Loading...
 

7e paaszondag C - evangelie

Globe People


...page... Wiki page pagination has not been enabled.

Johannes 17, 20-26: Bidden om eenheid 

De tekst

Dichter bij de tijd

Ik bid voor degenen die in Mij geloven:
dat ze allen één mogen zijn.

Vader, zoals U en Ik één zijn,
zo moeten zij ook één zijn.
Dan kan de wereld geloven
dat U Mij hebt gezonden.
Ik heb hen laten delen
in de heerlijkheid
waarin U Mij hebt laten delen,
zodat ze één mogen zijn zoals Wij één zijn:
Ik in hen zoals U in Mij.
Laat hun eenheid volkomen zijn,
dan zal de wereld weten
dat U Mij hebt gezonden
en dat U hen hebt liefgehad
zoals U Mij hebt lief gehad.

Vader, diegenen die U aan Mij hebt toevertrouwd,
zou Ik graag bij Mij hebben waar Ik ben,
zodat ze de heerlijkheid zien
waarin U Mij hebt laten delen,
want vóór dat de wereld er was,
had U Mij al lief.

Vader, de wereld kent U wel niet
maar Ik ken U.
De mensen weten dat U Mij gezonden hebt.
Ik heb hen gezegd wie U bent
en Ik zal dat blijven doen,
want ik wil dat de liefde die U voor Mij hebt,
ook in hen mag zijn.’



Stilstaan bij ...

Bidden
Bidden is te vergelijken met spreken. Men spreekt dan tot God: men zegt Hem wat men hoopt, gelooft, verwacht...
Maar bidden kan men ook vergelijken met luisteren. Men probeert dan stil te worden om God beter te leren kennen. Zo voelt men beter aan wat God van mensen verwacht.

Bidden is uiteindelijk zijn gedachten en gevoelens afstemmen op die van God. Men ziet dan niet langer de dingen vanuit zijn eigen standpunt, maar men kan zich inleven in het standpunt en de visie van God.


Vader
Typische manier waarmee Jezus God aanspreekt.
Door God zijn vader te noemen, wordt duidelijk dat Jezus de zoon van God is. Wanneer zijn volgelingen ook God als Vader mogen noemen, zijn zij dus ook zonen of dochters, dus kinderen van God. Een verwantschap die een hele taak met zich meedraagt.


Eenheid
Doorgaans denkt men bij deze eenheid aan de ‘eenheid’ onder de christenen. Maar Johannes bedoelt eerder de eenheid en verbondenheid van christenen met Jezus, en door Hem met God.





Bijbel en kunst

C. AMMERLAAN - VAN NIEKERK

Symbool voor de eenheid van de jeugd over de hele wereld
Corry Ammerlaan Van Niekerk 2

Dit imposante werk van Corry Ammerlaan-van Niekerk werd op het Jamboreeterrein aan de Spijkweg, Biddinghuizen (Nederland), geplaatst ter gelegenheid van 18e wereld Jamboree. Uit een grote ronde schijf zijn twee groepjes van vijf mensen te zien, die heel dicht bij elkaar staan, schouder aan schouder. De twee middelste van deze groep houden hun armen omhoog alsof ze naar iets wijzen in de lucht.

Tussen de mensen is de eenheid voelbaar: hun schouders raken elkaar, hun voeten komen bijeen op dezelfde plaats.
Zijn ze geworteld in hetzelfde ideaal?
Zetten ze hun schouders onder hetzelfde doel?

Het werk wil de eenheid van jongeren over de hele wereld symboliseren. Kan het ook de eenheid van christenen symboliseren?
Het antwoord op die vraag is niet vanzelfsprekend. Ervaren wij de eenheid met christenen in Turkije, Syrië, Libanon, Soedan, Ethiopië ,Griekenland?





Overwegingen

Frans Mistiaen s.j.

Gods respectvolle liefde als een steun in de rug

Na Zijn verrijzenis had Jezus Zijn leerlingen duidelijk laten aanvoelen
dat Hij krachtig levendig onder hen aanwezig was,
maar wel op een heel andere manier dan vroeger.
Voortaan herkenden zij Hem en konden zij Hem vooral ervaren
in de persoonlijke bezieling en broederlijke solidariteit
die groeide telkens zij samen kwamen
voor het breken van het Brood in de Eucharistie
binnen de kleine kerkgemeenschap,
die van daaruit open dienstbaar werd voor de omgeving.
 
Hemelvaart vorige donderdag was het feest
waarop nogmaals duidelijk werd gemaakt
dat die Kerk voortaan op eigen benen moest gaan staan,
zonder onmiddellijk zichtbare Jezus als model naast haar.
"Mannen van Galilea, wat staat gij naar de hemel te kijken?
Hij, die is opgenomen, Hij komt bij u terug!"
De Heer laat Zijn Kerk niet verweesd achter,
maar maakt duidelijk op welke manier
Hij voortaan onder ons aanwezig wil blijven :
nl. als Helper, als Liefdesgeest, die onze geloofsgemeenschap
van binnenuit inspireert, voortstuwt, bezielt.
En nu verwachten wij die Liefdeskracht, op Pinksteren.
 
In dezer dagen worden vele twaalfjarigen gevormd.
Tijdens die ceremonie worden, op het moment van de zalving,
de ouders of peter en meter uitgenodigd bij hun kind te komen staan
en hun hand te leggen op de schouder van de opgroeiende jongere.
Een zeer zinvol gebaar.
Twaalfjarigen zijn op een leeftijd gekomen
waarop volwassenen hen niet meer vast in de hand
omkneld moeten houden om hen verder mee te trekken.
Die jongeren affirmeren immers hun persoonlijkheid.
Zij weten al meer wat zij willen
en laten duidelijk hun voorkeur kennen,
stilaan meer en meer gefundeerd.
(Ouders beloofden trouwens op hun huwelijksdag
de kinderen, die hun zouden geboren worden, te begeleiden
om hen vrij te maken en hun eigen weg te leren kiezen.)
Bij de twaalfjarigen voelt men reeds heel duidelijk
dat verlangen om "zich vrij te maken"
en om "zijn eigen weg te leren kiezen".
Natuurlijk zullen die jongeren
de zorgende aanwezigheid van hun ouders en andere volwassenen
de volgende jaren nog broodnodig hebben,
maar blijkbaar op een andere manier dan vroeger,
niet meer als model, vooropgaand en hen vooruit trekkend,
wel als een dragende hulp op de achtergrond, duwend, steunend.
Daarom gaan ouders of peter en meter bij het vormsel
áchter de jongere staan
en leggen zij hun hand vol respect op die schouder,
ten teken dat zij die jongere
vóór zich uit willen laten gaan op zijn of haar eigen weg,
maar hem of haar toch willen blijven begeleiden,
niet als een beklemming, wel als een steun in de rug.
 
Welnu, het is ook op die manier
dat Jezus in Zijn Kerk aanwezig wil blijven:
niet als een dwingende, beklemmende heerser,
die ons zou voorhouden wat wij allemaal moeten doen,
wel als een bezielende Liefdesgeest,
die ons, als een steun in de rug, inspireert, voortduwt,
wanneer wij op eigen benen staan
en onze verantwoordelijkheid gaan opnemen
als christenen in deze wereld.
 
Wij, Jezus' leerlingen, mogen alles van Hem vergeten:
Zijn gelaatsuitdrukking, Zijn gestalte, Zijn gebaren.
Maar iets van Hem mogen wij nooit vergeten: Zijn respectvolle liefde.
Jezus bad vurig dat de liefdeband tussen Hem en Zijn Vader
ook zou blijven leven in het hart van allen die in Hem geloven.
 
Uiterlijk zijn wij, christenen,
niet onmiddellijk te onderscheiden van ongelovigen.
Het verschil voelt men pas wanneer men met gelovigen omgaat
en begint te ervaren wat hun inspiratie is,
nl. een Liefde die bezielt tot belangeloze dienstbaarheid.
Niet dat wij die zelf moeten scheppen.
Neen! Wij moeten de liefde niet uitvinden.
Daardoor zouden wij alleen maar krampachtige mensen worden.
De stroming van de bezielende Liefde is er.
Wij moeten er alleen maar in gaan staan, haar voelen in onze rug,
haar door ons lichaam heen laten stromen,
zodat zij werkdadig wordt tot in onze handen en voeten,
in onze edelmoedigheid, in onze vergevensgezindheid,
in onze inspanningen tot eenheid.
Daarvoor hebben wij die steun in de rug nodig.
Want onze liefde is soms wat verkild, ons enthousiasme
wellicht wat verkoeld, onze hoop wel eens verzwonden
en onze dienstbaarheid misschien minder vindingrijk geworden.
Wij allen hebben er nood aan de Helper,
de Bezieler weer tastbaar te voelen.
Wij hebben nood aan een nieuw Vormsel,
aan een nieuw Pinksterfeest, voor onze geloofsgemeenschap.
 
(Gij, dertienjarigen die vorig jaar werd gevormd,
zijt gij trouw gebleven aan uw beloften en voornemens van vorig jaar?
Gij jongvolwassenen,
die enkele jaren geleden het vormsel hebt ontvangen,
is de edelmoedigheid van uw hart gegroeid
zoals de opschietende gestalte van uw lichaam?)
En wij, volwassenen, die vele jaren geleden werden gevormd,
wat is er de laatste tijd toch allemaal gebeurd,
dat ons gemoed zo verdrietig heeft gemaakt,
dat wij zijn gaan twijfelen
aan de liefdevolle aanwezigheid van Gods Liefdesgeest
in ons gezin, in ons persoonlijk leven,
in ons werkmilieu, in onze kerkgemeenschap?
Jong of oud, wij hebben allemaal nood aan een nieuw enthousiasme,
aan een nieuw gloedvol Pinksterfeest,
zodat wij, zoals onze vormelingen, ervaren dat God achter ons staat
en, bij alles wat wij nu beleven,
Zijn hand respectvol op onze schouder houdt.
Onze liefde gelijkt op een klein vlammetje,
dat reeds enkele gezichten verlicht
en reeds enkele harten verwarmt .
Het moet wel aangewakkerd worden
door het goddelijk vuur van Jezus’ Geest.
 
Laten wij daarom deze dagen met grote aandrang bidden :
 
"Kom, o Trooster, heilige Geest, Zachtheid die de ziel geneest.
Kom, Verkwikking, zoet en mild. Kom, o Vrede in de strijd.
Lafenis voor 't hart dat lijdt. Rust die alle onrust stilt!
 
Zonder Uw geheime gloed is er in de mens geen goed.
Genees de ziel die is gewond. Maak weer zacht wat is verstard.
Koester het verkilde hart. Leid wie zelf de weg niet vond.
Kom, o heilige Geest, kom!"



Zielsverbonden met Jezus en de Vader

Jezus is naar de Vader en de beloofde Geest is nog niet gekomen.
Tussen Hemelvaart en Pinksteren
beleeft de jonge Kerk een grens-ervaring,
en die houdt steeds een uitnodiging in tot innerlijke groei.

Maken wij dat niet regelmatig mee, zo'n overgang?
Het gevoel van afscheid te moeten nemen
van iets dat ons ontglipt en dat wij moeten loslaten
en terzelfder tijd het hevig verlangen
naar iets dat er nog niet is en dat wij nog niet kennen.
Ouders bv. die hun tiener het huis zien uittrekken
om op eigen benen te staan.
Zij hopen hem of haar terug te vinden,
maar nu als verantwoordelijke volwassene. Maar zal dat lukken?
Is hun liefde zo vindingrijk dat zij zich aanpast
aan de nieuwe levenssituatie? Meestal wel. Gelukkig!

Welnu, juist in zulke overgangssituaties tussen oud en nieuw,
juist dan begint een mens spontaan te bidden.
Op de grens tussen loslaten en verlangen,
daar welt het gebed op in het hart.
Het is het gebed van iemand die iets of iemand kwijt geraakt
en toch weet dat hij tot een nieuwe liefde opgeroepen wordt,
zonder nog te weten hoe.
Ook de leerlingen van Jezus begonnen in hun overgangstijd
spontaan te bidden wanneer zij samenkwamen rond Maria
om eucharistie te vieren in een of ander huis.
In hun herinneringen haalden zij toen zeker
heel sterk Jezus’ biddende afscheidswoorden naar boven,
die Hij tot hen had gesproken aan tafel in de bovenzaal,
op die eerste Witte Donderdag, toen Hij Zijn overgang begon,
Zijn pascha, Zijn doorgang door lijden en dood naar Zijn Vader.
Kunnen ook wij iets leren van Jezus’ gebed op dat ogenblik,
nu wij hier samenkomen in onze bovenzaal om er te bidden
te midden van onze overgangservaringen van loslaten
en hoop op nieuwe, verdiepte liefde?

Op het einde van Zijn afscheidswoorden
heeft Jezus gebeden dat allen,
die via Zijn leerlingen christelijke gelovigen zouden worden,
altijd innig verbonden zouden blijven met Hem en met Zijn Vader.
En dat door die zielsverbondenheid van de gelovigen
heel de wereld zou erkennen dat Hij, Jezus,
de echte Vertegenwoordiger is en blijft
van de hartelijke Vader-God,
die allen Zijn liefde gratuit en gratis aanbiedt.

Ons gebed zal dus altijd een verdiepingsmoment zijn,
enerzijds van onze dankbare levensverbondenheid
met onze liefdevolle God, die ons door alles heen blijft beminnen,
anderzijds van onze belangeloze dienstbaarheid
en liefdevolle solidariteit
met de lijdende medemensen van onze wereld vandaag.
Het wordt een gebed
dat straalt van dankbaarheid
voor de blijvende liefdesstroom die ons draagt,
en dat open bloeit in gulle edelmoedigheid
om niet op de eerste plaats onszelf te dienen,
maar het geluk van de andere.

Wij leren er ook dat Jezus,
bij het stichten van Zijn Kerkgemeenschap,
niet zozeer bezorgd is over uiterlijke organisatie of structuren:
vb. goed verzorgde preken en liturgie, de participatie van de leken,
de verantwoordelijkheid van de vrouwen...
Op die punten laat Hij ons een grote vrijheid.
Zijn allergrootste bekommernis is de geestelijke eenheid van allen,
de zielsverbondenheid met Hem en Zijn Vader, de Bron van Leven.

In liefde verbonden leven betekent dus voor ons, niet
dat wij eisen dat iedere gelovige hetzelfde doet, denkt en voelt,
maar dat wij er gelovig willen voor kiezen
elkaar niet los te laten
als er verscheidenheid is van karakter, opvattingen, aanvoelen,
en elkaar te blijven liefhebben met een liefde die
de verscheidenheid steeds opnieuw wil overstijgen,
nl. met de belangeloos dienende liefde van Jezus.
Uiterlijke verschillen over hoe en wat wij doen, zijn zo bijkomstig.
Verbondenheid met Jezus’ liefde vraagt van ons
dat wij elkaar een zo groot mogelijke uiterlijke vrijheid gunnen.
Onze keuze voor de innerlijke geestelijke levensverbondenheid
met de Zichzelf-gevende en anderen-dienende Jezus
maakt ons mild tegenover de verscheidenheid van de anderen.

“Zie hoe ze elkaar liefhebben”
zelfs te midden van de verscheidenheid van denken en handelen,
dat is het kenmerk
van de authentieke leerlingen van de verrezen Jezus,
van de echte gelovigen in de groeiende kerkgemeenschap.
Dat is wat de wereld kan overtuigen
dat Jezus de echte Vertegenwoordiger is en blijft van de Liefde-God.

Ook in elke grens-ervaring die wij meemaken,
bidden wij het best
met grote dankbaarheid voor Gods blijvende trouwe aanwezigheid,
in zielsverbondenheid met de belangeloos dienende liefde van Jezus,
die ons uitnodigt tot mild aanvaarden
van de vrijheid in de verscheidenheid:
“Kom heilige Geest, kom met uw liefdeskracht in ons wonen.”




Marc Gallant

Monnik te Orval



Overweging (2013)

Jezus is niet van ons heen gegaan zonder ons een testament na te laten. Johannes heeft ons Jezus’ afscheidsrede bewaard. Wij horen er Jezus, juist voor zijn lijden en dood, mededelen wat er Hem het nauwst op het hart ligt. Het evangelie heeft er ons zojuist het laatste en meest ontroerende stukje van gebracht. Jezus laat er ons delen in zijn gebed tot de Vader. Hij drukt er het diepste van zijn wezen uit. Heel zijn wezen is gericht op de Vader. Zijn gebed drukt die gerichtheid uit. Zijn gebed is een liefdesverklaring.

In feite is elk gebed een liefdesverklaring. Zelfs als je bidt voor jezelf, zelfs in het gebed waar je uitgaat van je eigen verlangens en noden om iets te vragen aan God, veronderstel je nog altijd dat God je genoeg bemint om je te geven wat je vraagt. Van wie jij je bemind weet, durf je iets te vragen. Ons vraaggebed is reeds een blijk dat we geloven in Gods liefde.

Als onze liefde echter uitgroeit boven onze eigen verlangens en noden, dan kunnen we ons belangeloos richten tot de geliefde. Het gebed wordt dan een echte liefdesverklaring. Dan wij zeggen er tot de geliefde: “Je mag echt jezelf zijn, ik vraag je jezelf te zijn”. Als wij het ‘Onze Vader’ bidden, beginnen wij telkens met aan de Vader te vragen Vader te zijn, en op aarde zoals in de hemel erkend te worden voor wat Hij is.

Dat is het precies wat Jezus tot de Vader zegt. Hij vraagt aan de Vader Vader te zijn; Hij vraagt dat de Vader door allen in zijn liefde erkend mag worden, dank zij het getuigenis van de eenheid en de liefde van de christenen. Jezus’ gebed zouden we zò kunnen samenvatten: “Vader, wij zijn één, Gij in Mij en Ik in U, dank zij de liefde waarmee Gij Mij hebt liefgehad, reeds vóór de grondvesting van de wereld. Dat alle mensen die liefde mogen erkennen, zowel in de zending die Gij Mij hebt toevertrouwd, als in de zending die Ik mijn leerlingen heb toevertrouwd; dat ze die liefde mogen erkennen dank zij de eenheid en de liefde van de christenen onderling”.

Dat gebed heeft een verbazende reikwijdte. Hoe kunnen de mensen te weten komen dat God liefde is? Op die vraag antwoordt Jezus: “Door de liefde van mijn leerlingen onderling”. De eenheid van de Vader met de Zoon wordt aan de wereld geopenbaard door de onverklaarbare liefde die de leerlingen met elkaar verbindt. De eenheid van de christenen onderling is dan ook de doelstelling van Jezus’ gebed en van het bidden van zijn leerlingen. Inderdaad, de eenheid is het kenteken van de liefde: de liefde streeft immers naar verening. De liefde is volkomen als de eenheid volkomen is. Het gebed van Jezus en van de christen ambieert die eenheid. Bidden is één worden met God. In het gebed wordt men ook één met zichzelf en één met de anderen.

Gods wezen is eenheid. Wij kunnen ons die eenheid niet eens inbeelden. Voor ons is één gelijk aan twee helften en een helft is gelijk aan twee vierden. Ons lichaam bestaat uit miljarden cellen en onze geest gaat alle kanten uit : wij zijn veelvoudig, want wij zijn eindige termen. God is één. Hij is niet Vader, èn Zoon, èn de relatie van Vader en Zoon die we de Geest noemen. De drie Personen in God kan je niet samentellen omdat ze puur relatie zijn: de Vader is Vader door het onthaal van de Zoon en de Zoon is Zoon door de gave van de Vader. In God zijn er geen termen. God is louter relatie, oneindig relatie die alle termen uitsluit. Hij is één relatie. Hij is de eenheid van het zich totaal aan elkaar geven zonder iets voor zichzelf over te houden. De Drie “Personen” zijn geen termen, ze zijn geen wezens die iets voor zichzelf hebben, want de termen worden opgeheven waar oneindig alles gegeven en alles ontvangen wordt. Ook dat kunnen wij ons niet inbeelden : als ik alles geef, echt alles weggeef wat ik ben, dan besta ik niet meer, omdat ik een eindig wezen ben. God daarentegen bestaat maar als liefdestempeest van oneindig geven en ontvangen.

Hoe kunnen wij, in een wereld die God niet meer nodig heeft, getuigen zijn van God? Juist, zegt Jezus, door zelf ook op te gaan in de eenheid. De liefde en de eenheid van de christenen verwijst naar de liefdeseenheid van God. De eenheid tussen christenen is niet louter een eenheid tussen mensen: het is één worden in Christus, in Hem één worden zoals de Vader en de Zoon één zijn.

De kiem van die eenheid wordt bij het doopsel door de heilige Geest in het hart van ieder christen gezaaid. In het gebed kan die kiem groeien en zich ontwikkelen tot eenheid met God, met zichzelf en met de anderen. Zonder dat gebed kunnen wij als christen niet overleven in onze wereld. Er is iets positiefs aan een wereld die God niet meer nodig heeft: God kan er echt God zijn. Hij wordt er niet meer gebruikt als noodoplossing voor onze problemen, niet meer als gaatjesstopper bij onze uiteindelijke vragen waar wetenschap of filosofie blijven steken. God mag er echt God zijn, gratis voor niets, zoals het de liefde behoort, Hij mag er belangloze Liefde zijn.



Overweging (2016)

Het christendom is niet een godsdienst als een andere. Het wezenlijke is er niet wat de mens doet voor God, maar wat God doet voor de mens. De christen is niet een mens die met allerhande technieken wroet om tot God op te stijgen. Hoe zou hij ooit de oneindige afstand kunnen overbruggen die hem van God scheidt? Hij is een mens die zijn kleinheid openstelt, om er God te onthalen als Hij tot hem komt. Hij laat Hem in zich geboren worden.

Alles gaat immers uit van God. God is liefde, en liefde is mededeelzaamheid. Wie bemint wil zich aan de andere geven. In Jezus wendt God zich tot ons: met ons wordt Hij vlees en bloed. God kan niet anders: Hij wil oneindig met ons zijn. Dat uitgangspunt laat ons toe Jezus’ geestelijk testament te begrijpen, waar het evangelie ons vandaag een echo van biedt. Als God met ons komt, ontstaat er een gans nieuwe relatie tussen God en mens. Alom heeft de mens God gezocht in wat hem overstijgt. Nu komt God ons zoeken daar waar wij zijn. Hij leeft ons leven en deelt ons lot, lijden en dood incluis. God is in Jezus “Emmanuel” geworden, “God-met-ons”, onze gezel, die ons leven deelt met ons, opdat wij met Hem zijn leven zouden kunnen delen.
Jezus komt ons deelachtig maken in het Leven dat hij van eeuwigheid van de Vader ontvangt (Johannes 1, 18) en met hem deelt.

In de eerste etappe van die deelname komt Jezus met ons ten einde toe ons menszijn beleven. Na zijn dood wordt de Geest ons gegeven opdat zijn intieme aanwezigheid in intensiteit zou toenemen. God en de mens worden geestelijk één. Aan de daadwerkelijke liefde van de mens beantwoordt God met zijn inwoning: “Als iemand Mij liefheeft zal hij mijn woord onderhouden. Mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en verblijf bij hem nemen” (Johannes 14, 23). Jezus kan met de Vader in ons komen wonen, omdat hij met zijn mensheid opgenomen is in het onzichtbare leven van de Vader.

Het is typisch dat Jezus zich nu dynamisch uitdrukt, georiënteerd naar de toekomst: ”En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor degenen, die door hun woord in Mij zullen geloven. Opdat zij allen één zijn, zoals Gij, Vader, in mij, en ik in U, dat ook zij in Ons één zijn; opdat de wereld kan geloven dat Gij mij gezonden hebt” (Johannes 17, 20-21).
Beginsel van alle mogelijke eenheid, is de eenheid van God ook de bron van de eenheid tussen de christenen onderling. Het is die eenheid die hun getuigenis staaft in de wereld: "Mogen ze allen één zijn zoals wij één zijn: Ik in hen zoals U in Mij ; dat hun eenheid volkomen mag zijn, zodat de wereld kan erkennen dat U mij hebt gezonden en dat U hen hebt liefgehad met de liefde die U Mij hebt toegedragen” (v. 22-23). Er is doorstroming van de eenheid in God naar de eenheid van God met wie gelooft dat Hij Jezus gezonden heeft. Die eenheid met God verenigt allen die geloven, zodat hun eenheid een getuigenis wordt van Gods liefde voor alle mensen.

Kortom: Jezus zien (cf. Johannes 12,45), hem kennen, en in hem de Vader zien, is in gemeenschap leven met hem, en zo met allen die met hem één zijn. Jezus is tegenwoordig in de zijnen omdat de Geest in hen woont. Maar het is God, zoals Hij is, één en drievuldig, liefdeskracht en gemeenschapsdynamisme, die verblijft in Jezus’ leerlingen. Die aanwezigheid van God in de zijnen is reeds de hemel die begint, de hemel die we reeds beleven in het geloof.
Wij weten er ons bemind door Hem die de Liefde zelf is. God vergeet ons geen enkel moment, zelfs in de omstandigheden als ons leven en ons gebed in de nacht schijnen te verzinken. We kunnen dan indachtig zijn dat Jezus voor ons bidt, zoals hij gebeden heeft voor zijn leerlingen, de vooravond van de dag waarop gans zijn zending in de vernietiging scheen te gaan.
Mag zijn gebed dan een plaatsje vinden in ons hart …