Loading...
 

Palmzondag B - lang evangelie

2 Donder


...page... Wiki page pagination has not been enabled.

Marcus 14, 1 - 15, 47: De laatste dagen van Jezus

Marcus 14, 1 - 15, 47 // Matteüs, 26, 14 - 27, 66 // Lucas 22, 14 - 23, 56 // Johannes 18, 1-19,42



De tekst

Dichter bij de tijd

(C. LETERME)

Een paar dagen voor het joodse paasfeest bezoekt Jezus Simon de melaatse.
Daar komt een vrouw met een flesje duur parfum.
Ze breekt het flesje en giet het leeg over het hoofd van Jezus.
Sommige genodigden vragen verontwaardigd:
‘Had men het geld daarvoor niet beter aan de armen gegeven?’
Maar Jezus zegt: ‘Laat haar toch gerust! Er zullen altijd arme mensen zijn!
En je kunt er goed voor doen zo vaak je wilt. Maar Mij heb je niet altijd bij je.’
Intussen gaat Judas Iskariot, een van de twaalf apostelen, naar de hogepriesters
om Jezus aan hen over te leveren.
Die zijn blij als ze dat horen. Ze beloven Judas daarvoor te betalen.
Daarna zoekt Judas een goed moment om Jezus aan hen over te leveren.

Op de eerste dag van het joodse paasfeest, vragen de leerlingen aan Jezus:
‘Waar wilt U dat wij het paasmaal voorbereiden?’
Daarop stuurt Jezus twee leerlingen weg met de opdracht: ‘Ga naar de stad.
Daar zullen jullie een man tegenkomen die een kruik water draagt. Volg hem,
en zeg aan de eigenaar van het huis waar hij binnengaat:
“De meester wil weten waar Hij met mijn leerlingen Pasen kan vieren?”
Dan zal hij een ruime bovenzaal tonen, die ingericht is en in orde is.
Maak daar het feestmaal voor ons klaar.’
De leerlingen gaan weg. Ze komen in de stad en vinden alles zoals Jezus gezegd heeft.
Daar maken ze het paasmaal klaar.
’s Avonds komt Jezus aan met de twaalf apostelen.
Als ze aan tafel zijn en eten, zegt Jezus: ‘Echt waar, Ik zeg jullie, een van jullie,
die nu met Mij eet, zal Mij verraden.’
Bedroefd vraagt de een na de ander: ‘Ik ben het toch niet?’
Tijdens de maaltijd neemt Jezus een brood, bidt, breekt het brood, geeft het hun en zegt:
‘Neem, dit is mijn lichaam.’
Later neemt Hij een beker, bidt een dankgebed en geeft de beker door.
Ze drinken er allemaal uit.
Na het zingen van psalmen gaan ze naar de Olijfberg.
Onderweg zegt Jezus: ‘Jullie zullen allemaal ten val komen.’
Petrus zegt: ‘Al komt iedereen ten val, ik zeker niet.’
Maar Jezus zegt: ‘Ik zeg je: vandaag, nog deze nacht, voor de haan tweemaal kraait,
zul jij drie keer zeggen dat je Mij niet kent.’
Maar Petrus zegt: ‘Ik zal nooit zeggen dat ik U niet ken.’
En alle leerlingen die bij Jezus zijn, zeggen hetzelfde.
Ze komen aan bij Getsemane, een tuin aan de voet van de Olijfberg.
Jezus zegt tegen zijn leerlingen: ‘Ga hier zitten, terwijl Ik ga bidden.’
Petrus, Jakobus en Johannes gaan met Hem mee.
Maar dan wordt Jezus angstig en onrustig.
‘Ik ben dodelijk bedroefd,' zegt Hij, 'blijf hier en blijf wakker.’
Hij gaat wat verder, werpt zich op de grond en bidt:
‘Abba, Vader, U kunt alles. Neem deze beker van Mij weg.
Maar niet wat Ik wil, maar wat U wilt, mag gebeuren.’
Jezus gaat terug. Zijn drie vrienden slapen.
Hij zegt tegen Petrus: ‘Simon, slaap je? Kon je dan niet één uur wakker blijven?
Blijf wakker en bid dat jullie volhouden.’
Jezus gaat terug bidden. Maar als Hij terugkomt, vindt Hij hen weer in slaap.
Zijn leerlingen weten niet wat ze moeten zeggen.
Wanneer Jezus voor de derde keer terugkomt, zegt Hij:
‘Slaap nu maar rustig verder. Het uur is gekomen. Sta op, laten we gaan.
Kijk, hij die Mij overlevert, komt eraan.’
Hij is nog niet uitgesproken of Judas is daar,
samen met een hele bende met zwaarden en knuppels.
Die is gestuurd door de hogepriesters, Schriftgeleerden en oudsten.
Judas heeft hen gezegd: ‘Diegene die ik zal kussen, die is het.’
Wanneer Jezus aankomt, gaat hij recht op Hem af en zegt:
‘Rabbi’, en hij kust Hem.
Ze grijpen Hem en overmeesteren Hem.
Dan zegt Jezus: ‘Jullie komen met zwaarden en knuppels op Mij af
om Mij te arresteren, alsof Ik een rover ben.
Ik heb dag in dag uit in de tempel les gegeven.
Waarom hebben jullie Me daar dan niet opgepakt?’
Intussen laten zijn leerlingen Hem allemaal in de steek en vluchten weg.
De bende brengt Jezus naar de hogepriester.
Petrus volgt op een afstand tot op de binnenplaats van het paleis van de hogepriester.
Daar warmt hij zich bij het vuur samen met het personeel.
Intussen zoekt het gerecht naar getuigenissen tegen Jezus om Hem te kunnen doden.
Maar ze vinden niets.
Velen leggen een valse verklaring tegen Hem af, maar hun getuigenissen komen niet overeen.
Er zijn er ook een paar die valse verklaringen afleggen.
‘We hebben Hem horen zeggen: Ik zal deze tempel
die mensenhanden gebouwd hebben, afbreken en in drie dagen een andere opbouwen,
die niet door mensenhanden gemaakt is.’
Maar ook dit getuigenis overtuigt niet.
Dan staat de hogepriester recht en vraagt aan Jezus: ‘Waarom antwoordt U niet?
Ze zeggen hier nogal wat over U!’
Maar Jezus blijft zwijgen en antwoordt totaal niets.
Dan vraagt de hogepriester: ‘Bent u de Messias, de Zoon van God?’
Jezus zegt: ‘Ja, dat ben Ik.’
Dan scheurt de hogepriester zijn kleren en zegt: ‘Waarvoor hebben we nog getuigen nodig?
U hebt zelf gehoord wat Hij zegt. Wat vinden jullie ervan?’
Ze vinden allemaal dat Hij de doodstraf verdient.
Sommigen beginnen te spuwen naar Hem, doen Hem een blinddoek voor,
slaan Hem dan en zeggen: ‘Raad eens wie je geslagen heeft?’
Ook het personeel geeft Hem slagen.
Terwijl Petrus zich beneden opwarmt op de binnenplaats,
komt daar een dienstmeid van de hogepriester.
Ze beziet Petrus en zegt: ‘Jij was ook bij die Jezus van Nazaret.’
Maar Petrus zegt: ‘Ik weet niet waarover je het hebt.’
Dan gaat hij naar buiten naar de voorhof. Er kraait een haan.
Wanneer ze hem daar ziet, zegt ze tegen de omstanders: ‘Dat is één van hen.’
Maar Petrus zegt opnieuw: 'Ik weet niet waar je het over hebt.'
Na een tijdje zeggen de omstanders tegen Petrus:
‘Jij bent zeker één van hen, want je bent een Galileeër.’
Petrus begint te vloeken en te zweren: ‘Ik ken de man niet over wie jullie het hebben.’
Er kraait een haan voor de tweede keer.
Dan herinnert Petrus de woorden van Jezus:
‘Voordat een haan twee keer kraait, zul je drie keer beweren dat je Mij niet kent.’
En hij barst in tranen uit.
’s Morgens vroeg wordt Jezus geboeid. Men voert Hem weg en levert Hem over aan Pilatus.
Pilatus vraagt aan Jezus: ‘Bent U de koning van de Joden?’
Jezus antwoordt: ‘Zoals U zegt.’
De hogepriesters brengen allerlei beschuldigingen tegen Hem in.
Dan vraagt Pilatus aan Jezus: ‘Waarom antwoordt U niet?
Hoor eens waarvan ze U allemaal beschuldigen.’
Maar Jezus zegt niets. Dit verbaast Pilatus.
Als er een feest is, laat Pilatus gewoonlijk één gevangene vrij,
Nu zit er een zekere Barabbas in de gevangenis,
samen met rebellen die een moord hebben gepleegd.
De menigte komt de trap op en roept: ‘Laat een gevangene vrij.
Pilatus vraagt: ‘Wilt u dat ik de koning van de Joden vrijlaat?’
Maar de hogepriesters hitsen de menigte op: ‘Laat liever Barabbas vrij.’
Pilatus vraagt: ‘Wat moet ik dan doen met Hem die u de koning van de Joden noemt?’
Ze schreeuwen: ‘Kruisig Hem!’
Pilatus vraagt: ‘Welk kwaad heeft Hij eigenlijk gedaan?’
Maar zij schreeuwen nog harder: ‘Kruisig Hem!’
Omdat Pilatus het volk tevreden wil stellen, laat hij Barabbas vrij.
Hij laat Jezus geselen en levert Hem over om gekruisigd te worden.
De soldaten nemen Jezus mee in het paleis.
Daar doen ze een purperen mantel om zijn schouders,
en ze vlechten een krans van doornen om die op zijn hoofd te zetten.
Dan beginnen ze Hem te groeten: ‘Gegroet, koning van de Joden!’
Ze slaan Hem met een stok op het hoofd, spuwen Hem in het gezicht,
en knielen voor Hem neer om Hem te huldigen.
Als ze zo de spot met Hem gedreven hebben, nemen ze Hem de purperen mantel af,
doen Hem weer zijn eigen kleren aan en brengen Hem naar buiten om Hem te kruisigen.
Onderweg komen ze Simon van Cyrene tegen. Hij komt net van zijn akker.
Ze bevelen: ‘Draag zijn kruis!’
Jezus moet naar Golgota, een heuvel buiten Jeruzalem.
Daar willen ze Hem wijn met mirre geven, maar Jezus wil dat niet.
Ze kruisigen Hem om negen uur 's morgens en dobbelen om zijn kleren.
Het opschrift met de reden van zijn veroordeling luidt: ‘Koning van de Joden.’
Samen met Hem kruisigen ze twee bandieten, één rechts en één links van Hem.
Voorbijgangers schudden hun hoofd en roepen:
‘Ha, Jij die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, red jezelf en kom van het kruis af.’
Ook de hogepriesters en de schriftgeleerden spotten:
‘Anderen heeft Hij gered, maar zichzelf kan Hij niet redden!’
‘Messias, koning van Israël, kom nu maar van het kruis af, dan zullen we geloven!’
Ook de bandieten die samen met Hem gekruisigd zijn, maken beledigende opmerkingen.
's Middags valt er een duisternis over het hele land.
Om drie uur roept Jezus luid: ‘Eloi, Eloi, lema sabachtani?’
Dat is in het Nederlands: Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij in de steek gelaten?
Sommigen die dat horen, zeggen: ‘Hoor, Hij roept Elia!’
Een van hen rent weg, doopt een spons in wijn,
steekt die op een rietstok en wil Hem te drinken geven.
‘Eens zien of Elia Hem van het kruis komt halen,’ zegt hij.
Maar Jezus slaakt een luide kreet, en geeft de geest.
Wanneer een honderdman ziet dat Hij zo sterft, zegt hij:
‘Inderdaad, die man was de Zoon van God.’
Op een afstand staan enkele vrouwen.
Ze volgen Hem al van in Galilea en zorgden voor Hem.
Wanneer het avond is gaat Jozef van Arimatea naar Pilatus en vraagt:
‘Kan ik het lichaam van Jezus krijgen?’
Pilatus kijkt verbaasd op. Hij vraagt aan een honderdman: ‘Is die Jezus nu al dood?’
Als hij hoort dat Jezus gestorven is, geeft hij het lijk aan Jozef.
Die koopt een linnen doek, neemt Hem van het kruis af, en wikkelt Hem in het linnen.
Hij legt Hem in een graf dat in een rots is uitgehouwen en rolt een steen voor de ingang.
Twee Maria’s kijken toe waar Hij wordt neergelegd.



Vertellen of voorlezen bij kinderen

Wie dit lange evangelie aan kinderen wil voorlezen of vertellen, kan het als volgt inleiden:

Als iemand gestorven is, merk je dat mensen veel over de overledene beginnen te praten. Dat doet hen goed. Zo voelen ze dat de overledene nog dicht bij hen is. Soms wenen mensen erbij. Ook dat is goed, want als mensen hun verdriet tonen, kunnen anderen hen troosten.
Toen Jezus – nu bijna 2000 jaar geleden - stierf, hadden zijn moeder Maria en zijn vrienden heel veel verdriet. Ook zij vertelden aan elkaar wat er de laatste week van zijn leven allemaal was gebeurd. Zo voelden ze Jezus nog dicht bij hen.
Tot op vandaag vertellen christenen dit verhaal, vooral in de Goede Week, de week waarin ze de laatste dagen van het leven van Jezus in herinnering brengen.





Bij de tekst…

Heel oude tekst

De teksten over de laatste dagen van het leven van Jezus behoren tot de oudste teksten van het evangelie. Ze vertellen over zijn lijden en dood. Omdat de eerste christenen moeilijk konden verwerken dat Jezus aan een kruis is gestorven, zochten ze in de Bijbel naar teksten die dit lijden voorspelden en zo voor hen aanvaardbaar maakten. Daarom zijn er in deze teksten over de laatste dagen van Jezus heel veel teksten uit het Oude Testament verweven. Lees meer

De teksten in het evangelie over het leven van Jezus, werden later geschreven.

De teksten van het evangelie, die het laatst geschreven werden, gaan over de geboorte en de kinderjaren van Jezus. Ze zijn alleen te vinden in de evangelies van Matteüs en van Lucas. Lees meer





Overzicht van de teksten

DEEL 1: Een vrouw met een flesje kostbare olie

Marcus 14, 1-9
Klik hier voor info.



DEEL 2: Verraad van Judas en laatste avondmaal

Marcus 14, 10-25
Klik hier voor info en suggesties.



DEEL 3: Jezus op de Olijfberg

Marcus 14, 26-52
Klik hier voor info en suggesties.



DEEL 4: Jezus wordt ondervraagd

Marcus 14, 53 - 15, 15
Klik hier voor info en suggesties.



DEEL 5: Lijden en dood van Jezus

Marcus 15, 16-41
Klik hier voor info.



DEEL 6: Jezus wordt begraven

Marcus 15, 42-47
hier voor info en suggesties.





Bijbel en kunst

H. MEMLING

Taferelen uit de Passie van Christus (1470-71)

Memling Passie Grt

Olie op eikenhouten paneel (57 x 92 cm)
Galleria Sabauda, Turijn


Hans Memling (ca. 1430 – 1494) verwerkte alle passages uit de passie in één schilderij en voegde er de opstanding aan toe. In totaal zijn er drieëntwintig taferelen te zien.
De biddende mensen in de onderste hoeken zijn waarschijnlijk de opdrachtgever Tommaso Portinari en zijn vrouw. Portinari was een bankier uit Firenze die in Brugge woonde en werkte.




Opzoeken
Maak een kleurkopie van dit schilderij. Zoek de volgende taferelen in het schilderij. Schrijf het nummer van het tafereel op een mini post-it en kleef het bij het tafereel.
1. Intrede in Jeruzalem.
2. Jezus verjaagt de geldwisselaars uit de tempel.
3. Het verraad van Judas.
4. Het Laatste Avondmaal.
5. Jezus bidt in de tuin van Getsemane. De apostelen slapen.
6. De Romeinen nemen Jezus gevangen. Petrus hakt het oor af van een van de aanvallers.
7. Petrus verloochent Jezus driemaal, nog voor de haan kraait.
8. Jezus voor Pilatus.
9. Jezus wordt gegeseld.
10. Tweede verhoor door Pilatus.
11. Men zet een kroon van doornen op het hoofd van Jezus en doet hem een purperen mantel om, om met Hem te spotten.
12. ‘‘Ziet de mens’ (Ecce homo).
13. Timmerlieden maken een kruis.
14. Jezus valt met zijn kruis. Simon van Cyrene helpt Hem.
15. Jezus wordt aan het kruis genageld.
16. Het kruis van Jezus wordt geplaatst tussen twee misdadigers op de heuvel Golgota.
17. Jezus wordt van het kruis gehaald.
18. Jezus wordt in een graf gelegd.
19. Jezus in het voorgeborchte.
20. Jezus verrijst uit het graf. De soldaten merken niets, ze slapen.
21. De verrezen Jezus ontmoet Maria Magdalena.
22. Op weg naar Emmaüs.
23. Jezus verschijnt aan de apostelen bij het Meer van Galilea.




Zoek op wikipedia de verschillende stadia in een kruisweg. Teken een cirkel rond de cijfers die taferelen weergeven die met de kruisweg overeenkomen.
Zo valt op dat Memling niet alleen veel aandacht had voor de gebeurtenissen die aan het passieverhaal voorafgingen, maar ook voor de verrijzenis, de verschillende situaties waarin leerlingen hebben ervaren dat Jezus verder leefde.





Suggesties

Jongeren

VERDIEPEN

Voorbeelden om naar op te kijken

Lees de gehele tekst over de laatste levensdagen van Jezus.
Noteer de verschillende personen die in de tekst worden gepresenteerd.
Stel je bij elke persoon de vraag: kan ik mij aan deze persoon inspireren in mijn leven?

Vrouw met kostbaar parfumtoont hoeveel ze van Jezus houdt
Judasverraadt Jezus
leerlingenvallen in slaap vallen, terwijl Jezus waakt en bidt
leerlingenslaan op de vlucht bij de arrestatie van Jezus
Petruszegt dat hij Jezus niet kent
Petrusheeft berouw over zijn verloochening van Jezus
Pilatusveroordeelt Jezus
soldatenpijnigen Jezus
Simon van Cyrenehelpt het kruis van Jezus te dragen
Romeins honderdmannoemt Jezus de zoon van God
Vrouwenkijken toe vanuit de verte




De eenzaamheid van Jezus

Het hele evangelie door wordt vermeldt dat vele mensen Jezus volgden om zijn woorden te beluisteren en ook wonderen van Hem te bekomen. In het lijdensverhaal van Jezus valt vooral zijn eenzaamheid op. Ook al omdat Jezus amper reageert / eerder zwijgt als Hij bij de hogepriester en Pilatus is.

Lees de gehele tekst over de laatste levensdagen van Jezus.
Noteer de verschillende situaties in die tekst waarin je de grote eenzaamheid van Jezus kunt aanvoelen.

Getsemanede drie beste leerlingen van Jezus kunnen zelfs niet één uur met hem waken
Bij de hogepriesterPetrus zegt dat hij Jezus zelfs niet kent
Bij Pilatusde mensen kiezen voor Barnabas, die iemand had vermoord
In het pretorium / voorhofsoldaten lachen Jezus uit
Onder het kruishogepriesters en Schriftgeleerden spotten met Jezus
Naast het kruisde misdadigers die samen met Jezus gekruisigd werden bespotten Hem
Op het kruis Jezus bidt psalm 22,2: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij in de steek gelaten?’
Bij het kruisde vrouwen keken vanuit de verte






Overwegingen

Frans Mistiaen s.j.

Teken van liefde tot het uiterste toe

Wij, christenen, worden niet uitgenodigd
op te kijken naar het kruishout zelf,
naar dat marteltuig
dat lijden en vernietiging brengt.
Wij worden wel uitgenodigd op te kijken
naar Jezus op het kruis,
die, te midden van het lijden,
Zijn zichzelf-gevende-liefde toont
tot het uiterste toe.
Ook in de hevigste pijn
en de vastgespijkerde machteloosheid
denkt Jezus immers niet aan Zichzelf,
maar aan de anderen
(Hij vergeeft Zijn beulen,
schenkt Johannes aan Zijn Moeder
en belooft het paradijs aan de goede moordenaar)
en bidt Hij vol vertrouwen tot Zijn Vader
("In Uw handen beveel Ik Mijn geest").
Laten wij opkijken naar wat de Liefde doet,
hoe Jezus Zichzelf totaal vergeet en wegschenkt,
zelfs in die meest weerloze situatie.
En op het moment van de kruisiging
wordt die liefde van de Mensenzoon "omhoog geheven":
Zijn liefde tot het uiterste
wordt het moment van Zijn verheffing door God,
van Zijn verheerlijking.

Niet iedereen ziet dit.
Bij het opkijken naar een kruis en naar de Gekruisigde
staat iedereen voor de keuze: te geloven of niet te geloven.
Wie niet gelooft, ziet alleen een gemartelde man,
die lijdt aan het kruishout en totaal vernietigd wordt.
Wie gelooft, ziet juist
in de zelfgave van de Gekruisigde en Zijn verhoging door God,
het teken dat de belangeloze, zichzelf-gevende Liefde
sterker is dan de dood.

Geloven is dan ook, bij het opzien naar het kruis,
vooral kijken naar Jezus
en willen leven vanuit de liefde die Hij toont
door zichzelf belangeloos weg te schenken voor anderen, zelfs op het kruis.
Geloven is, bij het opzien naar het kruis,
vooral kijken naar Jezus
en zich uitgenodigd voelen door Zijn Zichzelf-gevende liefde,
opgetild worden uit de dood van eigen zonde
naar een nieuw, meer liefdevol leven,
een leven in licht en waarheid.

Ongelovigen blijven het kruis zien als een teken van ondergang.
Gelovigen zien in de zelfgave van de Gekruisigde
het teken dat zo'n liefde, ondanks het lijden, de dood overwint.

Soms wordt wel eens een kruis zonder Gekruisigde Jezus afgebeeld,
hoog op een kerktoren of ingebouwd in een groots beeldhouwwerk
of om praktische redenen. Tot daar.
Maar in de liturgie van de Goede Vrijdag
mogen wij het meest essentiële niet weglaten:
de belangeloze zelfgave van de Gekruisigde op het kruis.

Misschien kunnen wij ervoor zorgen
- in deze laatste week voorbereiding op Pasen -
dat het kruis mét de Gekruisigde
ook in ons huis weer een echte ereplaats krijgt.
Wanneer wij de Goede Week beginnen,
gaan wij, vandaag op Palmzondag,
de liefdevolle Gekruisigde Jezus dan ook eerbiedig versieren met een palmtak
en opkijken naar Gods teken
van zichzelf-gevende-Liefde tot het uiterste toe.



Marc Gallant, trappist (Orval)

De ommekeer (2015)

De Messiaanse intrede van Jezus te Jeruzalem betekent een plotse en onverwachte ommekeer van wat we van Jezus gewoon waren. Vanaf het begin van zijn optreden verbiedt Hij aan de geesten, die Hij uitdrijft, Hem kenbaar te maken (Marcus 1, 25.34; 3, 12) en Hij ontwijkt het succes door zich voor dag en dauw ongezien in de bergen terug te trekken, zodat zijn apostelen koortsachtig naar Hem op zoek moeten gaan, en dat Simon hem verwijtend zegt: “Iedereen zoekt u”. Maar Jezus gaat daar niet op in, en trekt naar elders (Marcus 1, 35-37). Ook na de broodvermenigvuldiging verwijdert Hij voorzichtigheidshalve zijn leerlingen van de enthousiaste menigte die Hij wegstuurt, terwijl Hij zelf weer de bergen intrekt om er te bidden (Marcus 6, 36-37). Johannes verduidelijkt hier de reden: Jezus wist dat men Hem tot koning wilde maken (Johannes 6, 15).
Het is duidelijk: Jezus wil geen leerlingen achter zich, die de grootsten willen zijn of die uit zijn op politieke macht (Marcus 9, 33-35; 10, 37-45). Bij elke gelegenheid gaat Hij in tegen het volksgeloof dat meende dat lijden en dood zouden uitgeschakeld worden bij de komst van de Messias. Integendeel, Hij gaat recht tegen dat geloof in, en Hij kondigt tot driemaal toe zijn eigen lijden en dood aan (Marcus 8, 31; 9, 30; 10, 32), iets wat het begrip van zijn leerlingen te boven gaat: deze dromen nog steeds van voorrang en ereplaatsen in het nieuwe Rijk.

Zij zullen zich wel verheugd hebben bij die onverwachte plotse ommekeer in Jezus’ houding. Wie had dat gedacht: Jezus neemt nu omzeggens zelf het initiatief van zijn triomfantelijke intrede, en geeft aan zijn apostelen de link waar ze voor Hem een ezelsveulentje kunnen vinden (Marcus 11, 1-7). Jezus gaat nu de volksdrang om Hem tot Messias uit te roepen niet meer tegen. Hij gebruikt het volksenthousiasme om profetisch de ware zin van zijn Messiaanse zending aan het licht te brengen. Daarom ensceneert Jezus zelf zijn intrede te Jeruzalem om het verlangen van het volk te kanaliseren en zelf de zin aan te duiden van zijn messianiteit. Hij zal koning der Joden zijn, maar niet met wapenmacht en strijdros.

Het is opmerkelijk: juist terwijl er te Jeruzalem in de hoge kringen vergaderd wordt over de manier waarop de hinderlijke profeet uit Galilea kan uitgeschakeld worden, zetten de leerlingen van Jezus met een ezeltje een Blijde Intrede van de Messias-koning op touw. Het liep in de volksmond dat de Messias vanaf de Olijfberg zijn intrede zou doen te Jeruzalem. Dat viel goed mee: de triomfstoet kon vertrekken vanuit Betanië, waar de pelgrims uit Galilea bivakkeerden, en deze sympathiseerden spontaan met hun landgenoot. Als onderstroom speelde ook mee dat zij, Galileeërs, door de Judeeërs slechts als tweederangsjoden werden beschouwd. Uit dat bivaksoord van de Galileeërs zou Jezus, enkele dagen later, ‘s nachts, op een tip van Judas, kunnen worden opgelicht.

Het is de leerlingen van Jezus echter een ernst wanneer ze hem huldigen: ze leggen hun mantels op Jezus’ rijdier en over de weg waar Hij voorbijkomt: iemand op je mantel laten zitten, iemand over je mantel laten lopen, betekent dat je hem erkent als hem die zeggenschap heeft over je. De leerlingen willen Jezus echt als koning introniseren.

Wat gaat er eigenlijk om in Jezus die zich leent tot deze spontane hulde? Het Messiasgeheim, dat Marcus tot nu toe in zijn evangelie aangehouden heeft, bereikt hier immers zijn ontknoping. Jezus openbaart zich als Messias. Hij laat zich toejuichen als “die komt in de naam van de Heer”. Die toejuiching heeft een duidelijke Messiaanse betekenis, en Matteüs en Lucas vermelden de verontwaardiging van de gezagdragers (Matteüs 21, 15; Lucas 19, 39) in dit verband.
Jezus zal dus plechtig Jeruzalem binnentreden zonder woordenkraam, maar symbolisch gezeten op een ezelsveulentje dat verwijst naar de koning, nederig en vredelievend, aangekondigd door Zacharia (9, 9). Het is zo dat Jezus “Jeruzalem binnentrad in de tempel”, zegt Marcus. Het was wel de tempel die Jezus’ doel was.
Maar totaal verrassend, Marcus laat die Messiaanse intrede op niets uitlopen. In de tempel gedraagt Jezus zich niet als Messias, maar als toerist: “toen Hij alles in ogenschouw genomen had, ging Hij, omdat het al laat was, samen met de twaalf naar Betanië” (Marcus 11, 11). Matteüs en Lucas zijn hier meer coherent: gesteund door de volksmassa jaagt Jezus de verkopers uit de tempel (Matteüs 21, 12 v.; Lucas 19, 45 v.) en stelt zo een sterke profetische daad met Messiaanse betekenis.
Men veronderstelt dat de primitieve tekst van Marcus versneden geweest is en opnieuw samengesteld voor het gebruik van de liturgie. Er moest een overloop gemaakt worden van palmzondag en het passieverhaal dat, te Jeruzalem, gevierd werd op de plaats zelf van de dramatische gebeurtenissen. Volgens de Handelingen was Marcus afkomstig van Jeruzalem (Handelingen 12, 12).

Jezus zal in elk geval, tot het einde toe de lijn doortrekken van de vredelievende Messias. Zachtmoedig zal Hij zich laten gevangen nemen. Maar Hij zal onbewogen bevestigen dat Hij de Messias is. “Weer stelde de hogepriester Hem een vraag en zei tegen Hem: ‘Bent u de Messias, de Zoon van de Gezegende?’ Jezus zei: ‘Ik ben, en u zult de Mensenzoon zien, gezeten aan de rechterhand van de Macht en komend op de wolken van de hemel” (Marcus 14, 61-62). Daarop verscheurde de hogepriester zijn kleren want alleen reeds de uitspraak “Ik ben” behoort alleen aan God toe.
Op zijn beurt, “Pilatus vroeg hem: ‘Bent u de koning van de Joden?’ Hij antwoordde: ‘U zegt het.’” (Marcus 15, 2). Jezus laat zich vervolgens gedoornkroond begroeten als koning der Joden (Marcus 15, 17) en zal zich laten leiden naar het kruis, om er te sterven als de laatste der laatsten. Maar “het opschrift met de aanklacht tegen hem luidde: ‘De koning van de Joden’” (Marcus 15, 26). Johannes zal preciseren dat dit opschrift opgesteld was in het Hebreeuws, het Latijns en het Grieks (Johannes 19, 19-20). Wat betekent dat zijn koningschap van totale armoede en zelfontlediging, aan heel de wereld zal worden kond gedaan. (Johannes 19,19-20).
Marcus noteert op zijn manier: “Toen de honderdman, die recht tegenover Hem stond, Hem zo zijn laatste adem zag uitblazen, zei hij: ‘Werkelijk, deze mens was Gods Zoon!’” (Marcus 15, 39). Deze verklaring is de ontknoping van heel het Marcusevangelie: Jezus is meer dan de koning der Joden, meer dan een Messias: Hij is de Zoon van God.
In dit licht kunnen we nu heel het evangelie van Marcus herlezen.