Loading...
 

Palmzondag ABC

File00041242198


...page... Wiki page pagination has not been enabled.

'LANG EVANGELIE' 

Matteüs, 26, 14 - 27, 66; Marcus 14, 1 - 15, 47; Lucas 22, 14 - 23, 56

Heel oude tekst

De teksten over de laatste dagen van het leven van Jezus behoren tot de oudste teksten van het evangelie. Ze vertellen over zijn lijden en dood. Omdat de eerste christenen moeilijk konden verwerken dat Jezus aan een kruis is gestorven, zochten ze in de Bijbel naar teksten die dit lijden voorspelden en zo voor hen aanvaardbaar maakten. Daarom zijn er in deze teksten over de laatste dagen van Jezus heel veel teksten uit het Oude Testament verweven.
De andere teksten van het evangelie werden later geschreven.
De allerlaatste teksten die geschreven werden gingen over de geboorte en de kinderjaren van Jezus. Ze zijn alleen te vinden in de evangelies van Matteüs en van Lucas.



Merk op

Jezus werd volgens de evangelisten geboren in Betlehem, de stad waar David afkomstig van was.
Jezus sterft in Jeruzalem, de stad waar het graf van David ligt.



Suggestie

Wie dit lange evangelie aan kinderen wil voorlezen of vertellen, kan het als volgt inleiden:

Als iemand gestorven is, merk je dat mensen veel over de overledenen beginnen te praten. Dat doet goed. Op die manier voelen ze dat de overledenen nog dicht bij hen is. Soms wenen mensen erbij. Ook dat is goed. Als mensen verdriet hebben is het goed dat ze dat kunnen tonen, dan kunnen anderen hen troosten.
Toen Jezus – nu bijna 2000 jaar geleden stierf, hadden zijn moeder Maria en zijn vrienden heel veel verdriet. Ook zij vertelden aan elkaar wat er de laatste week van zijn leven allemaal was gebeurd. Op die manier voelden ze heel goed dat Hij erbij was.
Tot op vandaag vertellen christenen dit verhaal, vooral in de goede week, de week waarin ze de laatste dagen van het leven van Jezus in herinnering brengen.





HET VERRAAD VAN JUDAS (A-jaar & B-jaar)

Judas

Klik hier voor meer informatie over Judas.



Dichter bij de tijd

(C. LETERME in Bijbel in 1000 seconden)

Op een dag gaat Judas Iskariot, een van de twaalf apostelen, naar de hogepriester.
- Wat krijg ik van u als ik Jezus aan u uitlever? vraagt hij.
- Dertig zilverstukken, zegt de hogepriester.
Vanaf dat ogenblik zoekt Judas een geschikt moment om Jezus te laten arresteren.

’s Avonds op de eerste dag van het joodse paasfeest zit Jezus met zijn vrienden aan tafel.
- Een van jullie zal Mij verraden, zegt Jezus terwijl ze eten.
Als zijn vrienden dit horen, worden ze bedroefd.
- Ik ben het toch niet, Heer?
- Wie met Mij zijn hand in de schaal doopt, die zal Mij overleveren.
- Ik ben het toch niet, rabbi? vraagt ook Judas.
- Jij hebt het gezegd, zei Jezus.

Tijdens de maaltijd neemt Jezus een brood, en bidt.
- Neem en eet, dit is mijn lichaam, zegt Hij als hij de stukken brood aan zijn vrienden geeft.
Hij neemt ook een beker en bidt een dankgebed.
- Drink er allen van, want dit is mijn bloed van het verbond.
Als ze psalmen gezongen hebben, gaat Jezus met zijn vrienden naar Getsemane.
Daar komt Judas aan samen met een grote bende. Ze hebben zwaarden en knuppels in de hand.
Judas heeft met hen afgesproken: Jezus is degene die ik een kus zal geven.
- Dag rabbi! zegt Judas, en hij kust Jezus.
De bende komt dichterbij, grijpt Jezus, overmeestert Hem en brengt Hem naar de hogepriester.

‘s Morgens vroeg besluit het gerecht om Jezus te doden.
Ze boeien Hem en leveren Hem over aan Pilatus, de gouverneur.
Wanneer Judas ziet dat Jezus veroordeeld is, krijgt hij spijt.
Hij brengt de dertig zilverstukken terug naar de hogepriesters
- Ik heb mij vergist, zegt Judas. Jezus is onschuldig!
- Dat is onze zaak niet, zeggen de hogepriesters.
Judas gooit de zilverstukken in de tempel en hangt zich op.

De hogepriesters nemen de zilverstukken.
- We mogen dat geld niet bij de offers leggen, want dit is bloedgeld.
Ze besluiten om er het land van een pottenbakker mee te kopen. Daar kunnen dan vreemdelingen begraven worden. Daarom wordt dat land Bloedakker genoemd.





Bijbel en kunst

L. DA VINCI

Het laatste avondmaal
(C. LETERME, Echt tov 5, Rondom Pasen - Handleiding, uitgeverij Pelckmans 2013, p. 10; 19)

Leonardo da Vinci (1452 - 1519) was een veelzijdig kunstenaar. Tot vandaag bewonderen mensen zijn schilderijen. Tussen 1495 en 1498 maakte hij een schilderwerk in de refter van het klooster van de Dominicanen in Milaan. Het stelt het moment van het laatste avondmaal voor, waarbij Jezus zegt dat één van zijn leerlingen Hem zal verraden (Johannes 13, 21-26). Dit kunstwerk stelt de reactie voor van de verschillende apostelen, die in vier groepen van drie verdeeld verdeeld zijn rond Jezus.

Da Vinci

. Helemaal links: Bartolomeüs, Jacobus de mindere en Andreas.
Deze apostelen zijn vooral verrast om wat Jezus zegt.


. Aan de rechterhand van Jezus: Judas, Petrus en Johannes
Judas, de meest donker geschilderde figuur, van wie het gezicht bijna niet te zien is, houdt een zakje met muntstukken vast. Een gebruikelijke manier om hem af te beelden, want hij verzorgde de financies van de groep. Dit zakje kan ook verwijzen naar de zilverstukken die hij van de hogepriester kreeg om Jezus te verraden.

Petrus, een oudere man met witte haren en een witte baard, draagt een geel bovenkleed. Hij houdt een mes vast, een mogelijke verwijzing naar het zwaard waarmee hij een oor van Malchus af sloeg om Jezus te beschermen in de Olijfhof.

Johannes lijkt duidelijk de jongste van de apostelen. Hij wordt zonder baard afgebeeld. Hij zit naast Jezus, want hij was de leerling die Jezus het liefst had.


. Aan de linkerhand van Jezus: Tomas, Jacobus de meerdere en Filippus.
Tomas is vooral gekend als de 'ongelovige Tomas'. Toen de andere leerlingen vertelden dat Jezus verrezen was zei hij: ‘Ik wil zijn handen zien, met de gaten van de spijkers erin; ik wil ze met mijn vingers voelen. Anders geloof ik niet.’ Wellicht heeft Leonardo da Vinci daarom een vinger van hem heel opvallend geschilderd.

. Helemaal rechts: Matteüs, Judas Taddeüs en Simon
Matteüs die een tollenaar was, is het meest rijkelijk gekleed van de groep apostelen.


De techniek die Leonardo da Vinci gebruikte bij het schilderen van het laatste Avondmaal was erg experimenteel en deed het schilderij geen goed, want het raakte kort na de voltooiing al in verval.
Als heel vroeg werd van dit schilderij een goede kopie op linnen gemaakt die nu te bezichtigen is in de abdij van Tongerlo. Andrea di Bartoli Solario, een leerling van Da Vinci, schilderde het onder toezicht van zijn meester. Er wordt verteld dat Da Vinci zelf het hoofd van Jezus en van Johannes zou hebben geschilderd.




Suggesties
Uitbeelden van ‘het laatste avondmaal’
Dertien kinderen / jongeren beelden Jezus en zijn twaalf leerlingen uit en gaan zitten in dezelfde houding als de personen op het schilderij van Da Vinci.

Vooraf
Schuif enkele tafels bijeen om er een lange tafel van te maken.
Zorg voor enkele lappen stof zodat de kinderen hun personage beter kunnen uitbeelden.


Verloop
Lees eerst voor uit het evangelie.
Verdeel daarna de rollen.


TIPS
Indien er minder deelnemers zijn dan 13, beeld dan een deel van het schilderij uit.

Indien er meer deelnemers zijn ...
. Bespreek welke personen er eventueel op het schilderij ontbreken.
Bijvoorbeeld: de vrouw van Petrus, iemand die eten op tafel zet of afruimt ...
. Creëer functies als: regisseur, fotograaf, iemand die zorgt voor de attributen / de belichting
. Laat twee groepen op hetzelfde moment het schilderij uitbeelden
. Geef de andere kinderen / jongeren een opdracht, waarvan het resultaat een plaats krijgt in een viering.




Wie is wie? Herken enkele apostelen
Toen Jezus met zijn vrienden voor het laatst samen at, zei Hij dat iemand onder hen Hem zou verraden. Die verrader was Judas. Later die avond toonde Judas aan een bende gewapende mannen wie Jezus was. De volgende dag al werd Jezus veroordeeld en gedood op een kruis.
Da Vinci beeldt het moment uit waarop Jezus zegt dat Hij zal verraden worden. Je kunt goed zien dat elk van de twaalf vrienden verbaasd reageert.

Het is boeiend om met de deelnemers te zien of ze een aantal van die vrienden herkennen.

Matteüs
was een tollenaar, een man die rijk was. Hij is het meest luxueus gekleed van alle vrienden.

Johannes
Van hem wordt gezegd dat hij de jongste van de apostelen was. Daarom beelden veel kunstenaars hem af zonder baard. Hij zit meestal in de buurt van Jezus, omdat hij de apostel was die Jezus het liefst had.

Philippus
In het evangelie vernemen we dat hij Grieks kon spreken.
Daarom stellen kunstenaars hem voor met een Griekse haarsnit met veel krullen.

Petrus
Hij zal Jezus later opvolgen
Hij wordt meestal voorgesteld als een oudere man met witte haren en een witte baard.

Judas
Hij liet Jezus arresteren. Hij was het die zorgde voor de financiën van de groep. Daarom wordt hij meestal afgebeeld met een geldbeurs.

Tomas
Hij is vooral gekend als de 'ongelovige Tomas'. Leonardo da Vinci schilderde een vinger van hem heel opvallend. Toen de apostelen Tomas vertelden dat Jezus verrezen was, zei hij: ‘Ik wil zijn handen zien met de gaten van de spijkers erin en wil ze met mijn vingers voelen. Anders geloof ik niet.’



GIOTTO

De kus van Judas
Giotto

Giotto (rond 1267 – 1337) maakte in 1304-06 dit fresco (200 × 185 cm) voor de Cappella degli Scrovegni (Arenakapel) in Padua.

De centrale figuur op dit fresco is Judas, die Jezus (met aureool) omarmt en een kus geeft. Zo wisten de gewapende mannen wie Jezus precies was en liepen ze niet het risico om een verkeerde persoon te arresteren.
Petrus, helemaal links, heeft een mes in de hand om Jezus tegen de gewapende mannen te verdedigen. De fakkels op het fresco maken duidelijk dat deze gebeurtenis zich 's nachts afspeelde.




Suggestie
Zorg voor twee tekstballonnen en twee gedachtenballonnen.
De kinderen / jongeren plaatsen ze bij vier personen naar keuze. Ze schrijven erop wat die persoon denkt of zegt.





Suggesties

Grote kinderen

EVEN TESTEN

Zet in de juiste volgorde

‘s Morgens vroeg besluit het gerecht om Jezus te doden.
Ze boeien Hem en leveren Hem over aan Pilatus, de gouverneur.
Wanneer Judas ziet dat Jezus veroordeeld is, krijgt hij spijt.

Na zijn bezoek aan de hogepriester
zoekt Judas een geschikt moment
om Jezus te laten arresteren.

Judas heeft afgesproken: Jezus is degene die ik een kus zal geven.
- Dag rabbi! zegt Judas, en hij kust Jezus.
De bende grijpt Jezus en brengt Hem naar de hogepriester.

- Wie met Mij zijn hand in de schaal doopt, die zal Mij overleveren.
- Ik ben het toch niet, rabbi? vraagt ook Judas.
- Jij hebt het gezegd, zei Jezus.

Judas gaat naar de hogepriester.
- Wat krijg ik van u als ik Jezus aan u uitlever? vraagt hij.
- Dertig zilverstukken, zegt de hogepriester.

Als ze psalmen gezongen hebben,
gaat Jezus met zijn vrienden naar Getsemane.
Daar komt Judas aan samen met een grote bende.

- Een van jullie zal Mij verraden, zegt Jezus terwijl ze eten.
Als zijn vrienden dit horen, worden ze bedroefd.
- Ik ben het toch niet, Heer?

Hij brengt de dertig zilverstukken terug naar de hogepriesters
- Ik heb mij vergist, zegt Judas. Jezus is onschuldig!
Hij gooit de zilverstukken in de tempel en hangt zich op.



Correctiesleutel
Judas gaat naar de hogepriester.
- Wat krijg ik van u als ik Jezus aan u uitlever? vraagt hij.
- Dertig zilverstukken, zegt de hogepriester.

Na zijn bezoek aan de hogepriester
zoekt Judas een geschikt moment
om Jezus te laten arresteren.

- Een van jullie zal Mij verraden, zegt Jezus terwijl ze eten.
Als zijn vrienden dit horen, worden ze bedroefd.
- Ik ben het toch niet, Heer?

- Wie met Mij zijn hand in de schaal doopt, die zal Mij overleveren.
- Ik ben het toch niet, rabbi? vraagt ook Judas.
- Jij hebt het gezegd, zei Jezus.

Als ze psalmen gezongen hebben,
gaat Jezus met zijn vrienden naar Getsemane.
Daar komt Judas aan samen met een grote bende.

Judas heeft afgesproken: Jezus is degene die ik een kus zal geven.
- Dag rabbi! zegt Judas, en hij kust Jezus.
De bende grijpt Jezus en brengt Hem naar de hogepriester.

‘s Morgens vroeg besluit het gerecht om Jezus te doden.
Ze boeien Hem en leveren Hem over aan Pilatus, de gouverneur.
Wanneer Judas ziet dat Jezus veroordeeld is, krijgt hij spijt.

Hij brengt de dertig zilverstukken terug naar de hogepriesters
- Ik heb mij vergist, zegt Judas. Jezus is onschuldig!
Hij gooit de zilverstukken in de tempel en hangt zich op.


Wie zegt wat?

Judas, hogepriester, Jezus, leerlingen.

- Wat krijg ik van u als ik Jezus aan u uitlever?
- Dertig zilverstukken.
- Een van jullie zal Mij verraden.
- Ik ben het toch niet, Heer?
- Dag rabbi!
- Ik heb mij vergist!
- We mogen dat geld niet bij de offers leggen.


Correctiesleutel
- Wat krijg ik van u als ik Jezus aan u uitlever? - Judas
- Dertig zilverstukken. - hogepriester
- Een van jullie zal Mij verraden. - Jezus
- Ik ben het toch niet, Heer? - leerlingen
- Dag rabbi! - Judas
- Ik heb mij vergist! - Judas
- We mogen dat geld niet bij de offers leggen. - hogepriester



Waar of niet waar?

O Jezus was een vriend van Jezus.
O Judas verkocht Jezus voor tien zilverstukken.
O Na de maaltijd ging Jezus met zijn leerlingen wandelen rond het meer.
O Een groep gewapende mannen arresteerden Jezus.
O Judas was heel blij dat Jezus gearresteerd werd.
O Judas gaf het geld terug aan de hogepriesters.
O De hogepriesters kochten met het geld van Judas een huis in Betlehem.


Correctiesleutel
WAAR:
Jezus was een vriend van Jezus.
Een groep gewapende mannen arresteerden Jezus.
Judas gaf het geld terug aan de hogepriesters.





INLEVEN

Gesprek: Spijt hebben

Judas kreeg spijt van wat hij gedaan had.
- Heb jij al eens spijt gehad van iets wat je deed?
- Hoe kwam dat?
- Wat deed je toen?





HET LAATSTE AVONDMAAL

Suggesties

Klik hier voor suggesties bij het laatste avondmaal.





JEZUS IN GETSEMANI

ZINGEN / BELUISTEREN

Bleibet hier

(muziek: J. Berthier - Taizé)

'Bleibet hier und wachet mit mir.
Wachet und betet,
wachet und betet.'

'Blijf nu hier en waak bij Mij.
Waakt en bidt,
waakt en bidt.'


Klik hier om dit lied te beluisteren.



VERHOOR DOOR DE HOGEPRIESTER

BELEVEN

Crisisberaad

Met jullie groep houden jullie crisisberaad in het Sanhedrin.
Een aantal van jullie was toeschouwer bij de intocht van Jezus in Jeruzalem.
Jullie moeten nu de hogepriesters adviseren wat ze Jezus met Jezus verder moeten doen.
De mensen aanzien Jezus als een soort held, maar daar zijn toch wel wat bedenkingen bij te formuleren:
. Hij heeft mensen zonden vergeven, terwijl dat iets is wat alleen God kan doen.
. Hij noemt God zoals kleine kinderen hun vader noemen: Hij zegt Abba (= papa) tegen God.





LIJDEN EN DOOD VAN JEZUS

Bijbel en kunst

M. CIRY

De slaap van de apostelen
De Slaap Van De Apostelen


Michel Ciry, (La Baule 31 augustus 1919) is een Frans kunstenaar op velerlei terreinen: schilder, aquarellist, etser, tekenaar, schrijver. Religieuze onderwerpen vormen een belangrijk deel van zijn werk.
Sinds 1960 woont en werkt hij in Normanië (Varengeville-sur-mer).



P. DELLA FRANCESCA

Kruisiging
(C. LETERME, Echt tov 5, Rondom Pasen, uitgeverij Pelckmans, 2013)

Piero Della Francesca (1420-1492) was een Italiaans kunstenaar uit de vroege Renaissance. Typisch voor zijn werk is zijn aandacht voor perspectief.

Francesca

Men vermoedt dat het schilderij 'De kruisiging' deel uitmaakte van een groot altaarstuk, maar zeker is dat niet. Het zou geschilderd zijn tussen 1454 en 1469 en wordt nu bewaard in New York (Frick Collection)



Het bovenste deel van het schilderij heeft een gouden achtergrond die het goddelijke weergeeft. Daarin is ook Jezus te zien.

In het onderste deel, die de wereld van de mensen weergeeft, zijn er vier groepen mensen:
. Aan de voet van het kruis: de soldaten die dobbelen om de kleren van Jezus.

Toen de soldaten Jezus hadden gekruisigd, verdeelden ze zijn kleren in vieren, voor iedere soldaat een deel. Maar er was ook nog de lijfrok: die was naadloos, van bovenaf uit één stuk geweven. Daarom zeiden ze tegen elkaar: ‘Die mogen we niet stukscheuren; laten we hem liever onder elkaar verloten.’ Zo moest het Schriftwoord in vervulling gaan dat zegt: Ze hebben mijn kleren onder elkaar verdeeld, en om mijn kleding hebben ze gedobbeld. Dit hebben de soldaten inderdaad gedaan.
Johannes 19, 23-24 / Schriftwoord: psalm 22


. Links van het kruis op het schilderij, een groep wenende vrouwen die Maria ondersteunen, met aan de andere kant van het kruis de apostel Johannes als tegenhanger van deze groep.

''Intussen stonden bij het kruis van Jezus zijn moeder, de zuster van zijn moeder, Maria de vrouw van Klopas, en Maria van Magdala. Jezus zag zijn moeder, en bij haar de leerling van wie Hij hield. Toen zei Hij tegen zijn moeder: ‘Vrouw, daar is nu je zoon.’ Vervolgens zei Hij tegen de leerling: ‘Daar is je moeder.’
Johannes 19, 25-26


. Links en rechts: twee groepen Romeinse soldaten te paard. Bij de rechtse groep wijst een Romeins soldaat naar het kruis.

Toen de honderdman die tegenover Hem stond, zag dat Hij op deze manier de geest gaf, zei hij: ‘Inderdaad, die man was de Zoon van God.
Marcus 15, 39



Verschillende figuren op het schilderij hebben een aureool op hun hoofd. Dat ziet er op dit schilderij uit als een gele schijf. De personen met zo'n aureool worden gezien als heiligen, mensen met een bijzondere uitstraling in hun leven.

De man met de rode helm die naar Jezus wijst is een honderdman. Dat was een Romeinse legeraanvoerder die aan het hoofd stond van honderd soldaten.

Een kruis is eigenlijk een marteltuig. De Romeinen lieten vooral slaven en niet-burgers op een kruis sterven als ze veroordeeld werden voor moord, roof en verraad. Heel vaak geselde men eerst de veroordeelde. Daarna werd die gedwongen om de dwarsbalk naar de strafplaats te dragen. Daar werd hij aan de dwarsbalk gebonden of genageld en opgehesen aan een paal. Wie gekruisigd werd, stierf een erg pijnlijke dood. Keizer Constantijn schafte de kruisdood af in 313 na Christus.

Op de achtergrond van dit schilderij zie je heuvels. Ze stellen het landschap voor buiten Jeruzalem: heuvels die schaars begroeid zijn.




Beeldmeditatie
- Wat zie je op dit schilderij?

- Wie is die vrouw (wijzen naar Maria)
- Waarom valt ze bewusteloos?

De man met de rode mantel is de apostel Johannes.
Hij staat er alleen.
- Waarom zouden de andere apostelen er niet bij zijn?
 
- Wie is die man met de rode helm op een paard?
- Waarom wijst hij naar de man op het kruis?
- Wat zou hij willen zeggen?
 
Boven het hoofd van sommige mensen zie je een goudgele schijf.
- Wat zou de kunstenaar daarmee willen zeggen?
 
- Waarom hebben die bomen geen bladeren?
Wel vreemd als je weet dat de man op het kruis in de lente gestorven is.
 
- Wat doen die soldaten aan de voet van dat kruis?
- Wat vind je daarvan?



MICHELANGELO

Piëta

Michelangelo

Rome, Sint-Pietersbasiliek


Michelangelo Buonarroti (6 maart 1475 – 18 februari 1564)
De kunstenaar maakte de piëta toen hij 24 jaar oud was.




Suggesties

Kleine kinderen

KENNISMAKEN MET DE BIJBELTEKST

Het lang evangelie

Wie dit lang evangelie wil vertellen aan de kleinste kinderen doet er goed aan de volgende zinnen te vermijden:

. 'De Vader wilde dat Jezus stierf aan het kruis'
De Vader wil deze dood niet. Als de Vader iets wil, dan is het dat mensen luisteren en handelen naar het woord van Jezus.

''. 'Jezus is gestorven om ons te verlossen van onze zonde'
Kleine kinderen kennen het woord 'zonde' nog niet. En ook het woord 'verlossen' heeft voor hen in deze context nog geen betekenis.





DOEN

Kijkdozen

(Naar: TOV 2, handleiding p. 551-552)


Materiaal
Klei, vijf schoenendozen, drie kruisjes (stokjes die aan elkaar gesjord werden), voor de onderdelen 2,3,4.


Verloop
Vertel eerst over het lijden en dood van Jezus. Spreek met de kinderen af om die laatste momenten met klei uit te beelden. De figuren die zo gemaakt worden, worden nadien geschikt in een kijkdoos.
Verdeel de groep kinderen in vijf groepjes, die één van de volgende onderdelen zullen uitbeelden:
1. Jezus wordt veroordeeld
2. Jezus draagt zijn kruis
3. Jezus wordt aan het kruis genageld
4. Jezus sterft
5. Jezus wordt in een graf gelegd

Spreek vooraf af wie de Jezus-figuur zal boetseren in de groep. De anderen in de groep kunnen een figuur naar keuze (eventueel ook zichzelf) boetseren.
Daarna worden de beeldjes per tafereel in een kijkdoos (open schoenendoos) geschikt.
Telkens een kind een beeldje in een kijkdoos plaatst, krijgt het de kans om te verwoorden waarom het beeldje zo werd gemaakt.


TIPS
. De onderdelen 2 en 3 kunnen weggelaten worden als de groep kinderen te klein is.

. Wie over veel tijd beschikt kan overwegen om ook de binnenkant van de dozen te laten beschilderen.






Grote kinderen

ONDERZOEKEN

Over Jezus

(C.LETERME, Echt tov 5, Rondom Pasen, uitgeverij Pelckmans, 2013)

Klik hier voor het werkblad bij deze activiteit.

De kinderen lezen per twee de verschillende stukjes tekst in 'Het belang van Jeruzalem'.
Ze markeren de tekst die hen het meest treft en spreken hierover met hun partner.
Ze onderlijnen met blauw wat men vindt over Jezus.
Dan zoeken ze naar de motieven die Judas, Pilatus en de hogepriester konden hebben om Jezus te doden. Die onderlijnen ze met rood
. Judas was ontgoocheld in Jezus.
Hij dacht dat Jezus een koning zou worden en de Romeinen zou verjagen.
. Pilatus had schrik van Jezus.
Hij dacht dat Jezus het volk in opstand zou brengen, zodat de Romeinen veel problemen zouden krijgen bij de bezetting van het land.
. De hogepriester was kwaad op Jezus.
Jezus spreekt over God als zijn Papa. Dat kon niet, vond hij, want zo schiet Jezus tekort in het respect dat Hij voor God moet hebben.
Daarna noteren de kinderen op een blaadje wat zij zich van Jezus willen blijven herinneren.
Ze plooien dit blaadje en kleuren één van de zijden met een kleur die volgens hen het best past bij wat ze op het blaadje neerschreven.
Daarna komen de kinderen bijeen in een kring. Eén voor één lezen ze hun tekst voor.





KENNISMAKEN MET DE BIJBELTEKST

De laatste dagen van Jezus

Jezus eet voor het laatst met zijn vrienden (naar Matteüs 26,20-30)
's Avonds gaat Jezus met zijn twaalf vrienden aan tafel. Tijdens de maaltijd neemt Hij brood, dankt God en breekt het. Als Hij de stukken geeft aan zijn vrienden zegt Hij: ‘Neem en eet, dit is mijn lichaam.’ Hij neemt ook een beker, dankt God en geeft die beker door met de woorden: ‘Drink er allen uit, want dit is mijn bloed van het verbond, dat voor velen wordt vergoten tot vergeving van zonden.' Na het zingen van de psalmen gaan ze naar de Olijfberg.




Jezus heeft heel veel angst (naar Matteüs 26, 36-43)
Op de Olijfberg is Jezus bedrukt en onrustig. Hij gaat wat verder, werpt zich voorover op de grond en bidt: 'Vader, als het mogelijk is, laat deze beker aan Mij voorbijgaan. Maar laat gebeuren wat U wilt.’ Hij gaat terug naar de leerlingen en vindt hen in slaap. Hij zegt tegen Petrus: ‘Konden jullie dan niet één uur wakker blijven?’ Jezus gaat terug en bidt: ‘Vader, als ik deze beker moet drinken, laat uw wil dan geschieden.’




Judas geeft Jezus een kus (naar Matteüs 26, 44-56)
Als Jezus terugkomt, vindt Hij zijn vrienden weer in slaap. Hij laat hen gerust en gaat opnieuw bidden. Dan komt Hij weer terug en zegt: ‘Slaap nu maar rustig verder. Het uur is daar dat Ik wordt overgeleverd in de handen van zondaars.’ Hij is nog niet uitgesproken of Judas, een van de twaalf vrienden, is daar, samen met mannen met zwaarden en knuppels. Ze zijn gestuurd door de hogepriesters en de belangrijkste mensen van het volk. Judas gaat recht naar Jezus. ‘Dag rabbi!’ zegt hij en hij geeft Jezus een kus. Zo weten de mannen wie Jezus precies is. Dan overmeesteren ze Jezus. Intussen vluchten alle vrienden van Jezus weg.




Petrus kent Jezus niet (Matteüs 26, 47-57)
De mannen brengen Jezus naar Kajafas, de hogepriester. Petrus volgt op een afstand. Als hij in de binnenplaats van het paleis van de hogepriester is, komt er een slavin naar hem toe. Ze zegt: ‘Jij was ook bij die Jezus van Galilea.’ Petrus zegt: ‘Ik weet niet waar je het over hebt.’ Als hij naar het portaal gaat, ziet een ander meisje hem. Ze zegt tegen de anderen: ‘Die man daar was bij Jezus.’ Opnieuw zegt Petrus: ‘Ik ken die man niet.’ Maar de omstanders komen dichterbij en zeggen: ‘Inderdaad, jij hoort ook bij Hem. Je kunt het horen aan jouw accent.’ Petrus begint te vloeken: ‘Ik ken die man niet.’ Dan kraait er een haan. Petrus herinnert zich wat Jezus gezegd heeft: ‘Vooraleer de haan kraait, zul je drie keer zeggen dat je Me niet kent.’ Petrus weent bitter.




Pilatus veroordeelt Jezus (Matteüs 27, 11-26)
Men brengt Jezus bij Pilatus. ‘Bent U de koning van de Joden?’ vraagt Pilatus. Jezus zegt: ‘Dat zegt u.’ Maar op de beschuldigingen tegen Hem, zegt Hij niets. ‘Hoort U die beschuldigingen dan niet?’ vraagt Pilatus. Maar Jezus zegt niets. Nu is het de gewoonte dat Pilatus bij een feest een gevangene vrij laat. Pilatus vraagt aan de mensen: ‘Wie wilt u dat ik vrijlaat, Jezus Barabbas of Jezus die Messias genoemd wordt?’ De hogepriesters en de belangrijkste mensen van het volk fluisteren in het oor van de mensen: 'Vraag om Barabbas vrij te laten en Jezus te doden'. Pilatus vraagt: ‘Wie van de twee moet ik nu vrijlaten?’ ‘Barabbas’, roepen ze. ‘En wat moet ik met Jezus doen?’ vraagt Pilatus. Ze roepen: ‘Kruisig Hem.’ Pilatus vraagt: ‘Wat voor kwaad heeft Hij eigenlijk gedaan?’ Maar de mensen schreeuwen nog harder: ‘Kruisig Hem.’ Pilatus neemt water, wast zijn handen voor de ogen van het volk en zegt: ‘Ik ben onschuldig aan zijn bloed.'




Jezus wordt gegeseld (Naar Matteüs 27, 26-31)
Pilatus laat Barabbas vrij en Jezus laat hij geselen om daarna te kruisigen. Zijn soldaten nemen Jezus mee. Ze trekken zijn kleren uit en hangen een rode mantel om zijn schouders. Op zijn hoofd zetten ze een krans van doornen en in zijn rechterhand geven ze een rietstok. Dan knielen voor Hem. ‘Gegroet, koning van de Joden!’spotten ze. Ze spuwen Hem in het gezicht en slaan op zijn hoofd. Dan nemen ze de mantel af en doen Hem weer zijn leren aan.




Simon van Cyrene draagt het kruis van Jezus (Naar Matteüs 27, 32)
Dan laten ze Hem met zijn kruis gaan naar Golgota, een heuvel buiten Jeruzalem. Onderweg komen ze Simon van Cyrene tegen, die van zijn akker komt. 'Draag zijn kruis!' bevelen ze.




Jezus sterft op een kruis (naar Matteüs 27,45-54
Als ze op Golgota zijn, laten ze Jezus een mengsel drinken van wijn en gal. Jezus proeft er wat van, maar wil het niet drinken. Dan kruisigen ze Hem en dobbelen om zijn kleren. Voorbijgangers spotten met Hem. Rond drie uur na de middag roept Jezus luid: ‘Eli, Eli, lema sabachtani?’ In het Nederlands is dat: Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij in de steek gelaten? Wat later schreeuwt Jezus opnieuw luid en geeft de geest. Op dat ogenblik scheurt het voorhangsel in de tempel van boven tot beneden in twee. De aarde beeft, de rotsen splijten uit elkaar. Wanneer de honderdman en zijn mannen de aardbeving zien en wat er allemaal gebeurt, worden ze vreselijk bang. Ze zeggen: ‘Werkelijk, Hij was de Zoon van God.’




Jezus verschijnt aan Maria uit Magdala (Johannes 20, 1-18)
Het is nog donker wanneer Maria uit Magdala bij het graf van Jezus komt. Als ze ziet dat de steen voor het graf weg is, loopt ze naar Petrus en Johannes. ‘Ze hebben Jezus uit het graf weggehaald!’ zegt ze. De twee leerlingen snellen naar het graf en zien de linnen doeken en de doek die het gezicht van Jezus bedekte. Dan gaan ze terug naar het huis waar de vrienden van Jezus zijn.
Maria staat nog bij het graf. Ze huilt. Twee mannen in witte kleren vragen: ‘Waarom huil je?’ ‘Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze Hem gebracht hebben.’ Als ze omkijkt ziet ze een man staan. Het is Jezus, maar dat ziet ze niet. ‘Waarom huil je?’ vraagt Hij, ‘Wie zoek je?’ Maria die denkt dat het de tuinman is, zegt: ‘Als u Hem hebt weggehaald, zeg me dan waar u Hem hebt neergelegd, dan kan ik Hem meenemen.’ ‘Maria!’ zegt Jezus. Ze draait zich om en zegt: ‘Rabboeni!’ 'Ga naar mijn broeders en zusters, zegt Jezus, en zeg dat Ik ga naar mijn Vader, die ook jullie Vader is.’ Maria gaat naar de leerlingen. ‘Ik heb Jezus gezien!’ zegt ze en ze vertelt alles wat Hij tegen haar gezegd heeft.





EVEN TESTEN

Vul in

Vul de tekst in met de volgende woorden:
hoofd, moeder, kruis, leerling.


Maria en Johannes staan bij het ..............
Maria is de .............. van Jezus.
Johannes is een ................. van Jezus.
Jezus ziet Maria.
Hij zegt: 'Vrouw, zorg voor Johannes.'
Dan zeg hij tegen Johannes:
'Zorg voor Maria
als voor je eigen moeder.'
Jezus buigt het ............ en sterft.




Zet in de juiste volgorde

1. Jezus wordt in het graf gelegd
2. Jezus gaat Jeruzalem binnen
3. De vrouwen vinden het lege graf
4. Jezus wast de voeten van zijn leerlingen
5. Jezus sterft aan het kruis
6. Jezus eet voor het laatst met zijn vrienden
7. Simon van Cyrene helpt Jezus met het dragen van zijn kruis
8. Jezus bidt op de Olijfberg
9. Jezus wordt bij Pilatus gebracht.
10. Petrus zegt dat hij Jezus niet kent.

Correctiesleutel
(2; 4; 6; 8; 10; 9; 7; 5; 1; 3)





INLEVEN

Kruisweg

Bezoek met de kinderen de kerk.
Sta stil bij alle afbeeldingen en voorwerpen die te maken hebben met de laatste dagen van Jezus:
Altaar (tafel van het laatste avondmaal), kruisbeeld, kruisweg.
Eventueel ook: schilderijen of beeldhouwwerken die eigen zijn aan de parochie.

Sta daarna met de kinderen stil bij de kruisweg:
1. Jezus wordt ter dood veroordeeld
2. Jezus neemt het kruis op zijn schouders
3. Eerste val van Jezus onder het kruis
4. Jezus ontmoet zijn moeder
5. Simon van Cyrene helpt Jezus het kruis dragen
6. Veronica droogt het gezicht van Jezus
7. Jezus valt voor de tweede maal onder het kruis
8. Jezus ontmoet wenende vrouwen
9. Jezus valt voor de derde maal onder het kruis
10 Jezus wordt van zijn klederen beroofd
11. Jezus wordt aan het kruis genageld
12. Jezus sterft op het kruis
13. Jezus wordt van het kruis afgenomen
14. Jezus wordt in het graf gelegd
15. Jezus verrijst

Zoek met de kinderen zes staties (aanpassen aan de haalbaarheid in de groep) uit die ze zullen uitbeelden.
Ook de manier van uitbeelden kan besproken worden: collage, tekening, een 'foto' (bibliodrama).
Voor meer info: 'foto', collage





ACTEREN

Toneel (Op basis van het evangelie volgens Lucas - C-jaar)

Materiaal
Tafel, stoelen, beker of wijnglas, brood, vuurkorf met houtblokken in - of alleen houtblokken, spons op een stok.


Personen
Verteller, Jezus, apostelen (9 personen + Apostel 1, apostel 2 en Petrus), Petrus, slavin, dienaar 1, dienaar 2,
Hogepriester, 2 tempelwachters, 2 oudsten, Gerechtshof (3 personen), Pilatus, 3 mensen, misdadiger 1, misdadiger 2.


De leerlingen zijn herkenbaar aan een witte sjaal (strook oud bedlaken)
Zo kunnen een aantal kinderen nog een tweede rol spelen.


Verteller
Die avond gaat Jezus met de apostelen aan tafel.
(Jezus gaat samen met de twaalf apostelen aan tafel)

Jezus
Ik keek er erg naar uit om dit paasmaal met jullie te vieren vooraleer ik zal lijden.
(Hij neemt een beker)
Dank U God, voor de vruchten van de wijngaard.
(Tot zijn leerlingen)
Neem deze beker en geef hem aan elkaar door.
Ik zeg jullie: ik zal geen wijn meer drinken
tot het rijk van God gekomen is.
(Hij neemt een brood)
Dank u God, voor de vruchten van de aarde.
(Hij breekt het brood in stukken en geeft het hun)
Dit is mijn lichaam; het wordt voor jullie gegeven.
Blijf dit doen om Mij te gedenken.
(Hij neemt de beker)
Deze beker is het nieuwe verbond door mijn bloed.
Hij wordt voor jullie leeggegoten.
De man die Mij zal verraden, ligt hier met Mij aan tafel.

Apostel 1
Wie zou dat kunnen zijn?

Apostel 2
Wat is die van plan?

Jezus
Simon, Simon, Ik bid dat jij jouw geloof niet verliest.

Petrus
Heer, ik ben zelfs bereid om samen met U
de gevangenis in te gaan en te sterven.

Jezus
Petrus, Ik zeg je, voordat vandaag de haan kraait,
zul je drie keer zeggen dat je Me niet kent.

Verteller
Jezus gaat naar buiten naar de Olijfberg.
Zijn leerlingen gaan met Hem mee.

Jezus
Bid dat jullie niet bekoord worden.
(Jezus gaat wat verder. Daar valt Hij op zijn knieën)
Vader, neem alstublieft deze beker van Mij weg.
Maar laat niet mijn wil gebeuren, maar die van U.
(Jezus staat op en gaat naar zijn leerlingen die slapen)

Jezus
Hoe kunnen jullie nu slapen?
Sta op en bid dat jullie niet bekoord worden.

Verteller
Jezus is nog niet uitgesproken of er komen heel wat mensen aan.
Judas, een van de twaalf, loopt voorop.
Hij gaat naar Jezus en geeft Hem een kus.

Jezus
Judas, verraad je de Mensenzoon met een kus?

Verteller
De hogepriesters, de tempelwacht en de oudsten komen op Hem af.

Jezus
Jullie komen met zwaarden en stokken op me af, alsof Ik een bandiet ben.
Maar Ik was dag in dag uit in de tempel.
Waarom hebben jullie Me daar niet aangehouden?
De duisternis is duidelijk jullie beste tijd.

Verteller
Zij arresteren Hem en brengen Hem naar het huis van de hogepriester.
Petrus volgt op een afstand. Midden op de binnenplaats wordt een vuur gemaakt.
Petrus gaat erbij zitten. In het schijnsel van het vuur ziet een slavin hem zitten.
Ze kijkt hem nauwlettend toe.

Slavin
Jij hoort ook bij Hem!

Petrus
Mens, ik ken Hem niet eens.

Dienaar 1
Jij bent ook een van hen.

Petrus
Welnee man.

Dienaar 2
Heel zeker, jij hoort ook bij Hem, je bent toch ook van Galilea.

Petrus
Man, ik weet niet waar je het over hebt!

Verteller
Zijn woorden zijn nog niet koud, of er kraait een haan.
Jezus keert zich om en kijkt Petrus aan.
Dan herinnert Petrus zich dat Jezus tegen hem heeft gezegd:
'Voor de haan vandaag kraait, zul je driemaal zeggen dat je Mij niet kent.'™
Petrus loopt naar buiten en weent bittere tranen.
De mannen die Jezus bewaken, spotten met Hem en slaan Hem.
Ze roepen allerlei grofheden tegen Hem.
Als het dag is, brengt men Jezus voor het gerechtshof.

Hogepriester
Als U de Messias bent, zeg dat dan.

Jezus
Als Ik het zeg, zult u Me niet geloven.
Als Ik u wat vraag, zult u Me geen antwoord geven.
Van nu af aan zal de Mensenzoon zitten aan de rechterhand van God.

Iedereen
U bent dus de Zoon van God?

Jezus
U zegt zelf dat Ik het ben.

Gerechtshof
Waarvoor hebben wij nog meer getuigenissen nodig?
Wij hebben het zelf uit zijn mond gehoord.

Verteller
De hele vergadering staat op. Men leidt Jezus naar Pilatus.
Daar zeggen ze waar ze Jezus van beschuldigen:

Gerechtshof
Wij hebben vastgesteld dat deze man ons volk ophitst.
Hij zegt ook dat men geen belasting moet betalen aan de keizer.
En Hij geeft zichzelf uit voor de Messias, de koning.

Pilatus
Bent u de koning van de Joden?

Jezus
Dat zegt u.

Pilatus
Ik vind geen schuld in deze man.

Gerechtshof
Hij brengt het volk in opstand met wat Hij zegt.
Eerst in Galilea, en nu ook hier.

Pilatus
Komt die man uit Galilea?

Verteller
Wanneer Pilatus hoort dat Jezus uit het gebied van Herodes komt,
stuurt hij Hem door naar Herodes, die op dat moment in Jeruzalem is.
Herodes is erg blij dat hij Jezus te zien krijgt, want hij wilde Hem allang ontmoeten,
na wat hij over Hem gehoord heeft.
Hij hoopt dat Jezus voor hem een wonder zal doen.
Hij ondervraagt Hem uitvoerig, maar Jezus beantwoordt geen enkel van zijn vragen.
De hogepriesters en de schriftgeleerden blijven Jezus beschuldigen.
Ook Herodes en zijn manschappen beledigen Hem.
Ze maken Hem belachelijk door Hem een schitterend gewaad aan te doen.
Daarna stuurt Herodes Hem terug naar Pilatus. Dan roept Pilatus de leiders en het volk bijeen.

Pilatus
Deze man zou het volk ophitsen. Wel, ik heb Hem verhoord terwijl u erbij was.
Ik heb geen enkele grond voor uw beschuldigingen gevonden.
En Herodes ook niet, want hij heeft Hem naar ons teruggestuurd.
Ik heb besloten om Hem te laten geselen en dan vrij te laten.

Mensen
Weg met Hem! Barabbas vrij!

Verteller
Barabbas zit in de gevangenis wegens rellen in de stad en een moord.
Omdat Pilatus Jezus wil vrijlaten, spreekt hij de mensen opnieuw toe.

Mensen
Aan het kruis met Hem! Aan het kruis!

Pilatus
Maar wat voor kwaad heeft die man dan gedaan?
Ik vind niets waarop de doodstraf staat.
Ik zal Hem laten geselen en daarna vrijlaten.

Mensen
Kruisig Hem!

Verteller
Dat geschreeuw geeft de doorslag: Pilatus besluit te doen wat ze vragen.
Hij laat Barabbas vrij en met Jezus mogen ze doen wat ze willen.
Ze voeren Hem weg om Hem te kruisigen.
Onderweg houden ze Simon uit Cyrene tegen, die van zijn akker komt.
Hij moet het kruis van Jezus dragen. Een grote massa mensen volgt Hem.
Er zijn vrouwen bij. Ze rouwen en treuren om Jezus.
Er worden ook nog twee misdadigers weggevoerd
om samen met Hem terecht gesteld te worden.
Wanneer ze op de Calvarieberg komen, slaan ze Hem aan het kruis.
En ook de twee misdadigers, de een rechts en de ander links van Hem.

Jezus
Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen.

Leiders
Hij heeft anderen gered.
Als Hij de Messias van God is, dan moet Hij zichzelf nu maar redden!

Soldaten
(brengen Hem wijn op een spons)
Ben jij de koning van de Joden? Red dan jezelf!

Verteller
Boven zijn hoofd hangt het opschrift: 'Dit is de koning van de Joden.'

Misdadiger 1
Ben jij de Messias? Red dan jezelf en ook ons!

Misdadiger2
Heb jij dan geen ontzag voor God? Jij ondergaat dezelfde straf als Hij.
In ons geval is dat terecht, want wij krijgen ons verdiende loon.
Maar die man heeft niets verkeerds gedaan.
Jezus, vergeet mij niet wanneer U in uw koninkrijk komt.

Jezus
Ik beloof je, vandaag nog zul je bij Mij zijn in het paradijs.

Verteller
Rond de middag wordt het donker in heel het land, tot drie uur.
Er is een zonsverduistering.
Het voorhangsel in de tempel scheurt middendoor.

Jezus
Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest.

Verteller
Na deze woorden sterft Jezus.

Honderdman
Waarachtig, die man was een rechtvaardige.

Verteller
Alle mensen die kwamen kijken, gaan naar huis.
Ze slaan zich op de borst als teken van rouw.
De vrienden van Jezus blijven toekijken vanuit de verte.
Ook de vrouwen die Hem volgden vanuit Galilea.
Een zekere Jozef, een goed en rechtvaardig man,
die afkomstig is van Arimatea, en lid is van de raad,
heeft niet ingestemd met hun plannen en praktijken.
Hij gaat naar Pilatus en vraagt om het lichaam van Jezus.
Hij haalt het af van het kruis en wikkelt het in linnen.
Dan legt hij Het in een graf dat in een rots is uitgehouwen,
en waar nog niemand in ligt.
Het is de dag voor de sabbat.
De vrouwen die met Jezus uit Galilea meekwamen, volgen Jozef.
Ze zien hoe zijn lichaam in het graf wordt neergelegd.
Dan gaan ze naar huis en maken kruiden en balsem klaar.
Op sabbat rusten ze zoals de wet dat vraagt.





VIEREN

Dood en verrijzenis

(C.LETERME, Echt tov 5, Rondom Pasen, uitgeverij Pelckmans 2013)

Materiaal
- Kruis dat gevormd wordt met vijf vierkanten in zwart tekenpapier. Aan de ommezijde zijn deze vierkanten aan elkaar vastgemaakt.
- Lijm


Vooraf
De kinderen schreven op een papiertje wat zij zich van Jezus willen blijven herinneren. De buitenkant van hun papiertje hebben ze gekleurd in een kleur die volgens hen het best past bij wat ze op het blaadje neerschreven.


Verloop
De kinderen gaan bijeen zitten in een kring. Ze nemen hun opgeplooide papiertje mee.
Sta met de kinderen stil bij het zwarte kruis dat je in het midden van de kring gelegd hebt.
Zwart staat in onze streken voor: rouw, verdriet, droefheid...
Het kruis doet denken aan Jezus die op een kruis gestorven is.
Overloop met de kinderen de redenen waarom men 2000 jaar geleden Jezus wilde doden.
Maar zijn leerlingen bleven niet stil bij die dood: ze geloofden dat Jezus verder leeft; ze vertelden aan iedereen wat ze van Jezus willen onthouden.
Overloop met de kinderen wat zij op hun briefje schreven. (Deze inbreng heeft het karakter van een getuigenis. Hierover wordt dus niet gediscussieerd. Er kan eventueel wel naar bijkomende uitleg gevraagd worden. Zo kan er ook gevraagd worden waarom ze een bepaalde kleur gebruikt hebben aan de buitenkant van hun blaadje.)

Kleef nadien de opgeplooide briefjes verspreid over het zwarte kruis: het zwarte wordt verdrongen door het kleurrijke van de levendige herinnering. Een visueel middel om verrijzenis op te roepen: leven haalt het op de dood.





Jongeren

ONDERZOEKEN

Relatie met het Oude Testament

Lees psalm 22, en onderlijn in de tekst elke herinnering aan het leven van Jezus.

Mijn God, mijn God,
waarom hebt U mij in de steek gelaten?
Waarom houdt U zich ver van mijn hulpgeroep,
ver van mijn gejammer?
Ik roep overdag, mijn God, en U antwoordt niet,
en in de nacht, maar ik vind geen rust.
U bent de Heilige, hoog op uw troon, en Israël zingt uw lof:
onze vaderen vertrouwden op U,
vertrouwden op U, en U hebt hen gered;
zij riepen U aan en werden bevrijd,
hun vertrouwen in U werd nooit beschaamd.
Maar ik ben een worm, ik tel niet mee,
veracht bij het volk, verguisd bij de mensen.
Iedereen die mij ziet lacht en spot met mij,
gaat grijnzen en schudt zijn hoofd:
‘Hij bouwt op de heer, die zal hem redden,
die zal hem bevrijden, Hij houdt toch van hem.’
U hebt mij uit de schoot gehaald,
en veilig tegen de borst van mijn moeder gevlijd.
Ik ben, nauwelijks geboren, U toevertrouwd.
Van de moederschoot af bent U toch mijn God?
Blijf niet ver van mij, want ongeluk nadert,
en er is geen mens die mij helpt. (...)
Ik ben als water, als water dat vloeit,
mijn gebeente valt in duigen;
mijn hart is als was, het versmelt diep in mij.
Mijn kracht is als een potscherf verpulverd,
mijn tong kleeft aan mijn gehemelte vast.
U hebt mij neergelegd in het stof van de dood,
de honden staan al om mij heen,
een meute boosdoeners heeft mij omsingeld,
ze hebben mijn handen en voeten doorboord.
Mijn beenderen kan ik tellen, één voor één,
en zij maar kijken en zich om mij vermaken;
zij verdelen mijn kleren onder elkaar
en dobbelen om wat ik aan heb.
Heer, houd u niet ver van mij;
mijn kracht, haast u en help mij.

(Uit psalm 22)


Correctiesleutel

Mijn God, mijn God,

waarom hebt U mij in de steek gelaten?
Waarom houdt U zich ver van mijn hulpgeroep,
ver van mijn gejammer?
Ik roep overdag, mijn God, en U antwoordt niet,
en in de nacht, maar ik vind geen rust.
U bent de Heilige, hoog op uw troon, en Israël zingt uw lof:
onze vaderen vertrouwden op U,
vertrouwden op U, en U hebt hen gered;
zij riepen U aan en werden bevrijd,
hun vertrouwen in U werd nooit beschaamd.
Maar ik ben een worm, ik tel niet mee,
veracht bij het volk, verguisd bij de mensen.
Iedereen die mij ziet lacht en spot met mij,
gaat grijnzen en schudt zijn hoofd:
‘Hij bouwt op de heer, die zal hem redden,
die zal hem bevrijden, Hij houdt toch van hem.’
U hebt mij uit de schoot gehaald,
en veilig tegen de borst van mijn moeder gevlijd.
Ik ben, nauwelijks geboren, U toevertrouwd.
Van de moederschoot af bent U toch mijn God?
Blijf niet ver van mij, want ongeluk nadert,
en er is geen mens die mij helpt. (...)
Ik ben als water, als water dat vloeit,
mijn gebeente valt in duigen;
mijn hart is als was, het versmelt diep in mij.
Mijn kracht is als een potscherf verpulverd,
mijn tong kleeft aan mijn gehemelte vast.
U hebt mij neergelegd in het stof van de dood,
de honden staan al om mij heen,
een meute boosdoeners heeft mij omsingeld,
ze hebben mijn handen en voeten doorboord.
Mijn beenderen kan ik tellen, één voor één,
en zij maar kijken en zich om mij vermaken;
zij verdelen mijn kleren onder elkaar
en dobbelen om wat ik aan heb.
Heer, houd u niet ver van mij;
mijn kracht, haast u en help mij.

Uit psalm 22





INLEVEN

De kruisweg – ook nu

Het lijden van Jezus is niet louter een eenmalige historische gebeurtenis. Heel veel mensen worden met allerlei vormen van lijden geconfronteerd.
Jongeren benaderen deze vormen van lijden vanuit het geloof in de verrijzenis en brengen hun teksten en schilderwerken bijeen in een presentatie voor derden.

1. Jezus wordt ter dood veroordeeld
2. Jezus neemt het kruis op zijn schouders
3. Eerste val van Jezus onder het kruis
4. Jezus ontmoet zijn moeder
5. Simon van Cyrene helpt Jezus het kruis dragen
6. Veronica droogt het gezicht van Jezus
7. Jezus valt voor de tweede maal onder het kruis
8. Jezus ontmoet wenende vrouwen
9. Jezus valt voor de derde maal onder het kruis
10 Jezus wordt van zijn klederen beroofd
11. Jezus wordt aan het kruis genageld
12. Jezus sterft op het kruis
13. Jezus wordt van het kruis afgenomen
14. Jezus wordt in het graf gelegd
15. Jezus verrijst


Bespreek
. In de opsomming van de staties van de kruisweg werden een aantal woorden vet gedrukt.
Wat betekenen die woorden in ons leven?
. Het lijden van Jezus zien veel mensen als een beeld voor het lijden van elke mens.
Beschrijf bij elk aspect van het lijden van Jezus hoe zijn lijden nog steeds geleden wordt.
. Wat betekent ‘verrijzenis? Schrijf op achtergrond van al deze facetten van lijden wat ‘verrijzenis’ is of kan zijn.


Doen
Knip vooraf grote vierkanten uit een wit laken (bv. 40 op 40 cm)
Zorg voor textielverf of een ander medium waarmee op stof kan geschilderd worden (bv. bister: donker, indien erg geconcentreerd; bleek, indien er veel water aan toegevoegd wordt), en penselen.

Verdeel de verschillende ‘staties van de kruisweg’ onder de aanwezigen.
Elk groepje beeldt die statie uit op zijn/haar manier – dit kan symbolisch of heel actueel. Hierbij houdt men rekening met de tekst die men bij de bespreking heeft neergeschreven.

In het licht van de presentatie kan het belangrijk zijn om de volgende afspraken te maken:
. Op elk vierkant wordt de volgorde van de staties met een Romeins cijfer weergegeven
. Indien men van plan is de stukken nadien aan elkaar te stikken, spreek dan af om op de onpare ‘staties’ telkens een uitgesproken achtergrondkleur aan te brengen.
. Spreek af om bij het schilderen een paar cm van de boord af te blijven.

Men kan de verschillende vierkanten in de juiste volgorde presenteren, samen met de tekst die erbij geschreven werd.
Men kan ook alleen de vierkanten presenteren. Die kan men dan aan elkaar stikken alsof het om een patchwork gaat (3 rijen van 5). Bij een viering legt elke groep dan uit wat erop voorgesteld wordt, en wat dit met de kruisweg te maken heeft.





VERTELLEN

Meer dan 1000 woorden

(C. LETERME in Kerk en leven, Federatie Rotselaar, 3 juni 2015, p. 1)

In de nacht van 6 juni 1944 vertrokken heel veel schepen uit Engeland.
De soldaten moesten Europa bevrijden van de Duitse bezetting.
Ze landden in Normandië.
Het was verschrikkelijk. Vele soldaten sneuvelden op het strand.
Maar de invasie was geslaagd.
En de troepen konden het binnenland intrekken.

Eén van de soldaten toen was Jack, een Amerikaanse marinier.
Hij was een van de eerste om een dorp te bereiken.
Overal om hem heen was verwoesting, brand, dood, vernieling ...
Te midden van dit alles stonden twee mensen op hoge leeftijd:
een man en een vrouw.
Vol vreugde begroetten ze hun bevrijder
en nodigden hem uit in hun fel beschadigde huis.
Eindelijk vrij! Eindelijk begon voor hen een nieuw leven.
Zo lang hadden ze op dit moment gewacht.
Ze vonden geen woorden voor hun sterke emoties.
Toen verdween de man in de kelder.
Wat later kwam hij terug met een fles champagne.
Hij droeg ze fles als een kostbaar bezit.
Jack, die een andere taal sprak dan die twee oude mensen,
begreep dat ze deze fles hadden bewaard
om de bevrijding te vieren, waar ze zo lang naar hadden uitgekeken.
Hij was diep ontroerd door de buitengewone vreugde
van het samen drinken op deze bevrijding.

Sinds Jack terug in Amerika is,
drinkt hij elk jaar op het feest van de bevrijding een glas champagne.
Dan beleeft hij opnieuw de ontmoeting met die twee mensen
van wie hij niet eens de naam kende.




Bij het verhaal
(C. LETERME in Kerk en leven, Federatie Rotselaar, 3 juni 2015, p. 1)

Mensen spreken met woorden.
Maar wat doe je als je de woorden van een taal niet kent?
Dan begin je zonder problemen te spreken met gebaren.
Wie in een land komt waar men geen enkele bekende taal spreekt,
herkent dit.

Soms schieten woorden tekort om iets duidelijk te maken.
Vreemd genoeg zeggen gebaren dan zelfs meer dan woorden:
een dikke knuffel als je verdrietig bent,
een opgestoken duim om te waarderen,
een glimlach om gerust te stellen ...

De Amerikaanse marinier uit het verhaal kende de taal niet
van de oude man en vrouw die hij had bevrijd.
En de oude mensen kenden de taal niet van de marinier.
Maar toen ze samen de fles champagne dronken,
legden ze daarin al hun vreugde en dankbaarheid
om het einde van de jarenlange bezetting.

Wanneer de marinier terug in Amerika is,
drinkt hij elk jaar opnieuw een glas champagne om dit gebeuren te gedenken.

Toen Jezus tweeduizend jaar geleden stierf,
herinnerden zijn leerlingen enkele van zijn gebaren die boekdelen spraken. Hét gebaar dat hen vooral bijbleef,
was het breken van het brood op de avond dat Hij gearresteerd werd.
Dat was niet de eerste keer dat Jezus brood brak,
maar in het licht van wat volgde is dit gebaar blijven hangen.
En telkens wanneer ze bijeenkwamen en Hem in herinnering brachten,
brak een van hen het brood en deelde het met de anderen.

Nu nog komen christenen over de hele wereld bijeen rond dit gebaar.
Het doet hen denken aan Jezus, het brengt Hem dichterbij,
het brengt hen ook dichter bij elkaar.
Zo weten ze opnieuw hoe het eigenlijk verder moet:
als 'brood' zijn voor elkaar.



Het geschenk van de slak

(C. LETERME, Een parel voor elke dag, Averbode 2007, p. 341)

Lang geleden wilden de dieren
God danken
voor alles wat ze van Hem
hadden gekregen.
Maar ... waar was de berg
waarop ze dat konden doen?
De slak wist het:
‘Die berg staat
aan het einde van de wereld.
Kom, ik wijs jullie de weg.’

De slak ging naar de berg,
de dieren volgden hem.
De weg die liep over bergen en dalen
konden de dieren gemakkelijk volgen,
want de slak liet een spoor achter,
dat zo glinsterde,
dat ze het niet alleen overdag,
maar ook ’s nachts konden zien.

Eindelijk zagen ze de berg
die met zijn top in de hemel stond.
‘Kom maar, slak,’ zeiden de dieren,
‘ga jij maar voorop.’
Maar de slak zei niets.
Toen klopten de dieren op zijn huisje.
Maar de slak was er niet meer.
Er was niets meer van hem over.
Met al wat hij had,
met al wat hij kon,
had hij een zilveren, glinsterend spoor achtergelaten
om de andere dieren de weg te wijzen.

Naar een verhaal uit Scandinavië




Overweging bij het verhaal
(C. LETERME in Kerk en leven, Federatie Rotselaar, 25 maart 2015, p. 1)

Er zijn mensen die leven voor zichzelf
en er zijn mensen die gelukkig zijn
om het geluk van anderen.
Veel heiligen waren zulke mensen:
pater Damiaan zorgde voor melaatsen,
Don Bosco had aandacht voor jongeren,
Elisabeth van Thüringen verkocht al haar bezit
om zieken te verzorgen ...

Wat deze mensen
en de duizenden die niet vernoemd werden
met elkaar verenigt
is hun inspiratiebron: Jezus van Nazaret.
Hij wees hun de weg naar geluk
een geluk dat ze bij de anderen vonden
die ze wilden gelukkig maken:
minder ziek, meer kansen, meer waardering.

Jezus bleef consequent
over het Rijk van God, zijn Vader, prediken
in al wat Hij zei en in wat Hij deed.
Niet iedereen kon zich daarin vinden.
Ook toen stond het geluk van de medemens
niet vanzelfsprekend bovenaan - net zoals nu.
Het werd zijn dood
Het werd ook zijn verrijzenis.

Tot op vandaag volgen mensen zijn weg.
Geen gemakkelijke weg!
Een weg die veel inspanning vraagt!
Maar vooral een weg die het leven beter maakt:
een weg die uitzicht biedt.
Tot de weg aankomt in het Rijk van God,
een Rijk van liefde, vrede, rechtvaardigheid
een Rijk waarin het goed is om te leven.





ZINGEN/BELUISTEREN

Stef BOS

Stef Bos in 'In een ander licht', het project waarmee hij in opdracht van de NCRV twaalf liedjes maakte over Bijbelse figuren.

Ik zie de afstand
In jouw ogen
Jij doet alsof ik niet besta
Wij hebben zij aan zij gestreden
Nu staan wij tegenover elkaar

Het is te laat
Om te bepalen
Wie welke fouten
Heeft gemaakt
De rechter heeft zich
Teruggetrokken
En deze zaak
Verjaard verklaard

We hebben elk een kant gekozen
Dat is de prijs van de gewoonte
De val van vanzelfsprekendheid
Jij ziet alleen nog
Wat je zien wilt
Als je naar mij kijkt

Het is misschien
De loop der dingen
Want elk vuur
Wordt ooit geblust
Ik voel hoe wij
Elkaar ontwijken
Wij wachten op
De Judaskus





Overwegingen

Frans Mistiaen s.j.

Teken van liefde tot het uiterste toe

Wij, christenen, worden niet uitgenodigd
op te kijken naar het kruishout zelf,
naar dat marteltuig
dat lijden en vernietiging brengt.
Wij worden wel uitgenodigd op te kijken
naar Jezus op het kruis,
die, te midden van het lijden,
Zijn zichzelf-gevende-liefde toont
tot het uiterste toe.
Ook in de hevigste pijn
en de vastgespijkerde machteloosheid
denkt Jezus immers niet aan Zichzelf,
maar aan de anderen
(Hij vergeeft Zijn beulen,
schenkt Johannes aan Zijn Moeder
en belooft het paradijs aan de goede moordenaar)
en bidt Hij vol vertrouwen tot Zijn Vader
("In Uw handen beveel Ik Mijn geest").
Laten wij opkijken naar wat de Liefde doet,
hoe Jezus Zichzelf totaal vergeet en wegschenkt,
zelfs in die meest weerloze situatie.
En op het moment van de kruisiging
wordt die liefde van de Mensenzoon "omhoog geheven":
Zijn liefde tot het uiterste
wordt het moment van Zijn verheffing door God,
van Zijn verheerlijking.

Niet iedereen ziet dit.
Bij het opkijken naar een kruis en naar de Gekruisigde
staat iedereen voor de keuze: te geloven of niet te geloven.
Wie niet gelooft, ziet alleen een gemartelde man,
die lijdt aan het kruishout en totaal vernietigd wordt.
Wie gelooft, ziet juist
in de zelfgave van de Gekruisigde en Zijn verhoging door God,
het teken dat de belangeloze, zichzelf-gevende Liefde
sterker is dan de dood.

Geloven is dan ook, bij het opzien naar het kruis,
vooral kijken naar Jezus
en willen leven vanuit de liefde die Hij toont
door zichzelf belangeloos weg te schenken voor anderen, zelfs op het kruis.
Geloven is, bij het opzien naar het kruis,
vooral kijken naar Jezus
en zich uitgenodigd voelen door Zijn Zichzelf-gevende liefde,
opgetild worden uit de dood van eigen zonde
naar een nieuw, meer liefdevol leven,
een leven in licht en waarheid.

Ongelovigen blijven het kruis zien als een teken van ondergang.
Gelovigen zien in de zelfgave van de Gekruisigde
het teken dat zo'n liefde, ondanks het lijden, de dood overwint.

Soms wordt wel eens een kruis zonder Gekruisigde Jezus afgebeeld,
hoog op een kerktoren of ingebouwd in een groots beeldhouwwerk
of om praktische redenen. Tot daar.
Maar in de liturgie van de Goede Vrijdag
mogen wij het meest essentiële niet weglaten:
de belangeloze zelfgave van de Gekruisigde op het kruis.

Misschien kunnen wij ervoor zorgen
- in deze laatste week voorbereiding op Pasen -
dat het kruis mét de Gekruisigde
ook in ons huis weer een echte ereplaats krijgt.
Wanneer wij de Goede Week beginnen,
gaan wij, vandaag op Palmzondag,
de liefdevolle Gekruisigde Jezus dan ook eerbiedig versieren met een palmtak
en opkijken naar Gods teken
van zichzelf-gevende-Liefde tot het uiterste toe.



Marc Gallant, trappist (Orval)

A-jaar (evangelie volgens Matteüs)

Overweging (2014)

“Jezus werd ter dood veroordeeld onder de regering van Tiberius door de gouverneur Pilatus”, schrijft de Romeinse historicus Tacitus (Annal. 15,44,3). En de Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus preciseert: “Jezus had talrijke Joden aangetrokken en nog vele andere van Griekse oorsprong. En wanneer Pilatus hem op last van een beschuldiging, gesteld door belangrijke mannen van onze godsdienst, veroordeelde tot de kruisdood, zijn zijn volgelingen hem trouw gebleven” (Antiquit. jud. 18,3,3). De passieverhalen, die meer details brengen, bevestigen de twee hoofdpunten: beschuldigd door de Joodse instantie, werd Jezus berecht door de Romeinse overheid. Iedere evangelist herneemt het verhaal, en trekt er voor zijn eigen gemeenschap de diepe zin van uit.

Matteüs, die schrijft voor christenen van Joodse origine, wijst erop hoezeer de passie van Jezus de Schriften vervult. Ook verwijst hij voortdurend naar citaten uit het Oude Testament die zijn lezers kennen.
Hij begint zijn verhaal met de verantwoordelijken aan te wijzen van het drama dat Jezus zal treffen: de hogepriesters die Judas, de verrader, betalen. Van meet af aan situeert Matteüs Jezus tegenover de Joodse godsdienst. Hoe kan zijn gemeenschap zich immers situeren tegenover het kruis, dat “voor Joden aanstootgevend” is (1 Korintiërs 1,23) ?
In het verhaal van het Laatste Avondmaal spreekt hij niet over een “Nieuwe” Verbond. Het Verbond van God met zijn volk voltooit zich in het vergoten bloed van Jezus. De Kerk is de voortzetting van het Godsvolk.
Matteüs onderlijnt dat Jezus bewust is van wat er hem te wachten staat. Hij kent de zwakheid van zijn apostelen die hem alleen en in de steek zullen laten in deze beproeving die hij hen nochtans voorspeld heeft. De verloochening van Petrus is er het schreeuwende voorbeeld van. Jezus evenwel vertrouwt zich toe aan de Vader.

Matteüs belicht voortdurend de verantwoordelijkheid van de Joodse gezagdragers. Jezus wordt aangehouden op last van Kaïfas: zijn tempelwachters slepen hem naar zijn paleis. Die hogepriester was de sterke man van Jeruzalem. Hij bestuurde de Tempel, Jeruzalem, en hij was de vertegenwoordiger van het volk van Israël bij de hoogste macht van Rome. De historici menen dat Kaïfas Romeinsgezind was en de beste relaties onderhield met Pilatus. Jezus had hem voor het hoofd gestoten door zijn tussenkomst in de Tempel, het “huis van gebed” waar de verkopers een “rovershol” hadden gemaakt (Matteüs 21,13). Deze profetische geste had een bedreiging betekend voor de handel in de Tempel die in handen was van de hogepriesterstand. Die profeet moest onschadelijk worden gemaakt. De beschuldiging die tegen Jezus gebracht wordt voor het Sanhedrin, is dat hij de tempel van God wil afbreken (Matteüs 26, 61). Jezus evenwel bevestigt dat hij profeet is, Messias, Zoon van God, de Mensenzoon die komen zal op de wolken des hemels” (Matteüs 26, 63-64). Die uitspraak betekent zijn onmiddellijke terdoodveroordeling. Deze rotprofeet wordt vervolgens bespot met een: ”Profeteer dan maar eens voor ons, Messias, wie is het die je geslagen heeft?” (Matteüs 26,68).

De priesterinstanties leveren Jezus over aan Pilatus, en beschuldigen hem ervan de “pax romana” in gevaar te brengen. Daar was Pilatus verantwoordelijk voor. In de vier evangeliën stelt Pilatus aan Jezus de vraag: “Zijt gij de koning der Joden?” Dat is de primaire vraag voor de Romeinse gouverneur belast om elke rebellie tegen het romeinse gezag te voorkomen. Is Jezus een pretendent voor het koningschap van Judea? Lucas is nauwkeurig als hij de beschuldigingen tegen Jezus noteert: “Wij hebben vastgesteld dat deze man ons volk opruit; Hij zegt dat ze geen belasting moeten betalen aan de keizer, en Hij geeft zichzelf uit voor de Messias, de koning“ (Lucas 23, 2). De vraag van Pilatus is dan ook normaal. Jezus’ antwoord: “Gij zegt het”, kan in de positieve zin verstaan worden: ”u zegt het en u heeft gelijk”. Het is in elk geval de beschuldiging die door Pilatus behouden wordt. Op het kruis “boven zijn hoofd bevestigden ze de aanklacht, die luidde: ‘Dit is Jezus, de koning van de Joden’“ (Matteüs 27, 37). De soldaten van de gouverneur spelen daarop in met een wreedaardig spelletje en bieden deze strokoning een bespottend huldetoneel aan vooraleer hem naar de terechtstellingsplaats te voeren (Matteüs 27, 27-31).

De titel “koning der Joden” is niet om de Joden onverschillig te laten. Het Matteüsevangelie dat zich tot hen richt is daar een echo van. Matteüs vermeldt bij Jezus’ geboorte de komst te Jeruzalem van Wijzen uit het oosten, die hulde willen brengen aan de “nieuwgeboren koning des Joden” (Matteüs 2, 2-3). Ze vinden hem te Betlehem, de stad van David. Jezus is van koninklijke bloede, “zoon van David”. Deze benaming komt tienmaal voor bij Matteüs. Maar op het beslissende ogenblik van zijn proces wordt de expliciete titel “koning der Joden” gebruikt om zijn veroordeling te bekomen. Jezus is de koning-Messias, verworpen door zijn volk.

Het is nog de priesterstand die het volk opjut om de bevrijding van Barabbas te vragen, wanneer Pilatus Jezus tracht te redden. Van haar kant komt de vrouw van Pilatus tussen als voorspreekster voor Jezus bij haar man. De Joden echter eisen zijn kruisiging. Een mise-en-scène besluit het debat: Pilatus was zich de handen omdat hij de verantwoordelijkheid van Jezus’ dood niet op zich wil nemen, terwijl “gans het volk” roept: "Laat Zijn bloed maar komen over ons en over onze kinderen!” (Matteüs 27, 25). De schaduw van de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen in het jaar 70 en de bijgaande verdrukking van Israël zweeft over die woorden.
Hier nog eens laat Matteüs horen dat het uiteindelijk gaat om de relatie tussen Jezus en het Joodse volk. Terwijl de vrouw van de heiden ten beste spreekt voor ”de rechtvaardige”, schreeuwt de dochter van Sion luidkeels om de dood van haar Messias, haar “Christus” (Matteüs 27, 17.22). De verantwoordelijkheid die Pilatus weigert te nemen “heel het volk” neemt die op zich (27, 25). Deze stellingname van het volk van het Oude Verbond is een beslissende stap in de heilsgeschiedenis: om voortaan het Rijk Gods binnen te gaan zal iedere Israëliet zich moeten bekeren tot het Verbond dat nu gesloten wordt in het bloed van Jezus.

Gedurende het verhaal geeft Matteüs Jezus verschillende keren de voor de Joden uiterst choquante titel “Zoon van God” (27, 40.43.54). Jezus’ goddelijk zoonschap wordt aldus voorgesteld als het fundamentele gegeven waar al de rest van afhangt: het mysterie van de afbraak en de heropbouw van de Tempel, de triomf van de gekruisigde Messias en Gods tussenkomst in de verrijzenis. Op dezelfde wijze heeft Matteüs ruim de weerslag georchestreerd van de aanstootgevende dood van Jezus, en er de eschatologische draagwijdte van onderlijnd. Bij het scheuren van het gordijn van de tempel (27,51) vermeldt hij, om beter het einde van het oude tijdperk te merken, een kosmische storing met aardbeving en rotsen die splijten (ibid). Terzelfder tijd noteert hij ook het nieuwe tijdperk dat begint met de opwekking van doden die hij vermeldt (27, 52). De geloofsbelijdenis van de honderdman, die samengaat met deze beroering, slaat over op zijn mannen, en krijgt aldus een bredere betekenis : het is niet meer de reactie van een enkeling, maar het begin van een bekeringsbeweging bij de heidenen (Matteüs 27, 54).

Om te eindigen, hernemen we nog eens de verklaring van Jezus bij zijn proces voor het Sanhedrin. “Van nu af”, zegt Jezus in de tekst van Matteüs, “zult ge de Mensenzoon zien zetelen aan de rechterhand van de Almachtige …” (26, 64). De betekenis van deze precisie wordt duidelijk bij het verhaal van Jezus’ dood. Matteüs toont aan dat Jezus’ woorden bewaarheid worden bij zijn dood, die het toppunt is van alle profetische voorzeggingen. “Vanaf dat moment” voltrekt zich de intronisatie van Jezus als Messias, zijn goddelijke afkomst openbaart er zich, en hij bekomt, zelfs voor de heidenen, toegang tot de gemeenschap met God in een nieuwe Tempel.
Zo onderlijnt Matteüs de nauwe banden tussen de Passie en de Verrijzenis: hij drukt overduidelijk de verheerlijking uit van “de man van smarten”: God keert de aanstoot van het kruis om in de verrijzenis van Jezus.



B- jaar (evangelie volgens Marcus)

Overweging (2015)

De Messiaanse intrede van Jezus te Jeruzalem betekent een plotse en onverwachte ommekeer van wat we van Jezus gewoon waren. Vanaf het begin van zijn optreden verbiedt Hij aan de geesten, die Hij uitdrijft, Hem kenbaar te maken (Marcus 1, 25.34; 3, 12) en Hij ontwijkt het succes door zich voor dag en dauw ongezien in de bergen terug te trekken, zodat zijn apostelen koortsachtig naar Hem op zoek moeten gaan, en dat Simon hem verwijtend zegt: “Iedereen zoekt u”. Maar Jezus gaat daar niet op in, en trekt naar elders (Marcus 1, 35-37). Ook na de broodvermenigvuldiging verwijdert Hij voorzichtigheidshalve zijn leerlingen van de enthousiaste menigte die Hij wegstuurt, terwijl Hij zelf weer de bergen intrekt om er te bidden (Marcus 6, 36-37). Johannes verduidelijkt hier de reden: Jezus wist dat men Hem tot koning wilde maken (Johannes 6, 15). 
Het is duidelijk: Jezus wil geen leerlingen achter zich, die de grootsten willen zijn of die uit zijn op politieke macht (Marcus 9, 33-35; 10, 37-45). Bij elke gelegenheid gaat Hij in tegen het volksgeloof dat meende dat lijden en dood zouden uitgeschakeld worden bij de komst van de Messias. Integendeel, Hij gaat recht tegen dat geloof in, en Hij kondigt tot driemaal toe zijn eigen lijden en dood aan (Marcus 8, 31;  9, 30; 10, 32), iets wat het begrip van zijn leerlingen te boven gaat: deze dromen nog steeds van voorrang en ereplaatsen in het nieuwe Rijk.

Zij zullen zich wel verheugd hebben bij die onverwachte plotse ommekeer in Jezus’ houding. Wie had dat gedacht: Jezus neemt nu omzeggens zelf het initiatief van zijn triomfantelijke intrede, en geeft aan zijn apostelen de link waar ze voor Hem een ezelsveulentje kunnen vinden (Marcus 11, 1-7). Jezus gaat nu de volksdrang om Hem tot Messias uit te roepen niet meer tegen. Hij gebruikt het volksenthousiasme om profetisch de ware zin van zijn Messiaanse zending aan het licht te brengen. Daarom ensceneert Jezus zelf zijn intrede te Jeruzalem om het verlangen van het volk te kanaliseren en zelf de zin aan te duiden van zijn messianiteit. Hij zal koning der Joden zijn, maar niet met wapenmacht en strijdros. 

Het is opmerkelijk: juist terwijl er te Jeruzalem in de hoge kringen vergaderd wordt over de manier waarop de hinderlijke profeet uit Galilea kan uitgeschakeld worden, zetten de leerlingen van Jezus met een ezeltje een Blijde Intrede van de Messias-koning op touw. Het liep in de volksmond dat de Messias vanaf de Olijfberg zijn intrede zou doen te Jeruzalem. Dat viel goed mee: de triomfstoet kon vertrekken vanuit Betanië, waar de pelgrims uit Galilea bivakkeerden, en deze sympathiseerden spontaan met hun landgenoot. Als onderstroom speelde ook mee dat zij, Galileeërs, door de Judeeërs slechts als tweederangsjoden werden beschouwd. Uit dat bivaksoord van de Galileeërs zou Jezus, enkele dagen later, ‘s nachts, op een tip van Judas, kunnen worden opgelicht. 

Het is de leerlingen van Jezus echter een ernst wanneer ze hem huldigen: ze leggen hun mantels op Jezus’ rijdier en over de weg waar Hij voorbijkomt: iemand op je mantel laten zitten, iemand over je mantel laten lopen, betekent dat je hem erkent als hem die zeggenschap heeft over je. De leerlingen willen Jezus echt als koning introniseren.

Wat gaat er eigenlijk om in Jezus die zich leent tot deze spontane hulde?  Het Messiasgeheim, dat Marcus tot nu toe in zijn evangelie aangehouden heeft, bereikt hier immers zijn ontknoping. Jezus openbaart zich als Messias. Hij laat zich toejuichen als “die komt in de naam van de Heer”. Die toejuiching heeft een duidelijke Messiaanse betekenis, en Matteüs en Lucas vermelden de verontwaardiging van de gezagdragers (Matteüs 21, 15 ; Lucas 19, 39) in dit verband. 
Jezus zal dus plechtig Jeruzalem binnentreden zonder woordenkraam, maar symbolisch gezeten op een ezelsveulentje dat verwijst naar de koning, nederig en vredelievend, aangekondigd door Zacharia (9, 9). Het is zo dat Jezus “Jeruzalem binnentrad in de tempel”, zegt Marcus. Het was wel de tempel die Jezus’ doel was. 
Maar totaal verrassend, Marcus laat die Messiaanse intrede op niets uitlopen. In de tempel gedraagt Jezus zich niet als Messias, maar als toerist: “toen Hij alles in ogenschouw genomen had, ging Hij, omdat het al laat was, samen met de twaalf naar Betanië” (Marcus 11, 11). Matteüs en Lucas zijn hier meer coherent: gesteund door de volksmassa jaagt Jezus de verkopers uit de tempel (Matteüs 21, 12 v.; Lucas 19, 45 v.) en stelt zo een sterke profetische daad met Messiaanse betekenis. 
Men veronderstelt dat de primitieve tekst van Marcus versneden geweest is en opnieuw samengesteld voor het gebruik van de liturgie. Er moest een overloop gemaakt worden van palmzondag en het passieverhaal dat, te Jeruzalem, gevierd werd op de plaats zelf van de dramatische gebeurtenissen. Volgens de Handelingen was Marcus afkomstig van Jeruzalem (Handelingen 12, 12).

Jezus zal in elk geval, tot het einde toe de lijn doortrekken van de vredelievende Messias. Zachtmoedig zal Hij zich laten gevangen nemen. Maar Hij zal onbewogen bevestigen dat Hij de Messias is. “Weer stelde de hogepriester Hem een vraag en zei tegen Hem: ‘Bent u de Messias, de Zoon van de Gezegende?’ Jezus zei: ‘Ik ben, en u zult de Mensenzoon zien, gezeten aan de rechterhand van de Macht en komend op de wolken van de hemel” (Marcus 14, 61-62). Daarop verscheurde de hogepriester zijn kleren want alleen reeds de uitspraak “Ik ben” behoort alleen aan God toe. 
Op zijn beurt, “Pilatus vroeg hem: ‘Bent u de koning van de Joden?’ Hij antwoordde: ‘U zegt het.’” (Marcus 15, 2). Jezus laat zich vervolgens gedoornkroond begroeten als koning der Joden (Marcus 15, 17) en zal zich laten leiden naar het kruis, om er te sterven als de laatste der laatsten. Maar “het opschrift met de aanklacht tegen hem luidde: ‘De koning van de Joden’” (Marcus 15, 26). Johannes zal preciseren dat dit opschrift opgesteld was in het Hebreeuws, het Latijns en het Grieks (Johannes 19, 19-20). Wat betekent dat zijn koningschap van totale armoede en zelfontlediging, aan heel de wereld zal worden kond gedaan. (Johannes 19,19-20). 
Marcus noteert op zijn manier: “Toen de honderdman, die recht tegenover Hem stond, Hem zo zijn laatste adem zag uitblazen, zei hij: ‘Werkelijk, deze mens was Gods Zoon!’” (Marcus 15, 39). Deze verklaring is de ontknoping van heel het Marcusevangelie: Jezus is meer dan de koning der Joden, meer dan een Messias: Hij is de Zoon van God.
In dit licht kunnen we nu heel het evangelie van Marcus herlezen.



C- jaar (evangelie volgens Lucas)

Overweging (2013)

Lucas heeft Jezus niet persoonlijk gekend, maar hij heeft Paulus vergezeld op zijn missiereizen. Paulus had Jezus ontmoet bij een uitzonderlijke paaservaring, er werd er zo diep door getroffen dat hij kon zeggen: “leven is voor mij Christus” (Filippenzen 1, 21), “die mij heeft liefgehad en zich voor mij heeft prijsgegeven” (Galaten 2, 20). Lucas heeft met Paulus dezelfde genegenheid voor Jezus gedeeld, en dat valt op in zijn lijdensverhaal.

Lucas heeft pijn in het hart voor hetgeen Jezus werd aangedaan. Hij verzacht de gruwelijkste en de meest vernederende details van de passie, of hij laat ze achter. Zo spreekt Lucas niet over de geseling. Hij beperkt zich tot een verklaring van Pilatus: “Ik zal hem straffen en dan loslaten” (Lucas 23, 22). Hij vermeldt de vernedering niet van de doornenkroning, en ook de kaakslag niet die Jezus kreeg bij de hogepriester (Johannes 18, 22). De valse getuigenissen tegen Jezus bij die gelegenheid laat hij vallen, om enkel Jezus’ woorden over zijn waardigheid van Christus en Zoon van God te bewaren. Door zo de gegevens te selecteren die hij van de traditie meekreeg, nodigt Lucas ons ertoe uit Jezus’ passie te beleven met de eerbiedige schroom die hij zelf voor Jezus heeft.

Voor Lucas is Jezus hij die Gods barmhartigheid verkondigt. In het lijdensverhaal stipt hij Jezus’ eigen barmhartigheid aan. Deze laat nooit af. Wanneer er bij zijn aanhouding een dienstknecht van de hogepriester het oor afgeslagen wordt, komt Jezus tussen door het te genezen (22, 50-51). “De Heer draaide zich om en keek Petrus aan”(22, 60-61), als deze hem verloochend heeft. Bij hun eerste ontmoeting had Jezus Petrus liefdevol in de ogen gekeken, en hem de naam ‘steenrots’ gegeven (Johannes 1, 42). Dezelfde liefdevolle blik doet Petrus nu bitter huilen (22, 62).

Verder, als hij naar de Calvarie wordt geleid horen we dat “een grote volksmenigte Jezus volgde, evenals enkele vrouwen die zich op de borst sloegen en over hem weeklaagden. Jezus keerde zich echter naar hen om en zei: ‘Dochters van Jeruzalem, huil niet om mij. Huil liever om jezelf en je kinderen”… (Lucas 23, 27-29). In zijn meelevende liefde denkt Jezus meer aan de anderen dan aan zichzelf.

Jezus is vol barmhartigheid nog als hij gekruisigd wordt en bidt voor zijn beulen: “Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen” (23, 34). En Hij heeft een buitengewone belofte voor de gelovige moordenaar: “Ik verzeker je: nog vandaag zul je met Mij in het paradijs zijn” (23, 43). Zoveel blijken van actieve liefde die ons Jezus’ grootmoedigheid aantonen, alsook zijn vaste overtuiging dat de liefde, die komt uit het hart van de Vader, uiteindelijk alle menselijk kwaad overwint.

Het passieverhaal krijgt een diepere betekenis in het licht van het Laatste Avondmaal dat eraan voorafgaat. Wij zien er hoe Jezus in volle vrijheid ernaar verlangt zijn passie te aanvaarden. Hij verklaart immers: “Ik heb er hevig naar verlangd dit Pesachmaal met jullie te eten voor de tijd van mijn lijden aanbreekt” (22, 15). Zijn passie wordt aldus de grootste uitdrukking van liefde. Lucas verhaalt het als volgt: “Hij nam een brood, sprak het dankgebed uit, brak het brood, deelde het uit en zei: ‘Dit is mijn lichaam dat voor jullie gegeven wordt. Doe dit, telkens opnieuw, om mij te gedenken.’ Zo nam hij na de maaltijd ook de beker, en zei: ‘Deze beker, die voor jullie wordt uitgegoten, is het nieuwe verbond dat door mijn bloed gesloten wordt” (22, 19-20). 

Door zijn woorden en zijn betekenisvolle manier van doen geeft Jezus op voorhand een nieuwe betekenis aan komende gebeurtenissen. De vijandigheid tegen Jezus, met al de menselijke slechtheid die ze met zich meebrengt, zullen weliswaar de oorzaak van zijn lijden en dood. Maar, sterker dan de dood, zal zijn liefde het onrecht, dat hem wordt aangedaan, te boven komen. Die tragische gebeurtenissen waar hij onder te lijden heeft, zijn voor Jezus de gelegenheid om te gaan tot het uiterste van zijn liefde. Jezus stemt ermee in zijn leven te geven: vrijwillige gave die niemand uitsluit. Die gave, èn aan zijn Vader, èn aan alle mensen, is een nieuw pact tussen God en de mensheid, een Nieuw Verbond in zijn bloed (Lucas 22, 20) dat het Oude Verbond dat Mozes met bloed verzegeld had (Exodus 24, 8) vervult en afsluit. Mensgeworden Woord, draagt Jezus in zijn persoon dat Verbond tussen God en mens. Hij brengt dit Verbond tot voltooiing door zijn leven als mens te beëindigen met een dood die de uitdrukking is van zijn liefde voor zijn Vader en voor de mensheid die gaat tot het uiterste. Zo verleent Jezus aan de ganse mensheid toegang tot God.

Daarom moet de droefheid niet de bovenhand hebben in ons hart als wij passieverhaal aanhoren. Een diepe dankbaarheid heeft er ook zijn plaats. Wij moeten niet blijven stilstaan bij de schijnbare mislukking van Jezus’ aardse leven, zelfs als het beschouwen van Jezus’ lijden een vertroosting kan brengen bij de smarten die we zelf te verduren hebben. Het past eerder in het diepste van ons hart een grote vreugde te ervaren: de passie is waarlijk de grootste uitdrukking van Gods liefde voor ons. Ze bewijst ons dat God ons bemint zonder voorbehoud. De omstandigheden van de passie zijn weliswaar tragisch, maar de liefde overstijgt ze : de liefde zal er verrijzenis van maken.

Jezus’ passie stemt ons aldus hoopvol. Jezus heeft het kwaad en de dood overwonnen. Hij deed het voor ons. Hij geeft ons zijn overwinning mee. Dank zij Jezus’ passie mogen we hoopvol het hoofd omhoog houden, want wij weten dat we, ondanks alles en doorheen alles, ‘bemind zijn tot het uiterste’ (Johannes 13, 1). Jezus’ passie geeft een positieve zin geeft aan alles wat we beleven. We krijgen er al het ware een nieuw leven.
Het zal een leven worden van dienstbaarheid, met Jezus die midden onder ons is «als iemand die dient» (Lucas 22, 27). En in de dagen dat het lijden op ons wacht, zullen wij, zijn leerlingen, volgens de uitdrukking van Lucas, de dienaars zijn van Jezus zelf door als Simon van Cyrene zijn kruis achter hem aan te dragen (Lucas 23, 26).



Overweging (2016)

Omdat hij andere aspecten van de Passie wil benadrukken, wijkt Lucas aanzienlijk af van wat Marcus voorstelt. Hij schrijft “het evangelie van de leerling”, dat uitnodigt tot een contemplatieve blik op Jezus. De leerling die Jezus beschouwt in zijn Passie, wordt opgewekt om Jezus te volgen tot het uiterste.
Voor Lucas zijn Simon van Cyrene en de heilige vrouwen dan ook niet zozeer getuigen die de feiten moeten waarborgen, dan wel voorbeeldfiguren die de christen helpen tot nauwere betrokkenheid bij de Passie van zijn Verlosser.
Als hij spreekt over Simon van Cyrene, vermijdt Lucas het woord ‘opvorderen’. Hij kiest voor het meer algemene “Hem lieten ze het kruis achter Jezus aan dragen”. Door het kruis achter Jezus aan te dragen was Simon de eerste om te doen wat de Meester verwacht van zijn leerlingen: "Als iemand Mij wil volgen, dan denke hij niet meer aan zichzelf, maar neme dagelijks zijn kruis op en volge Mij” (Lucas 9,23; vgl. 14,27). Simon is zo voor iedere leerling een oproep om werkelijk Christus te volgen.
Net als zijn leerlingen worden ook de professionele klaagvrouwen, die treuren om zijn aanstaande dood, door Jezus opgeroepen tot ware bekering: “Weent niet over mij, maar weent over uzelf... “ (Lucas 23, 27-31).
Zonder namen te noemen vermeldt Lucas de vrouwen die Jezus gevolgd waren vanuit Galilea. Hij vestigt de aandacht niet op haar identiteit, maar op haar houding. Ze maken deel uit van de groep vrienden die “daar stonden” en Lucas zegt dat ze "toekeken" (Lucas 23,49). Ze zijn meditatieve figuren die de lezer uitnodigen tot contemplatie.
Lucas zet deze aantekeningen nog kracht bij door de grote menigte te vermelden die Jezus volgt in gezelschap van rouwende vrouwen. Hij stipt ook ‘het volk’ aan dat toekijkt als Jezus gekruisigd wordt (Lucas 23,35). En om te eindigen, nogmaals: “Alle mensen die voor dit schouwspel waren samengestroomd, gingen naar huis; ze sloegen zich van rouw op de borst om wat ze hadden aanschouwd (Lucas 23,48) Nota 1. Dat gebaar is in overeenstemming met wat van Jezus gevraagd heeft aan de dochters van Jeruzalem (Lucas 23,28-31).
Aan de leerling die hem aanschouwt, geeft Jezus op Golgota, het voorbeeld van vergevingsgezindheid : "Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen '(Lucas 23, 34). Hij vervult zijn gebod van liefde voor de vijanden, dat Lucas heel bijzonder benadrukt heeft (vgl. Lucas 6, 27-36; 17, 3). De eerste martelaar, Stefanus, volgt vergevensgezind, hetzelfde spoor volgen (Handelingen 7, 60).
De bespottingen die zich voordoen nemen de vorm aan van een drievoudige bekoring (vv. 35-43). De joodse gezaghebbers zowel als de Romeinse soldaten drukken zich uit net als de duivel bij de bekoringen in de woestijn: ”Als je de Zoon van God bent, toon het door een wonder!” (Lucas 4, 3-9). De Joden bespotten hem met ‘de Messias van God, de Uitverkorene’. De soldaten met ‘de koning van de Joden’ - het is overigens deze heidense en politieke “vertaling” die ze boven Jezus’ hoofd op het kruis aangebracht hebben (vgl. 23, 3). Allen gelijk dagen ze Jezus uit te bewijzen dat hij de Messias is door eerst zichzelf te redden. Heeft hij eerst niet anderen willen redden ? Moest Jezus bezweken zijn onder die bekoring, dan zou hij het goddelijke heilsplan ondermijnd hebben, waarbij God tot het uiterste toe de menselijke vrijheid wil eerbiedigen (vgl. 9, 22). Zoals eerder in de woestijn, weigert hij zijn macht te gebruiken tot zijn eigen voordeel. Hij houdt de verleiders van zich af door zijn stilzwijgen. De 'goede moordenaar’ die zijn fout erkent, betoont zijn bekering. Zo vervoegt hij de “getuigen” die Jezus’ onschuld erkennen (v. 4l). Hij belijdt zijn geloof in Jezus als Messias, maar hij denkt dat deze zijn macht slechts zal openbaren bij zijn komst op het einde der tijden (v. 42). Jezus aanvaardt zijn gebed op plechtige toon “in waarheid, Ik zeg je …”, maar corrigeert het op één punt: het is vandaag dat Jezus’ dood het messiaanse heil zal inhuldigen (v. 43), vandaag, dat hij met Jezus in het paradijs zal zijn. Wat erop aankomt, is met Jezus te zijn, want naar het woord van sint Ambrosius, waar Christus is, daar is het Koninkrijk.

Stervend, geeft Jezus het voorbeeld van de perfecte overgave in de handen van de Vader. Deze houding, uitgedrukt met een vers uit Psalm 31 (Lucas 23, 46), illustreert op definitieve wijze wat Jezus onderwezen, en wat Lucas opgetekend heeft (vgl. Lucas 12). In tegenstelling tot Marcus en Matteüs, herhaalt Lucas hier niet dat Jezus de Zoon is van God, maar hij laat duidelijker dan zij de kinderlijke houding zien van Jezus, die sterft terwijl hij de naam van de 'Vader' aanroept (Lucas 23,6; vgl. 23,34). Zo benadrukt Lucas, tot het einde toe, Jezus’ voorbeeld. De honderdman kan dan ook vaststellen dat "deze een rechtvaardige man was" (Lucas 23, 47).
Luc eindigt zijn passieverhaal met ons een contemplatieve houding te suggereren naar het voorbeeld van de getuigen van Jezus’ dood (Lucas 23,48 v.).


(Nota 1) Bij Lucas 23,48 vertaal ik “wat ze hadden aanschouwd, want Lucas heeft een woordspeling op “théôrian - theôrountes: “Kai pantes oi sumparagenomai ochloi epi tèn theôrian tautèn, theôrountes ta genomena”.
Oorspronkelijk betekende het werkwoord “theoreô”: “God zien”. De “theores” waren de personen die een orakel gingen raadplegen.
Théoreô = God beschouwen = aanschouwen !