd.
Bovendien herinnert de staf van een bisschop aan de stok van een herder.






VERDIEPEN

Een herder zorgt voor zijn schapen

(J. DE MEYERE in Zonnestraal 2005 nr 21, p. 22)

Jezus vergelijkt zichzelf met een herder.
Kleur de zinnen die iets over Jezus zeggen:
. Een herder die niet voor zijn schapen zorgt
. En herder die een verloren schaap gaat zoeken
. Een herder die zijn schapen niet kent
. Een herder die van al zijn schapen evenveel houdt.



Zorg dragen

Bouw je activiteit op met behulp van dit werkblad.
Sta eerst stil bij wat 'zorgen' is.
De kinderen noteren hun antwoord op het eerste deel van het blad.
Lees daarna voor uit het Johannes 10, 11-18. (Deze tekst wordt voorgelezen in het B-jaar)
De kinderen vullen nadien de onvolledige tekst in.



Een naam voor Jezus

Christenen hebben steeds gezocht naar namen voor Jezus en God. Zo noemen ze God 'Vader', en Jezus noemen ze 'herder'. Zo willen ze uitdrukken hoe ze Jezus en God aanvoelen.
Ken je nog andere namen voor Jezus?
of: welke naam zou jij goed vinden voor Jezus?





INLEVEN

De lege stoel (Bibliodrama)

De kinderen zitten op stoelen in een kring. Er staat één stoel bij waar niemand op zit. Leg op die stoel een stok, die kan doorgaan voor een stok van een herder.
Zeg dat op die lege stoel onzichtbaar een herder zit, en dat de kinderen hem vragen mogen stellen. Wie een antwoord op die vraag ‘hoort’, gaat achter de stoel staan, neemt de stok in zijn handen en zegt wat hij 'gehoord' heeft.

Bespreek nadien wat de kinderen zo hebben ontdekt over het leven van een herder. (= niet alleen weten, maar ook aanvoelen!)



'Een goede herder'

(Bron: T. KERSTEN, Niets anders dan in beelden - over het gebruik van beeldmiddelen in de klas, School en godsdienst, jaargang 45, nr 6, 1991)

Maak een kring met evenveel stoelen als er kinderen zijn. Eén van die stoelen is bezet door een illustratie / foto van een herder die een schaap op zijn schouders draagt.
(Alternatief: rechtstaande schoendoos waarbij je op de voorzijde een foto/tekening van een herder kleeft en op de overige zijden een illustratie / foto's van een kudde)

De kinderen komen binnen in de ruimte, maar er is één stoel te weinig: er blijft één kind buiten de kring.
Ga naar het overgebleven kind en leg je arm op zijn schouders. Neem het zo mee naar het midden van de kring en kijk of er misschien toch een plaatsje te vinden is.
Uiteindelijk loop je samen naar de stoel met het beeld van de herder.
Vraag: 'Wat zou deze herder doen, wanneer één van zijn schapen geen plaats zou hebben?
Er zijn verschillende reacties mogelijk:
. Hij zou het schaap nog ergens tussen duwen
. Hij zou het schaap op zijn nek nemen
. Hij zou zijn eigen plaats geven en buiten gaan slapen.
Ga naar de stoel, neem het beeld in je hand en zeg: 'Ik denk dat ook deze herder dat schaap niet buiten zou laten.' Neem het kind bij de hand en zeg: 'Deze herder staat zijn plaats aan jou af. Jij hoort ook in de kring'.
Nodig de kinderen dan uit om de kring rond te maken door elkanders armen op de schouders te leggen. Ga midden in de kring naast het beeld zitten en lees het evangelie voor van de goede herder.





BELEVEN

Goede herders

Kinderen kennen in hun leven vele goede herders.
Noteer de namen van wie de kinderen als herder aanduiden op een flap of op een bord, rond de illustratie van een herder.
Vraag dat elk kind voor zichzelf bedenkt wie zijn ‘beste’ herder is.

Er zijn ook herders die verderaf staan in het leven van de kinderen.
Sta ook daarbij stil.
Hoe proberen zij voor de mensen te zorgen?



Zelf al herder?

Niet alleen andere mensen kunnen herder zijn voor ons. Ook elk van ons wordt daartoe opgeroepen.
Bespreek met de kinderen op welke gebieden zij zelf nu al een herder voor iemand kunnen zijn, en wat dit dan kan inhouden.

Bijvoorbeeld:
thuis
. zorg voor jongere broertje(s) en/of zusje(s)
. zorg (naar hun mogelijkheden) voor een zieke grootouder, ouder of iemand met een handicap.


school
. aandacht voor kleutertjes bij de opvang
...





VERTELLEN

De wilde geiten

(C. LETERME, Een parel voor elke dag, Averbode 2007, p. 187)

Een geitenhoeder had een kleine kudde geiten.
Tegen de avond dreef hij ze bijeen in de stal.
Op een dag kwamen - tot zijn grote verbazing -
een heleboel wilde geiten aangelopen.
Hij dreef ze samen met zijn eigen geiten naar de stal.
Daar verzorgde hij die nieuwe geiten buitengewoon goed:
ze kregen een dikke laag vers stro
en een grote hoop geurig hooi.
Zijn eigen geiten jammerden:
‘Waarom geef je ons zo weinig?’
‘Stil,’ zei de herder,
‘jullie komen niets tekort!’
En tegen de wilde geiten zei hij:
‘Eet maar zoveel jullie willen.’

De volgende dag liet de herder de geiten uit de stal.
Zijn eigen geiten begonnen te grazen,
maar de wilde geiten liepen weg naar het bos.
‘Hé,’ riep de geitenhoeder,
‘Waarom lopen jullie weg?
Ik heb jullie gisteren toch goed verzorgd!
Jullie kregen zelfs beter eten dan mijn eigen geiten!’
‘Precies daarom,’ riep één van hen,
‘Je hebt ons verwend
en je eigen vrienden verwaarloosd.
Geen prettig vooruitzicht voor ons!
Als er op een dag andere geiten komen,
zul je alleen hen verwennen.’

Naar een fabel uit het oude Griekenland



De mooiste druiven

(C. LETERME, 99 verhalen met een knipoog, Uitgeverij Averbode, 2014, p. 156-157)

Op een dag belde een boer aan bij een grote abdij.
‘Dag broeder Portier.
Alsjeblief, dit zijn de mooiste druiven uit mijn wijngaard voor u.’
‘Hartelijk dank. Ik geef ze meteen aan Vader Abt.
Die zal er blij mee zijn.’
‘Nee, nee, ze zijn voor u.’
‘Voor mij? Zo’n mooi geschenk verdien ik niet.
‘Toch wel! U deed altijd open als ik aanklopte.
En als ik steun nodig had, gaf u mij die.’

Broeder Portier legde de druiven voor zich neer.
Hij keek er de hele ochtend bewonderend naar.
Dan besloot hij de druiven toch aan Vader Abt te geven,
want die had hem altijd met wijze raad bijgestaan.
De abt was heel blij met de druiven.
Maar toen dacht hij aan een zieke medebroeder:
misschien brengen die druiven wat vreugde in zijn leven.
De druiven bleven niet lang bij de zieke, want die dacht:
Broeder Kok maakt altijd zo’n lekker eten voor me klaar.
Die druiven zullen hem veel plezier doen.
En hij gaf de druiven aan Broeder Kok.
Wat een mooie druiven, dacht hij.
Echt iets voor Broeder Koster.
Maar die gaf de druiven cadeau aan de jongste broeder,
zodat die er het werk van God zou kunnen in zien.
De jongste broeder was er erg blij mee.
Maar dan herinnerde hij zich de eerste keer
dat hij aankwam bij de abdij.
Hoe iemand voor hem de poort had geopend
en hem gastvrij ontvangen had.
En voor het avond werd,
gaf hij de druiven aan Broeder portier.
‘Geniet ervan, want meestal zit u hier alleen.’
Toen wist Broeder Portier
dat de druiven echt voor hem bestemd waren.
Hij genoot van de smaak van elke druif en sliep gelukkig in.

Druiven




Bij het verhaal
(C. LETERME in Kerk en leven, Federatie Rotselaar, 3 mei 2017, p. 1)

Het mandje druiven dat in de abdij werd afgegeven
blijkt niet alleen de dankbaarheid van de boer te tonen
maar ook de zorg en de aandacht van de broeders onder elkaar:
het gaat van de ene hand in de andere
omdat elke broeder denkt:
die ander heeft er meer recht op dan ik.

Zoveel aandacht voor de anderen …
Die broeders zijn te vergelijken met herders,
want goede herders zijn ook zo voor hun schapen
Als Jezus een goede Herder genoemd wordt,
dan is dat om zijn oprechte zorg en bekommernis
voor al wie in nood is en hulp nodig heeft.

In zijn tijd zorgden herders voor de schapen van anderen:
ze leidden ze naar groene weiden,
verzorgden ze als ze gekwetst waren
en verdedigden ze tegen wilde dieren.
De waardering voor hun werk was niet groot.
Mensen vonden hen ruw en marginaal.

Dit is ooit anders geweest:
de grote koning David was ook een herder.
Toch vond Samuel hem geschikt als ‘herder’ voor de mensen.
Ook over God dacht men als over een herder:
Hij trok zich het lot van zijn volk aan
en leidde het naar een betere wereld.

Als Jezus een Goede Herder genoemd wordt
denkt niemand nog aan de herders in de rand van de maatschappij,
maar aan een ‘herder’ zoals koning David,
aan een herder zoals men God heeft ervaren:
vol aandacht voor de mensen,
een en al zorg voor wie uit de boot valt.





OP STAP

Een herder en zijn schapen

Neem contact met www.kempvzw.be om de mogelijkheid te onderzoeken voor een kennismaking met schapen en hun herders.





ZINGEN / BELUISTEREN

Jezus is de goede Herder

(Tekst & Muziek: Elly & Rikkert Zuiderveld (Staat op: Vertel het aan de mensen, Een boom vol liedjes (deel 1), Kom maar gewoon)

Jezus is de goede herder
Jezus Hij is overal
Jezus is de goede herder
Brengt mij veilig naar de stal

Als je 's avonds niet kunt slapen
Als je bang in 't donker bent
Denk dan eens al die schapen
Die de heer bij name kent

Jezus is de goede herder
Jezus hij is overal
Jezus is de goede herder
Brengt mij veilig naar de stal

En wanneer je soms alleen bent
En je hart is vol verdriet
Denk dan aan de goede herder
Hij vergeet Zijn schaapjes niet

Jezus is de goede herder
Jezus Hij is overal
Jezus is de goede herder
Brengt mij veilig naar de stal



Psalm 23

Klik hier voor meer info bij deze psalm die het beeld van de herder gebruikt om God toe te spreken.





Jongeren

SPREKEN MET BEELDEN

De goede herder

Goede Herder

3 Fano El Buen Pastor

- Wat hebben de illustratoren met deze tekeningen willen duidelijk maken?
Schrijf dit uit in een gedicht bij een illustratie naar keuze.


Merk op dat in de wol van het schaap dat Fano tekende, een aantal werelddelen te herkennen zijn.





VERTELLEN

Redding

C. LETERME, Een parel voor elke dag, uitgeverij Averbode 2007, p. 187

Op een dag regende het zo lang en zo hard,
dat de hele streek overstroomde.
Een heel gelovig man klom op zijn dak.
Er kwam een reddingsboot langs
die hem wilde meenemen.
Maar de man zei: ‘God zal wel voor mij zorgen’
en hij stuurde de boot weg.
Het bleef stormen en regenen,
en het water bleef stijgen.
Nu stond het water tot aan zijn kin.
Er kwam een roeiboot langs
die hem wilde redden,
en weer weigerde de man.
‘Ik vertrouw op God’, zei hij,
‘Hij komt me wel helpen.’
Het water steeg nog hoger.
De man kon nauwelijks ademhalen.
Toen kwam er een helikopter.
De bemanning liet een ladder zakken
om hem te redden.
Maar de man zei: ‘Ga maar weg.
God zal me redden.’
Maar het bleef regenen
en het water bleef stijgen.
Tenslotte verdronk de man.

Hij ging naar de hemel.
Toen hij God zag, riep hij:
‘God, ik had zoveel vertrouwen in U.
Ik geloofde heel sterk in U.
Waarom heeft U mij niet gered?’
Toen krabde God zich op het hoofd en zei:
‘Ik begrijp er niets van!
Ik heb je nog wel twee boten
en een helikopter gestuurd!’



Bladeren en wortels

(C. LETERME, Een parel voor elke dag, uitgeverij Averbode,2007, p. 162)

Op een zomeravond
fluisterden de bladeren:
'Wij zorgen voor schaduw op het gras.
We kleden de bomen aan met groen.
Zonder ons zou een boom maar kaal en bruin zijn.
Vermoeide wandelaars en dieren
zijn dankbaar voor onze schaduw.
Kinderen spelen graag
onder een bladerdak.
's Nachts vinden de zangvogels bij ons bescherming.
We verstoppen de nesten van de moedervogels.
En ...'
zo waren de bladeren bezig.
Ze voelden zich belangrijk.

'Wat jullie zeggen is waar,
maar jullie mogen ons niet vergeten',
zeiden stemmen van onder de grond.
'Wie zijn jullie?' vroegen de bladeren.
'Wij zitten diep in de grond,
ver weg van jullie.
Wij zijn de wortels.
Wij voeden de stam
en zorgen ervoor dat jullie kunnen groeien.
Jullie schoonheid hebben jullie aan ons te danken.
Wij zijn niet zo mooi als jullie,
maar wij sterven niet af.
Als een boom stevig staat, is dat aan ons te danken.
Als wij zouden sterven,
dan zou ook de boom sterven
en jullie zouden met hem mee sterven.'

De bladeren dachten daar diep over na:
'Onvoorstelbaar dat iets wat je niet ziet,
zo belangrijk kan zijn.'




Overweging bij het verhaal
(C. LETERME in Kerk en leven, Federatie Rotselaar, 13 april 2016, p. 1)

Er blijken veel manieren te zijn
om voor elkaar te zorgen,
om aandacht voor elkaar te hebben.
Soms is dat heel duidelijk:
het eten op tafel is te zien
er is niet naast de pleister op de wonde te kijken.
de schram op de auto is er niet meer
...
En net als bij de bladeren in het verhaal hierbij
is te zien wie daarvoor zorgt.
De mensen die daarvoor zorgen
voelen zich belangrijk
en ze zijn dat ook.

Maar net als in het verhaal
zijn er mensen die achter de schermen werken.
Ze maken geen drukte over wat ze doen.
Toch zijn ze er bij betrokken.
Ze zorgen er onzichtbaar voor
dat de voorraden in een warenhuis aangevuld worden
dat lessen aantrekkelijk gemaakt worden
dat het eten gevarieerd is
dat ...
't Is allemaal niet zo direct te zien
en toch bepaalt het de levenskwaliteit van veel mensen.

Onvoorstelbaar dat iets wat je niet ziet,
zo belangrijk kan zijn.





Overwegingen

Frans Mistiaen sj

Geroepen om herders te worden die hun leven geven

Waarom gebruikt Jezus het beeld van de schapen en de herder?
Zeker niet om ons moraliserend op te roepen
tot gedweeheid of kuddegeest.
Neen, eigenlijk wil Jezus ons niet zozeer iets zeggen over de schapen.
Hij wil ons vooral iets leren over de herder.
Jezus wil benadrukken dat de echte herder geen heerser met macht is,
maar een belangeloze leider, een dienaar die Zijn leven geeft.

Wij hebben gelukkig zelf al heel wat echte herders en herderinnen
in ons leven ervaren. Anders zouden wij hier niet zitten.
Zo vele mensen hebben ons al geleid
met trouwe zorg en grote zelfopoffering:
moeder thuis, een leraar op school,
een verpleegster toen wij ziek waren,
een echte vriend of vriendin op onze weg.
Wat doen herders vooral?
Zij brengen ‘s avonds de schapen naar de stal
en trekken met hen ‘s morgens uit om hun groene weiden te tonen.
Als wij veiligheid nodig hadden,
werden wij naar een warme thuis teruggebracht;
en op het goede moment werden voor ons
nieuwe perspectieven voor onze toekomst geopend.
Wij blijven de herders en herderinnen van ons leven diep dankbaar.
En wij worden uitgenodigd
om ook zelf herder en herderin te worden voor anderen,
nl. voor diegenen voor wie wij te zorgen hebben.

Wij mogen wel weten
dat "herder zijn" een gevaarlijke stiel is.
Nog niet zozeer omwille van de uiterlijke gevaren,
maar veeleer omwille van de innerlijke bekoring tot machtsdrang.
Macht is nl. de dagelijkse verlokking voor elke herder,
voor al wie verantwoordelijkheid draagt over anderen:
ouders, opvoeders, dokters, diensthoofden, bureauchefs,
priesters, pastores, sociale helpers.
Niet openlijk, neen, maar heel subtiel,
sluipt het verlangen naar macht binnen in het hart van de herder.
Zo is het, uit goedbedoeld plichtsbewustzijn dat verantwoordelijken
zich eigenaardig genoeg soms geneigd voelen,
om allereerst de reglementen van hun dienst te willen verdedigen,
om te eisen dat het organisatieschema goed wordt gevolgd,
om te zorgen dat de wettelijke papieren volledig in orde zijn.
En uiteindelijk vergeten zij dan op de eerste plaats te kijken
naar de mensen die voor hen staan en die hulp nodig hebben.
Meer dan bij anderen komt, bij al wie verantwoordelijkheid draagt,
steeds opnieuw de bekoring op om eerst respect op te eisen voor
de idealen en de principes van de organisatie waarvoor zij staan,
in feite voor de zelf gevormde inzichten daarover,
dus eigenlijk voor hun eigen overtuiging.
Deels onbewust, maar ook deels gewild, komen zij ertoe
om de mensen in nood voor wie zij verantwoordelijk zijn,
wat weg te duwen, niet meer te laten meetellen,
in het ergste geval zelfs, af te schrijven of dood te verklaren.
De opdracht voor alle herders en herderinnen: ouders, opvoeders,
priesters, diensthoofden, parochiale werksters,
luidt steeds opnieuw:
de sluimerende behoefte aan macht uit te zuiveren
door nog meer het verlangen te laten groeien
om op de eerste plaats te dienen en zijn eigen leven te geven.

En dit is nu de kern van elke geestelijke roeping.
Mensen die geestelijk of religieus worden geroepen,
doen meer dan een functie uitoefenen,
als sociale helper of groepsanimator,
als leraar, ontwikkelingshelper of arts zonder grenzen.
Dat zouden ze allemaal wellicht wel kunnen.
Maar “geroepen zijn”
is geen supplementaire functie uitoefenen naast de andere.
Het is de innerlijke houding van totale gegevenheid beleven
binnen elke functie waar men staat,
bij elk engagement waar men ook terecht komt.
Priesters en religieuzen zijn, binnen al de taken die zij hebben,
vooral specialisten van mensenzorg
vanuit een hart dat mensen liefheeft zonder onderscheid te maken,
en dat wil dienen en zijn leven wil geven.

“Geroepen zijn” door te dienen en zijn leven te geven
zal dan ook vooral betekenen: genezen, wassen, verzorgen, troosten,
verbinden, zoeken, luisteren, thuisbrengen,
verlossen van vervreemding, van eenzaamheid,
van benauwdheid, van manipulatie, van uitbuiting, van onrecht.
en dat voor allen, zonder exclusiviteit, zonder uitsluiting.
Dus zullen de zwakkeren daar zeker ook bij zijn.
Geroepenen getuigen, niet zozeer met leer of redenering,
maar met voorbeeld, met heel het eigen leven.
En dat vraagt van hen een voortdurende strijd
tegen de eigen zelfzucht en de eigen machtsdrang.

Vandaag voegt de Heer er speciaal aan toe:
“Herder zijn” betekent ook: de eenheid in de groep bevorderen.
Jezus spreekt over een groepsverbondenheid
waar elke persoon toch volledig wordt gerespecteerd.
In Zijn kerkgemeenschap worden wij allen persoonlijk gekend,
geroepen bij onze eigen naam door een bekende stem,
die ons een eigen plaats geeft in de groep.
Wij voelen ons inderdaad maar kerkmensen,
als wij binnen onze geloofsgemeenschap,
de vrijheid krijgen om onszelf te zijn.
En dit wordt mogelijk,
niet door onze eigen belangrijkheid te affirmeren,
wel door zeer persoonlijk verbonden te blijven
met Jezus, de echte Herder, die Zijn leven geeft.

“Herder zijn” op die manier,
“belangeloos dienende verantwoordelijke zijn” in de Kerk,
daarvoor kies je niet alleen, daarvoor word je ook gekozen, geroepen.
Wie wil zulke herder zijn in onze tijd?
Zij zijn er, die goede herders en herderinnen,
ook in onze geloofsgemeenschap van vandaag.
Maar het godsvolk moet ze wel durven herkennen
en op tijd aanwijzen.




Marc Gallant, trappist (Orval)

Vriendschap (2012)

Vandaag wil Jezus ons iets zeggen over onze relatie met Hem. Het beeld van de goede herder vindt Hij daartoe het meest expressieve.

Onze relatie met Hem is op basis van vriendschap. “De goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen” (Johannes 10, 11). Inderdaad, zijn leven ons gegeven is de uitdrukking van zijn vriendschap: “De grootste liefde die iemand zijn vrienden kan betonen, bestaat hierin dat hij zijn leven voor hen geeft” (Johannes 15, 13). Een vriendschap kan je echter niet nemen: ze behoort tot het gratuïte, ze wordt je gegeven. Jezus geeft zijn vriendschap: Hij neemt er het initiatief voor: “Ik noem jullie geen dienstknechten meer, want een dienstknecht weet niet wat zijn meester doet; vrienden noem ik jullie, omdat ik alles wat ik van de Vader heb gehoord, aan jullie bekendgemaakt heb” (Johannes 15, 15). Het is uitdrukkelijk een vriendschap die haar wortels heeft in God, en die langs Jezus tot ons komt. Dat aanbod van vriendschap is echter niet zonder wederkerigheid: “Jullie zijn mijn vrienden wanneer je doet wat ik zeg” (Johannes 15, 14).

Jezus deinst er niet voor terug een gemoedelijke of affectieve wending te geven aan de uitdrukking van zijn vriendschap als hij zijn apostelen aanspreekt met “kinderen”, als er iets moeilijk te slikken valt. Zo bij voorbeeld als Hij zegt: ’Wat is het toch moeilijk voor mensen met geld om het koninkrijk van God binnen te gaan’. De leerlingen schrokken van zijn woorden. Maar Jezus ging door en zei opnieuw tegen hen: ‘Kinderen (Grieks: tekna), wat is het toch moeilijk om het koninkrijk van God binnen te gaan (Marcus 10, 23-24). Of wanneer Hij, na zijn verrijzenis, op de apostelen wacht op het strand: “Jezus riep hun toe: ‘Kinderkes (Grieks : paidia), hebben jullie soms iets te eten?’ (Johannes 21, 5).
Eens gegeven, neemt Jezus zijn vriendschap niet terug. Zelfs wanneer Judas Hem de verraderskus geeft, zegt Jezus hem nog: “Vriend, waarvoor ben je hier?” (Matteüs 26, 50): Hij eerbiedigt Judas in zijn vrije keus van afvalligheid.

Vriendschap is leven. Zo de vriendschap met Jezus leven is, dan kent ze een groeiproces. Alles begint met een wederzijdse kennis: “Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij” (Johannes 10, 14). Niet alleen in het bijbels spraakgebruik duidt het ‘kennen’ vaak op een diepe, persoonlijke en liefdevolle relatie. Van jonge mensen die een relatie beginnen zeggen ook wij dat ze ‘kennis hebben’. Alleen in de vriendschap leert men iemand positief kennen. Van haar kant kan de affectiviteit in het ‘liefde-is-blind stadium’, door haar ‘alles-of-nietes spelletje’, niets zien van de negatieve kanten van de geliefde, of nog hem of haar ideale kwaliteiten toedichten. Zo is Jezus’ liefde niet: “Hij wist wat er in de mens is” (Johannes 2, 25). En toch geeft Hij zijn leven: “Christus is voor ons gestorven toen wij nog zondaars waren” (Romeinen 5, 8). Van Jezus’ kant uit heeft de vriendschap een stevige, realistische basis. Als wij echter zijn vriendschap aangeboden krijgen, dan kennen we Hem meestal nog maar weinig. Na drie jaar met Hem geleefd te hebben wisten zijn apostelen nog niet duidelijk wie Hij was. Jezus zelf was er verwonderd over: “Ik ben al zo lang bij jullie, Filippus, en je hebt me nog niet leren kennen? (Johannes 14, 9).

Eerst in het besef van zijn vriendschap voor mij, van zijn liefde die mij neemt zoals ik ben, kan ik groeien in mijn relatie met Jezus. Liefde vraagt wederkerigheid. Zijn liefde kan ik slechts beantwoorden met een gelijke liefde, en Hem nemen zoals Hij is: overweldigend, veeleisend, helemaal onverwacht soms met zijn vragen.

Zoals in alle liefde kent de vriendschap met Jezus ook een tweede stadium. Als de sentimentele vlam van de liefde uitgeblust is, en het niet meer evident is dat ik kan zeggen: “IK voel MIJ goed bij je”, komt de liefde tot de kern van de zaak, waar ik mijn leven moet geven om te duren in de vriendschap. Ik moet overstappen van de “freelance-vriendschap”, of van het “vrijblijvend samenwonen”, tot het geven van mijn leven zoals Hij mij zijn leven geeft. De verhouding moet nu uitgroeien van gevoelsrelatie tot algehele levensverbondenheid. Als Hij leeft, leeft Hij voor ons; als Hij sterft, sterft Hij voor ons. Onze wederkerigheid ontplooit zich dan volgens de uitdrukking van Paulus: “Niemand van ons leeft immers voor zichzelf alleen, en niemand sterft voor zichzelf alleen. Zolang wij leven, leven wij voor de Heer, en sterven wij, dan sterven wij voor de Heer: of wij leven of sterven, Hem behoren wij toe (Romeinen 14, 7 - 8).

De radicaliteit van die uitdrukking moet ons niet verwonderen. Jezus zelf geeft de mystieke dimensie aan die de relatie nu kenmerkt: “Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij, zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken” (Johannes 10, 15). Die manier van kennen heeft een onmiddellijke consequentie: “Ik geef dan ook mijn leven voor mijn schapen” (Johannes 10, 16). De intimiteitservaring met Jezus is vooral een godservaring in een totale overgave die eigen is aan de goddelijke levensgemeenschap tussen ons en de Vader en de Zoon.

‘Totale overgave’ is vlug gezegd. In heel ons leven blijft onze overgave een wordingsproces. Ons laatste en definitieve jawoord spreken wij slechts uit bij onze dood. Het wordt er vergemakkelijkt als wij het in ons leven dag na dag herhaald hebben.



De goede herder (2015)

“Ik, ik ben de herder, de goede”, zegt ons Jezus (Johannes 10, 11).
En zo stelt hij zich voor als de herder die de profeten hebben aangekondigd. Wij zijn hier in het hart van het Johannesevangelie. Jezus betitelt zich echter niet als de ‘ware’ herder zoals Hij het doet voor het licht, het brood, of de wijnstok (Johannes 1, 9; 6, 35; 15, 1), die Hij voor ons is. Woord voor woord zegt Jezus: “Ik, ik ben de herder, de mooie” (Grieks: ‘kalos’). Dat woord heeft niet de betekenis van de aardige zachtheid gepopulariseerd in sommige godvruchtige afbeeldingen. In het Nieuwe Testament drukt ‘kalos’ de kwaliteit uit van iets of iemand die perfect borg staat voor zijn functie. Zo is nu juist de huurling niet, die als contrast afgeschilderd wordt.

Het eerste kenmerk van de goede herder, volgens Jezus, is dat hij zijn leven geeft voor zijn schapen. Daarentegen zijn de schapen van weinig tel voor de huurling. Hij kent ze eenvoudigweg niet. Jezus echter heeft met zijn leerlingen een relatie van wederzijdse kennis. Hij kent ze, en zij kennen hem.
‘Iemand kennen’ drukt in de Bijbel een intieme relatie uit tussen twee personen. Zo ook betekent de Vlaamse uitdrukking ‘kennis hebben’, ‘verkering hebben’, een intieme relatie aangaan. ‘Kennen’ kan in de Bijbel zelfs de seksuele relatie uitdrukken tussen een man en een vrouw. In het evangelie van Johannes en in zijn eerste brief is de relatie tussen God de Vader en Jezus, zijn Zoon, een wederzijds kennen (1 Johannes 2, 3-5; 5, 20). Het gaat om een persoonlijke relatie waarin iedere partner op doorslaggevende manier zijn stempel drukt op de andere. Die verhouding tussen de Vader en de Zoon kan overigens omschreven worden als een ‘één zijn’ (vgl. Johannes 10, 38; 14, 11; 17, 21). Die eenheid resulteert uit het onderling kennen dat eigen is aan de liefde.

Eenzelfde relatie komt tot stand tussen Jezus en zijn leerlingen (Johannes 10, 14.27). De leerlingen kennen Jezus en Jezus kent zijn leerlingen. Het werkwoord ‘kennen’ heeft hier dus geen mentale betekenis, maar drukt een relatie uit die beide partners engageert in wederzijdse levensbetrokkenheid.
Wanneer een persoon wezensbepaald wordt door wie hem kent, dan zal hij sowieso zelf in zijn kennen bepaald worden door de persoon de hij kent. En daar de Vader en de Zoon ‘het leven’ hebben en zijn (Johannes 5, 26), is in de liefde de Vader en de Zoon kennen, ‘het eeuwig leven’ (Johannes 17, 3).

Zo wordt het duidelijk dat ‘kennen’ hier de verhevenste manier van zijn benoemt, de meest authentieke manier van leven, en dat deze kennis niets anders is dan de liefde (Grieks : agapè). God is ‘agapè’, en door te beminnen komt men in relatie met God (1 Johannes 4, 8.16). De liefde is aldus het criterium van de Godskennis (1 Johannes 4, 7 v.), zoals ze ook de maatstaf is van het toebehoren aan Jezus (Johannes 13, 35). Het ‘kennen’ zoals het ‘beminnen’ bepalen de relatie tussen de Vader en de Zoon (Johannes 3, 35. 10, 17; 15, 9; 17,23 v.; 14, 31). Op dezelfde manier bewerkstelligen ze de relatie tussen Jezus en die van Hem zijn (Johannes 13, 1, 34; 14, 21 v. ; 15, 12-17).

De eerste Johannesbrief zal nog eens herhalen dat dit ‘kennen’ wezenlijk de liefde is. “Hieraan hebben we geleerd wat liefde is: Hij, Jezus, heeft zijn leven voor ons gegeven” (1 Johannes 3,16). Het betreft een liefde die gaat tot het uiterste, tot het geven van zijn leven. Die liefde drukt de beweging uit van God naar de mensen toe: de Vader geeft ons zijn Zoon, en de Zoon geeft ons zichzelf zonder voorbehoud. Wanneer Jezus over zichzelf spreekt, is het bijna altijd om zich te betrekken op de Vader die hem gezonden heeft (17 maal in het Johannesevangelie). Hij is gezonden door de Vader om alle mensen naar de Vader te brengen: “God immers had de wereld zo lief dat Hij zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat iedereen die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft. God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gestuurd om een oordeel over haar te vellen, maar om de wereld door Hem te redden” (Johannes 3, 16-18). De zending die de Vader toevertrouwt aan de Zoon, is onder zijn herdersstaf alle kinderen Gods te verenigen.

De grote eenheid van het Johannesevangelie komt hier tot uiting: alles wat de Vader is en heeft, geeft Hij aan de Zoon, die op zijn beurt alles geeft wat Hij is, tot zijn leven toe, aan wie Hem liefhebben. Het kennen in het geloof is de liefde.
De vraag die mij gesteld wordt is niet: wat voel ik, wat weet ik? De enige echte vraag is: geef ik mijn leven in de liefde, uit liefde?
En zo kan ik met Jezus zeggen: “De Vader bemint me in het belangeloos geven van mijn leven” (Johannes 10, 17).