Loading...
 

Christus Koning B - evangelie


...page... Wiki page pagination has not been enabled.

De andere koning - Johannes 18, 33b-37

De tekst

Praktische info

Bij het materiaal dat u op deze site vindt, hoort een map.
'Bijbel in 1000 seconden' bevat een verzameling van ongeveer 227 fiches die stilstaan bij lezingen in het kerkelijk jaar.

Die map is te verkrijgen via: info aan bijbelin1000seconden.be
of via: Uitgeverij Halewijn, Halewijnlaan 92, 2050 Antwerpen
Telefoon: 03/210 08 14; Mail: halewijn.uitgaven aan kerknet.be

De fiche die hoort bij Johannes 18, 33b-37, bevat:
. De Bijbeltekst, zoals die voorgelezen wordt tijdens de eucharistieviering
. Informatie bij die Bijbeltekst
. De Bijbeltekst die 'Dichter bij de tijd' herschreven werd
. Betekenis van de tekst
. Herinneringen aan het Nieuwe Testament




Bij de tekst

Dromen van een koning

De joden keken al een tijd uit naar de komst van de Messias, de koning der koningen. Hoe zijn koningschap er zou uitzien, was niet zo duidelijk zodat de verwachtingen niet eensluidend waren (religieus, politiek ...).

God zei tot de profeet Ezechiël:
Ik ben kwaad op de herders van Israël.
Ze zorgen niet voor hun schapen.
Ze kleden zich wel met de wol
en eten de schapen op als ze vet genoeg zijn,
maar intussen zorgen ze er niet voor.
Ze behandelen de schapen hard en ruw.
De zwakke en gewonde dieren laten ze aan hun lot over.
Zieke schapen verzorgen ze niet
en als er schapen verloren lopen,
dan zoeken ze ze niet op,
zodat de wilde dieren ze kunnen verscheuren en opeten.
Mijn schapen dolen rond over de bergen en over de heuvels
omdat niemand zich erom bekommert
en ze geen goede herders hebben.
Daarom zal ik zelf naar omzien naar mijn kudde:
als mijn schapen verloren gelopen zijn,
zal ik ze veilig terugbrengen naar de stal.
De gewonde schapen zal ik een verband aanleggen.
De zieke dieren zal ik extra verzorgen.
Ik zal ze een goede herder geven,
die voor mijn schapen zal zorgen zoals het moet.
Die ervoor zorgt dat mijn kudde in vrede kan leven
en dat alle wilde dieren uit het land verdreven worden.
Zo sprak God tot de profeet Ezechiël.


Na de aanklacht tegen de slechte herders die de koningen van Israël vaak waren, belooft God alle verstrooide schapen, maar vooral de meest verwaarloosden, weer bijeen te brengen. Daarvoor zal Hij voor een koning zorgen, die zijn kudde zal weiden op wegen van gerechtigheid en liefde, en die voor de zwakste schapen een bijzondere aandacht heeft. Deze nieuwe koning, deze goede herder, hebben christenen gezien in Jezus.
De manier waarop Jezus Messias was, was voor sommigen verrassend en voor anderen ontgoochelend. Hij kiest voor dienen en delen ipv macht en bezit. Hij gaat naar Jeruzalem niet als de koning die aan de politieke verwachtingen van de joden beantwoordt en de Romeinen verdrijft, maar als een ‘koning’ die trouw is aan God en het recht van de armen en verdrukten beschermt. Een koning die op een kruis sterft.





Bijbel en kunst

ARCABAS

Bespotting van Christus

Arcabas


Arcabas (Jean-Marie Pirot) schilderde dit doek dat zich nu bevindt in het museum van hedendaagse religieuse kunst Saint-Hugues-de- Chartreuse.
Het toont Jezus bekleed met een rode mantel. Op zijn hoofd een kroon van doornen, zijn handen gebonden.
Rechts van Christus: een gouden kruis. Beeld van wat de toekomst zal brengen.
Dit schilderij hoort bij Matteüs 27, 27-31:

Toen namen de soldaten van de gouverneur Jezus mee naar het pretorium
en haalden er heel de cohort bij.
Ze trokken Hem zijn kleren uit en hingen Hem een rode mantel om;
ze vlochten een krans van doorns, zetten die op zijn hoofd,
gaven Hem een rietstok in de rechterhand,
vielen voor Hem op de knieën en dreven de spot met Hem door te zeggen:
‘Gegroet, koning van de Joden!’
En ze spuwden Hem in het gezicht, pakten de rietstok en sloegen Hem op zijn hoofd.
Toen ze zo de spot met Hem gedreven hadden, namen ze Hem de mantel af
en deden Hem zijn eigen kleren weer aan. Ze leidden Hem weg om Hem te kruisigen.





Suggesties

Kleine kinderen

VERDIEPEN

Een koningskroon

Maak vooraf een mooie kroon.

Bespreek met de kinderen:
- Wat/Wie is een koning?
- Is Jezus een koning?

De kinderen tekenen of schrijven op de kroon de eigenschappen van een goede koning.

Daarna plaatsen ze deze kroon voor het altaar.





HANDEN UIT DE MOUWEN

Collage

Vooraf
Scheur uit een aantal tijdschriften de bladzijden met een overwegend rode kleur op.
Laat je bij het uitzoeken naar nog andere bladzijden leiden door het kunstwerk van Arcabas (Bespotting van Jezus).

De kinderen bekijken het kunstwerk van Arcabas.
Vertel er de tekst uit het evangelie bij.
Situeer wel eerst in het leven van Jezus.

De kinderen inspireren zich aan dit kunstwerk om zelf met knipsels een voorstelling te maken van Jezus als koning.





Grote kinderen

VERDIEPEN

Christus, een koning?

(Naar: Dit is mijn 40-dagenboekje 2009)

Jezus een koning?
Hij draagt toch geen prachtige gewaden?
Hij heeft zelfs geen gouden kroon op zijn hoofd.
En toch is Jezus een koning.
Wat voor soort koning?

Welke van de volgende dingen doet een gewone koning? Kleur het eerste rondje.
Welke van de volgende dingen doet Jezus? Kleur het tweede rondje.

O O Hij zwaait naar de mensen
O O Hij geeft de mensen een tweede kans
O O Hij vertelt verhalen aan de mensen
O O Hij bestuurt het land
O O Hij helpt mensen
O O Hij knipt lintjes door
O O Hij helpt om belangrijke dingen te doen voor het land



BEELDMEDITATIE

Bespotting van Christus - Arcabas

Bezorg de kinderen met twee of per groepje dit werkblad.
Hierop vinden ze een afbeelding van de bespotting van Jezus zoals Arcabas schilderde.

Ze beantwoorden eerst de vragen op dit werkblad:
- Wie herken je op het schilderij?
- Waaraan herken je Hem?
- Wat zie je op zijn hoofd?
- Waarom heeft men Hem die kroon opgezet?
- Waarom draagt Hij een rode mantel?
- Waar zie je die rode kleur nog?
- Waarom schilderde Arcabas die vlekken op het kruis?
- Waarom heeft hij op dit schilderij een kruis afgebeeld?
- Welke kleur heeft dit kruis?
- Waarom heeft dit kruis een gouden kleur?

Daarna worden de antwoorden in de grote groep overlopen.
Confronteer de kinderen met de titel van dit kunstwerk:
'Bespotting van Christus Koning'.

- Wat roept het woord 'koning' op?
- Wat herinnert op dit schilderij aan een koning?
- Op welke manier is Jezus nog een koning geweest?

Ga daarna in op de beleving van Jezus:
- Hoe voelt Jezus zich?
- Waaraan merk je dat?

Om te eindigen bij het eigen aanvoelen van de kinderen:
- Hoe voel je je bij het bekijken van dit schilderij?



Christus, een koning?

Bezorg de kinderen dit werkblad.
Laat ze heel nauwkeurig de drie afbeeldingen bekijken. Ze stellen alledrie Jezus voor als koning.
- Hoe doen ze dat?
- Naar welk kunstwerk gaat de voorkeur?
- Waarom?





Jongeren

VERDIEPEN

'Toch een koning?

Lees de tekst 'dichter bij de tijd' zoals je die kunt vinden in de map 'Bijbel in 1000 seconden'

Sta stil bij de zin:
'Ik ben een koning, maar niet van deze wereld.'

- Wat is een koning?
- Wie is koning?
- Wie is koning van deze wereld?
- Wat houdt dit nu in?
- Wat betekende dit vroeger?
- Op welke manier is Jezus een koning?





Overwegingen

Frans Mistiaen sj

Jezus, de koning van de bezieling van ons hart

Een machtig tafereel wordt opgevoerd:
Jezus staat tegenover Pilatus.
Aan de ene kant: de Romeinse bezetter,
de vertegenwoordiger van de Keizer, de heerser van de wereld,
omringd door soldaten met zwaarden en pieken,
uiterlijk machtig, maar innerlijk verveeld met de aanklacht
vanwege de hogepriesters en oudsten van het volk.
Duisternis heerst in het hart van Pilatus,
zoals er duisternis heerste in de Romeinse wereld van toen:
corrupt, immoreel en wreed.
Aan de andere kant: Jezus, de geboeide,
aangeklaagd door de Joodse religieuze leiders,
overgeleverd in de handen van beulen,
vernederd, uiterlijk machteloos,
maar innerlijk vrij, zichzelf-gevend, minzaam, eerlijk en moedig,
stralend van een goddelijke kracht.
Het is de confrontatie tussen twee figuren,
meer nog, tussen twee werelden:
de wereld van de duisternis en het kwaad
tegenover wereld van het goede en het licht.
 
En tussen beiden ontstaat nu een gesprek over het “koningschap”.
En het is iedereen duidelijk dat het woord "Koning"
anders wordt begrepen door Jezus dan door Pilatus.
"Koning zijn" in de wereld van het geweld,
van de corruptie en het kwaad betekent totaal iets anders
dan "Koning zijn" in het rijk van de liefde,
van de echtheid en de goedheid, in het Rijk van God.
Jezus is geen Koning met soldaten, geweld en overheersingen,
geen Koning met uiterlijke macht,
wel een Koning van de innerlijke bezieling,
van de uitnodiging tot liefde en van de overgave van het hart.
 
Het is een hele opdracht om onze God nooit voor te stellen
als een albeheerser, die ons met uiterlijk macht
tot onderdanigheid zou willen onderwerpen,
of als een almachtige rijke, die onze welstand
met spectaculaire geschenken zou kunnen verbeteren.
Het is een hele bekering
om onze God te leren ontdekken zoals Hij echt is,
dat is, zoals wij Hem in Jezus zien:
nl. als de Liefde die ons innerlijk uitnodigend beroert
en tot wederliefde bezielt.
Als Jezus Koning is, dan is het de Koning van de Liefde in ons hart,
dan is het een Koning die door ons uit vrije wil wordt aanvaard,
omdat wij vol dankbaarheid inzien en ervaren
dat Zijn Liefde ons echt leven schenkt.
Dat betekent dat Hij in ons hart wil wonen
en van ons wederliefde durft vragen
tegenover Hem en tegenover onze medemensen.
 
Een vreemd soort “Koning” dus,
die van ons meer vraagt dan Hij geeft,
zoals in het gekende verhaal.
Een oude bedelaar stond elke dag op de hoek van het marktplein
en stak zijn hand uit naar de voorbijgangers
die hem iets wilden geven.
Op een dag reed de koning van het land
met zijn gevolg voorbij en liet zijn koets stilhouden.
De ogen van de bedelaar begonnen te stralen als de zon,
want hij dacht dat zijn ellende nu onmiddellijk voorbij zou zijn.
Groot was echter zijn verbazing toen hij merkte
dat de koning zijn hand uitstak,
niet om iets te geven, maar om iets te ontvangen.
Toen begon de bedelaar verveeld te zoeken
wat hij aan de koning kon schenken.
Hij tastte al zijn zakken af om te zien
of hij toch nergens een geldstukje kon vinden. Tevergeefs.
Hij vond alleen op de bodem van zijn knapzak
een handvol graankorrels, die hij had gekregen.
En toen nam de bedelaar één korreltje graan
en legde dat in de witte hand van de koning.
De koning glimlachte dankbaar, schoof het gordijn toe
en gaf de koetsier teken om verder te rijden.
De bedelaar keek de koets verbaasd na...
En 's avonds  toen hij al zijn zakken omkeerde
om te zien wat hij die dag had verzameld,
vond hij tussen het hoopje graan op de bodem van zijn ransel
één gouden graankorreltje.
 
Onze God is geen Koning die ons overlaadt met uiterlijke geschenken,
maar eerder een Koning die Zijn hand uitsteekt
om iets van onze liefde te ontvangen.
En op de avond van ons leven,
- wanneer wíj onze voedselransel omdraaien -
dan zal alles wat wij “met liefde hebben gegeven”,
schitteren als het kostbaarste goud in de ogen van onze echte Koning.



Marc Gallant, monnik te Orval

Overweging 1

We vinden hier een evangelie in een heel andere stijl dan we van Jezus gewoon zijn. Sommige exegeten stellen dat Marcus hier een Joodse apokalyps zou gebruikt hebben, waar hij woorden van Jezus zou ingelast hebben. Voor de Joden zou het einde van de wereld samenvallen met de verwoesting van de Tempel. Het is in deze context dat dit evangelie zich situeert. Wanneer de leerlingen in bewondering staan voor het tempelgebouw, zegt Jezus hun dat er daarvan geen steen op de steen zal overblijven. De leerlingen vragen hem dan wanneer dit zou gebeuren (Marcus 13, 1-4).
De Tempel werd verwoest in het jaar 70. Bij dat gebeuren leeft de gemeenschap van Marcus dan ook in de psychose van het einde van de wereld. Maar Marcus roept zijn christenen tot de orde, met het woord van Jezus dat het evangelie vandaag afsluit : “Wanneer die dag of dat uur aanbreekt, weet niemand” (Mc 13, 32). Daarmee blokkeert hij alle speculaties over het einde van de wereld.
Op eerste zicht zijn Jezus’ woorden over zijn komst op het einde der tijden tot de moeilijkst verstaanbare van het Nieuwe Testament. Vooreerst omwille van hun apocalyptische stijl. We zijn een beetje in de war als we met onze Westerse sensibiliteit in de apocalyptische teksten lezen dat de zon ‘s nachts zal schijnen, dat de sterren uit hun hengsels in de zee zullen vallen, de bomen zullen bloeden en de rotsen wenen. De omwenteling van de natuur is de apocalyptische taal om Gods tussenkomst aan te kondigen, zijn overwinning op machten van het Kwaad (vgl. Jesaja 13, 10; 34, 4). Vergeten we niet dat de hemellichamen in de Oosterse Oudheid beschouwd werden als de goden die het heelal beheren. Zons- en maansverduistering, het vallen van de sterren
enz., betekenen dan zoveel de overwinning van de enige God op de heidense afgoderij. Het oude moet verdwijnen om plaats te maken voor een nieuwe wereld.
In feite wil dat niets anders zeggen dan dat onze aardse situatie ten einde loopt. Een nieuw tijdperk begint met de komst van de Mensenzoon. Concreet zal voor ieder van ons het einde van de wereld plaats vinden bij onze dood, wanneer we overgaan van deze aarde naar het eeuwige leven. Maar gezien er in de eeuwigheid geen tijd is, komen wij er allemaal ‘terzelfdertijd’ aan. In die zin kan men het beeld verstaan van de komst in heerlijkheid van Christus die plaats vindt voor heel de mensheid.
Het beeld van de komst van Christus in de glorie is ontleend aan het boek Daniël (Daniël 7, 13-14). De “Mensenzoon” doet er zijn intrede bij God. Gedragen op de wolken, is Hij er in de goddelijke sfeer. God geeft hem soevereine macht, die zijn overwinning op de machten van het Kwaad uitdrukt. In Jezus’ tijd was de “Mensenzoon”, zoveel als de Messias door God aangesteld over de wereld. In het Marcusevangelie benoemt Jezus zichzelf bij voorkeur met deze titel (Marcus 2, 10.28 ; 8, 31; 9, 31; 10, 33, 45). Hier kondigt hij zijn komst aan als Rechter en Redder op het einde der tijden. Het Heil is er voorgesteld als de verzameling van alle gelovigen rond hun glorievolle Messias (v. 27).
Hoe geducht ook de beproevingen en de ‘grote verschrikking’ mogen zijn die de gelovigen moeten doorstaan (v. 14-20), dan is er de beschrijving van geheel georiënteerd naar de gelukkige Komst van de glorierijke Christus als uiteindelijke bevrijder van de mensheid.

De kleine parabel van de vijgenboom is sprekend (v. 28). Als zijn bladeren zich ontvouwen is de zomer nabij. De betekenis ervan is duidelijk: het einde der tijden is bezig, nu. Nogmaals, de tekst sluit elke ‘catastrofische’ interpretatie uit, ten voordele van de Goede Boodschap dat de Mensenzoon op komst is, en dat zijn heil “nabij is, aan uw deur” (v. 29). Jezus verklaart het plechtig (v. 30). Hij preciseert deze nabijheid met de woorden dat die komst geschieden zal gedurende “deze generatie”. Marcus heeft niet geaarzeld dat woord van Jezus mee te geven aan zijn lezers, hoewel het klaar was dat “deze generatie” reeds voorbij was, en dat er niets gebeurd was. De generatie waaronder Christus komt duurt tot aan ons. Christus is bezig te komen, nu.

Daarom herhaalt Jezus als een refrein de oproep tot waakzaamheid (v. 33). Het achterblijven van zijn komst is geen reden tot onverschilligheid, integendeel, het moet de waakzaamheid aanscherpen. Dat hemel en aarde zullen vergaan is een gemeenplaats in de apokalypsen (cf. Apokalyps 21,1). Maar de hoop op een nieuwe wereld, van het Godsrijk, steunt op Jezus’ woord, zelfs al kent Hij er het juiste moment niet van (v. 32). Alleen Marcus heeft deze verontrustende zin bewaard, dat niemand het einde van de wereld kent. Zij onderlijnt met kracht Jezus’ menszijn. Voor Marcus is het een bijkomende reden om een einde te stellen aan alle ijdele gissingen en ongezonde nieuwsgierigheid over “die dag of dat uur” van het einde der wereld (v. 32).



Overweging 2 (Christus Koning 2015)

Het meest verkochte boek, momenteel in Vlaanderen, is “Bloedboek” van Dimitri Verhulst. Dat “Bloedboek” is de Bijbel. De God van de Bijbel, aldus Verhulst, is een “rancuneuze tiran” (sic), belust op bloed. De slachtpartijen onlangs te Parijs bewijzen het ook: de daders ervan waren zeker daarmee het hemelse paradijs te verdienen met de 72 maagden beloofd door de Koran.
Dimitri Verhulst vergeet echter de Bijbel te lezen in zijn geheel. Dan zou hij zien dat God begint met een woeste nomadenstam die denkt, zoals heel het Midden-Oosten dat deed 4000 jaar geleden. Men mocht geen varkensvlees of bloed eten omdat dit de spijs is van de goden, met als tegenprestatie dat de goden de stam dan helpen vijanden en ongelovigen uit te roeien. Vervolgens toont de Bijbel hoe God, geduldig, die mensen opvoedt tot ze in staat zijn om Jezus te aanvaarden als hij verklaart dat we alle voedsel mogen gebruiken, maar dat we onze vijanden moeten beminnen en wel doen aan wie ons haten. En zo kan God dan uiteindelijk zijn ware gelaat laten zien.
En juist vandaag vieren wij die Jezus als Koning van het heelal. Hoe wordt hij voorgesteld? Hij staat geboeid voor het tribunaal van Pilatus. Bij zijn intrede te Jeruzalem werd Jezus, vredig gezeten op een ezelsveulen, toegejuicht als ‘koning van Israël’ (Johannes 12, 13). Om zich van Hem te ontdoen, leveren de oversten van zijn volk Hem over aan Pilatus met de beschuldiging dat Hij koning wil worden. Pilatus ondervraagt dus Jezus over zijn vermeend koningschap. In de vier evangelies wordt zijn vraag gesteld in juist dezelfde bewoordingen: “Bent u de koning der Joden?” (Marcus 15, 2 vv // Johannes 18, 33). Alleen Johannes ontwikkelt Jezus’ antwoord in een dialoog met Pilatus. Jezus gaat in op de vraag van Pilatus en zijn antwoord weegt zwaar door. In deze verzen komen de woorden ‘koning’ en ‘koningschap’ zesmaal voor. De verschijning van Jezus voor Pilatus staat dus helemaal in het teken van zijn koningschap.
Pilatus provoceert Jezus om zich als koning te bekennen. Jezus houdt zich echter op afstand. Hij drukt zijn reserve uit voor alles wat met een aardse koningschap te maken heeft, zonder daarom afstand te doen van de titel zelf. De laatste koningen van Israël vòòr de Romeinse bezetting hadden de titel van “koning der Joden” gedragen. Jezus’ wantrouwen is te begrijpen ten overstaan van de politieke connotaties die er in de eerste eeuw aan die titel gehecht waren. Hij vraagt dan ook, niet zonder humor, aan Pilatus hoe die met die titel naar voren komt. Deze weert kortaf die vraag af: het is zijn eigen volk dat Jezus in beschuldiging stelt om het misbruik van die titel. Zo heeft Jezus geen andere uitweg dan duidelijk te stellen waarin zijn koningschap bestaat. Het is niet wat de Joden verwachten, noch wat Pilatus zich zou kunnen inbeelden. Moest zijn koninkrijk een wereldlijke macht zijn, dan zouden zijn dienaars ervoor gevochten hebben om Hem niet in de handen van de Joden te laten vallen. Maar in feite, Pilatus weet het wel: Jezus’ leerlingen hebben de vlucht genomen. Jezus laat over zijn koningschap geen enkele onduidelijkheid bestaan: het is niet van deze wereld. Het komt van elders. Van dat ‘elders’ waar Jezus “geboren is”, en vanwaar hij “in de wereld gekomen is” (v. 37).
Johannes verzendt ons hier naar de proloog van zijn evangelie die Jezus aankondigt als het Woord dat komt van bij God (Johannes 1, 1), “het ware licht dat in de wereld komt en elke mens verlicht” (Johannes 1, 9), “maar de zijnen hebben hem niet onthaald” (Johannes 1, 11), en Hem overgeleverd. Wat duidelijk bewijst dat zijn koningschap niet van deze wereld is. Dat gaat een beetje het begrip van Pilatus te boven, zodat hij opnieuw de vraag stelt: “U bent dus koning ?” (v. 37).
Na dit eerste misverstand uit de weg geruimd te hebben, identificeert Jezus zijn koningschap met de zending die Hij gekregen heeft. Hij zegt het in opmerkelijke woorden: “Met geen andere bestemming ben Ik geboren en in de wereld gekomen dan om te getuigen van de waarheid” (v. 37). Die woorden drukken eenzelfde idee uit: de oorsprong van Jezus is niet van deze aarde. Wij herkennen er het Woord-dat-er-was-in-het-begin, waar Johannes het over heeft in zijn Proloog, Woord dat in de wereld gekomen is om te getuigen van het licht (Johannes 1,8).
De synoptici kennen Jezus de koningstitel toe omdat ze in hem de Davidische Messias zien, of de Rechter van het einde der tijden. Johannes deelt dit perspectief niet, en hij stelt het gezagvolle getuigenis van het Woord dat van God komt in het centrum. In de dialoog met Nicodemus zegt Jezus: “Amen, amen, wij getuigen van wat wij hebben gezien” (Johannes 3, 11). En Johannes vat zijn theologie samen in de woorden die hij legt in de mond van Johannes de Doper: “Hij die komt van boven staat boven alles” - en in die zin is Hij koning - “… en hij getuigt van wat hij heeft gezien en gehoord…” (Johannes 3, 31-32).
Jezus’ koningschap, zoals wij het bij Johannes vinden, bestaat ook niet in zijn eschatologische heerschappij over de volkeren van deze wereld, zoals het Boek der Openbaring dat voorstelt (1, 5 ; 11, 15 ; 17, 14 ; 19, 16), maar in het feit dat de Zoon, door zijn woord en reeds door zijn aanwezigheid, de gemeenschap met God voorlegt. Deze is geen theorie, maar een oproep tot het diepste van de mens. Jezus had het reeds gezegd: “Als u vasthoudt aan mijn woord … dan zult u de waarheid leren kennen, en de waarheid zal u vrij maken” (Johannes 8, 31 -32). We moeten vrij zijn om het rijk van de Liefde binnen te gaan!
Zo zien we de rode draad doorheen het Johannesevangelie. God komt tot ons als Woord. Als wij vrijwillig dat Woord onthalen, geeft Hij ons het vermogen kinderen van God te worden (Johannes 1, 12). De liefde is Jezus’ koningschap. Wij komen zijn Rijk binnen door Hem vertrouwen te schenken, gelovig zijn woord te onthalen. Iemand beminnen is in Hem geloven, Hem ons vertrouwen geven. Het Rijk Gods binnengaan, kinderen te worden van God, is in volle vertrouwen Jezus’ woord onthalen dat ons zijn leven geeft.