Loading...
 

6e paaszondag C - eerste lezing

2 Meeting


...page... Wiki page pagination has not been enabled.

Handelingen 15, 1-2.22-29: Het eerste concilie

De tekst

Dichter bij de tijd

Er kwamen enkele mensen uit Judea naar Antiochië die zeiden:
‘Als jullie zich niet laten besnijden, zoals de wet van Mozes het voorschrijft,
kunnen jullie niet gered worden.’
Er ontstond een heftige discussie en Paulus en Barnabas raakten met hen in conflict.
Daarom gaf men aan Paulus en Barnabas en aan nog enkele anderen de opdracht
om dit probleem voor te leggen aan de apostelen en de verantwoordelijken in Jeruzalem.
Die besloten om in overleg met de gemeenschap van christenen
met Paulus en Barnabas nog een paar een paar mannen naar Antiochië te sturen:
Judas, ook Barsabbas geheten, en Silas.
Ze gaven hun deze brief mee:
‘De apostelen en de verantwoordelijken
groeten hun broeders van heidense afkomst in Antiochië, Syrië en Cilicië.
Wij vernamen dat enkelen van ons, zonder ons daarin te kennen,
met hun woorden verwarring en onrust onder u hebben gezaaid.
Daarom besloten wij eenstemmig om een paar mannen uit te kiezen
en die mee te sturen met Barnabas en Paulus,
die zich met hart en ziel inzetten voor de naam van onze Heer Jezus Christus.
Wij hebben Judas en Silas afgevaardigd
die u dezelfde boodschap ook mondeling zullen overbrengen.
De heilige Geest en wij besloten u niets meer op te leggen dan wat strikt noodzakelijk is:
u moet zich onthouden van vlees dat aan de afgoden geofferd is,
van bloed, van vlees dat niet ritueel geslacht is en van ontucht.
Als u daarvan afblijft, is het in orde. Het ga jullie goed.’





Bij de tekst

Situering van de tekst

Als Paulus op zijn reis in het Midden-Oosten ergens aankwam, ging hij eerst prediken in de synagoge. Hoewel heel wat joden aanvankelijk enthousiast waren, eindigde dit meestal in vervolging en arrestatie van Paulus. Daarom begint Paulus zich te richten tot de mensen die geen jood waren.
Maar ook dit stelde problemen:
- Kon men wel christen worden zonder eerst jood te zijn?
- Moest men besneden zijn om Christus te kunnen volgen?
Vooral de christenen, die voordien jood waren geweest vonden dit niet kunnen. Ze waren ervan overtuigd dat men zeker de Tora moest beleven en besneden zijn.

Deze kwestie veroorzaakte een grote crisis bij de eerst christenen. Daarom weren de apostelen in een concilie bijeengeroepen te Jeruzalem.

Deze bijeenkomst (concilie) van de apostelen te Jeruzalem besloot officieel dat men niet eerst jood moest zijn om christen te kunnen worden.
De argumentatie hiervoor is te vinden in Handelingen 15, 3-21 - de tekst die weggelaten wordt tijdens deze eerste lezing, en in de volgende tekst licht aangepast is:

De gemeente deed hun uitgeleide en zij trokken door Fenicië en Samaria,
waar ze de broeders grote vreugde bezorgden door te vertellen over de bekering van de heidenen.
In Jeruzalem werden ze verwelkomd door de gemeente, de apostelen en de verantwoordelijken.
Ze brachten verslag uit van wat God met hen gedaan had.
Sommigen die vroeger bij de Farizeeën waren, zeiden:
‘Ze moeten hen besnijden en van hen eisen dat ze zich aan de wet van Mozes houden.’

Daarom kwamen de apostelen en de verantwoordelijken bijeen om dit probleem te bespreken.
Na veel discussie stond Petrus op. Hij zei:
‘Broeders, jullie weten dat God van meet af ervoor gekozen heeft
dat ik de heidenen het evangelie zou brengen zodat ze tot geloof zouden komen.
God die weet wat er in hart van de mensen leeft,
heeft dat duidelijk gemaakt door hun, net als ons, de heilige Geest te schenken.
Hij heeft nergens onderscheid gemaakt tussen ons en hen,
omdat Hij hun harten met het geloof gezuiverd heeft.
Waarom wilt u hen een juk opleggen dat onze voorvaderen noch wijzelf konden dragen?
Nee, wij geloven dat wij net als zij door Jezus zullen gered worden.’

Heel de vergadering zweeg.
Dan luisterden ze naar de verhalen van Barnabas en Paulus
over de tekenen en wonderen die God door hen onder de heidenen had gedaan.

Toen zij uitgesproken waren, zei Jakobus:
‘Broeders, luister.
Simeon heeft gezegd dat God zelf begonnen is zich het lot aan te trekken van de heidenen,
om uit hen een volk te vormen voor zijn naam.
Dit komt overeen met de woorden van de profeten:
"Dan zal Ik terugkeren en de ingestorte tent van David weer opbouwen;
wat omver ligt zal Ik herstellen en weer overeind zetten.
Dan zullen de mensen die overgebleven zijn, op zoek gaan naar de Heer
samen met de heidenen, over wie mijn naam is uitgeroepen. Zo spreekt God. "
Daarom vind ik dat we de heidenen die zich tot God bekeren, geen onnodige last moeten opleggen. We moeten hun schrijven dat ze zich onthouden van verontreiniging door afgoden, ontucht, verstikt vlees, en bloed.


in deze tekst wil Lucas aantonen dat het toelaten van heidenen tot de gemeenschap van christenen het werk is van God zelf:

- Hij verwijst naar de bekering van de Romein Cornelius, waarbij 'de heilige Geest neerdaalde op allen die naar zijn toespraak luisterden'.

- Via Petrus zegt Lucas dat de joden zelf niet in staat waren de wet te onderhouden (het lijkt wel erg onwaarschijnlijk dat Petrus dit zelf zou gezegd hebben)

- Paulus en Barnabas verwijzen naar het gunstig onthaal wanneer ze zich richten naar de heidenen.

- Via Jacobus komt een argument vanuit de Bijbel zelf: een citaat uit de profeet Amos (waarvan de tekst in 'Handelingen' komt uit een Griekse vertaling, die afwijkt van de Hebreeuwse tekst). Met deze tekst wordt aangetoond dat de opname van heidenen in de gemeenschap van christenen reeds lang door God gewild is.



Brief aan de Galaten

De tekst in de ‘Handelingen van de apostelen’ werd door Lucas geschreven. In het Nieuwe Testament wordt hiernaar verwezen in de brief van Paulus aan de Galaten (Galaten 2, 1-10), die kan doorgaan als historische informatie uit eerste hand.

Na veertien jaar ging ik samen met Barnabas en Titus terug naar Jeruzalem. God had me laten weten dat ik dat moest doen. Ik heb daar aan de leiders van de Kerk het evangelie voorgelegd dat ik aan de niet-joden verkondig. Ik wilde er zeker van zijn dat ik niet voor niets werk of had gewerkt. Maar zelfs Titus, een Griek, werd niet gedwongen om zich te laten besnijden. Dat wilden wel een paar valse broeders, die als spionnen waren binnengedrongen om erachter te komen hoe wij onze vrijheid, die wij hebben in Christus Jezus, gebruikten. Maar wij zijn geen moment voor hen gezwicht, want de waarheid van het evangelie moest bij u behouden blijven. De leiders hebben mij niets opgelegd. Integendeel, toen zij inzagen dat aan mij het evangelie voor de niet-joden was toevertrouwd, zoals dat voor de joden aan Petrus en omdat zij de mij gegeven genade hadden erkend, hebben zij, Jakobus en Petrus en Johannes, mij en Barnabas de rechterhand toegestoken (1): wij zouden naar de niet-joden gaan en zij naar de joden. Wij moesten alleen de armen gedenken, en daar heb ik dan ook mijn best voor gedaan.

(1) Met dit gebaar geeft men aan dat men een vreedzaam verdrag heeft gesloten, waarbij geen van de partijen het overwicht heeft.